Je leest:

“Uit eigenen lust en zinlykheit geschreeven”

“Uit eigenen lust en zinlykheit geschreeven”

Auteur: | 15 juli 2007

Precies driehonderd jaar geleden verscheen de Nederduitsche spraekkunst van de Deventer predikant Arnold Moonen, door deskundigen beschouwd als de beste Nederlandse grammatica tot dan toe. Wie was die Arnold Moonen? Wat is er zo bijzonder aan zijn levenswerk? En welke rol speelde de ‘prins der Nederlandse dichters’ Vondel hierbij?

Tegenwoordig hoor je de grote schrijvers nauwelijks nog over grammaticale kwesties. Ja, ze willen nog weleens protesteren tegen een spellingwijziging, maar met de inhoud van bijvoorbeeld de Algemene Nederlandse Spraakkunst bemoeien ze zich niet. Andersom laten de hedendaagse taalkundigen zich maar weinig gelegen liggen aan de mening van literatoren. Dat was vroeger wel anders.

Taalkundige Arnold Moonen (1644-1711) slaagde erin een algemeen geaccepteerde spellingberegeling te ontwerpen. Portret: C. Kelder / F. Boonen; onderschrift: J. Vollenhove. Bron: dbnl

In de Gouden Eeuw was het vanzelfsprekend dat taalkundigen zich verstonden met literatoren. Taalkundigen schreven vaak zelf gedichten, en schrijvers publiceerden over grammatica. Van P.C. Hooft is bekend dat hij uitvoerige grammaticale aantekeningen schreef over spelling en woordgebruik, en hierover regelmatig discussieerde met andere grote namen uit de Muiderkring.

Met name Joost van den Vondel interesseerde zich hevig voor “de Nederduitsche taele”, en pleitte zeer voor standaardisering. In die tijd bestonden er nauwelijks regels of zelfs maar afspraken over hoe je iets moest spellen of formuleren, of over hoe je moest omgaan met leen- en bastaardwoorden. De schrijvers zagen in dat standaardisering van het grootste belang was voor de Nederlandse cultuur.

Goed Nederduitsch?

In 1671 stuurde de toen 27-jarige Zwolse theologiestudent Arnold Moonen een gelegenheidsgedichtje voor een bruiloft naar de toen 84-jarige Vondel. De oude dichter zag wel wat in het gedicht, en nodigde Moonen uit voor een gesprek. Al snel ging dat gesprek niet meer over poëzie, maar over de Nederlandse standaardtaal. Moonen interesseerde zich enorm voor spelling en grammatica, en Vondel had hier uitgesproken meningen over.

Die eerste ontmoeting tussen taalkundige en literator werd al snel voortgezet in een aantal vervolggesprekken, en Moonen legde Vondel een aantal nijpende kwesties zelfs schriftelijk voor. De aantekeningen hiervan zijn in de negentiende eeuw nog uitgegeven (door Jacob van Lennep), onder de titel: Vragen aan den Here J. v. Vondel voorgestelt. Hoe te noemen in goed Nederduitsch?, een titel die sterk doet denken aan die van twintigste-eeuwse taalboekjes als Is dat goed Nederlands?

Vondel overleed in 1679, op 91-jarige leeftijd; de aantekeningen van zijn gesprekken met Moonen werden uiteindelijk verwerkt in Moonens grote, veelomvattende grammatica van het Nederlands, die echter pas in 1706 het licht zag. Waarom duurde dat zo lang?

300 jaar geleden verscheen Moonens invloedrijke Spraekkunst. Bron: dbnl

“Lastige bedieninge”

Aan het einde van de zeventiende eeuw bleef er voor Moonen weinig tijd over om zich aan de grammaticale studie te wijden. Het was een turbulente tijd, met veel politieke woelingen. Denk alleen maar aan het rampjaar 1672, waarin de jonge Nederlandse republiek met zo ongeveer iedereen in oorlog raakte, de gebroeders De Witt werden gelyncht en “het land reddeloos, de regering radeloos en het volk redeloos” was – zoals de uitdrukking sindsdien luidt.

In die jaren was Moonen predikant in Deventer, en daarnaast hield hij zich bezig met duizend-en-een andere zaken. Zo weten we dat hij in dertig jaar niet alleen zo’n 2800 preken schreef, maar ook werk publiceerde op het gebied van de theologie, de literatuur, de geschiedenis en de grammatica. Bij die grammatica moet zijn echte passie gelegen hebben, want zijn predikantenbaan noemde hij in zijn voorwoord zijn “lastige bedieninge”.

Daarnaast moet hij niet gemakkelijk in de omgang zijn geweest: hij schreef venijnige pamfletten en ruziede rond 1700 openlijk met verschillende personen over vermeende spinozistische opvattingen. Ook raakte hij min of meer tegen zijn zin betrokken in de controverse tussen remonstranten en contraremonstranten, en werd hij meegesleurd in de ruzie tussen de woordenboekschrijvers François Halma en Pierre Marin. Niet alleen Halma’s Woordenboek der Nederduitsche en Fransche taalen liep minstens tien jaar vertraging op, ook Moonens grammatica kwam veel later van de pers dan verwacht.

Opluchting

Ondertussen werden de vakgenoten bepaald ongeduldig. De oervader van onze woordenboeken, David van Hoogstraten, schreef in 1700, dus nog zes jaar voordat Moonens levenswerk echt het licht zou zien: “Boven dit alles wachten wy eene niewe Spraekkunst van den Heer Arnold Moonen. Tot het uitkomen dezer Spraekkunst is te grooter hoope, om dat wy reeds het grootste en zwaerste gedeelte daer van gezien hebben.”

Blijkbaar was de hele spraakkunst al bijna afgerond, maar Moonen kwam er maar niet aan toe het werk vrij te geven. Ten slotte herschrijft hij het hele manuscript van de Nederduitsche spraekkunst nog eens en geeft het eindelijk uit, maar ook dan blijft hij nog vrezen voor kritiek. In zijn voorwoord spreekt hij zichzelf moed in: hij zal terechte kritiek moeten aanvaarden, ook als “deeze geheele timmeraedje met en voor haeren boumeester gesloopt worde”.

Het verschijnen van de Nederduitsche spraekkunst in 1706 was dus voor velen een opluchting. De eerste spraakkunst in vijftig jaar, het boek dat er eindelijk voor moest zorgen dat op de landelijke synodes de afgevaardigden uit Drenthe zich ook op grammaticaal gebied konden verstaan met die van Zeeland. Daar zat iedereen op te wachten.

De hooggespannen verwachtingen werden volledig ingelost. François Halma omschreef Moonen in 1717 als: “die doorgeoefende Taalbouwer, die ons zyne hulpe heeft bygezet, als wiens naam, geleerdheit, en gedachtenisse nooit door den vergiftigden adem van eenen aterlingsen Bulwurm kan besmet, of onteert worden”. Blijkbaar was Moonen erin geslaagd om netelige kwesties op een zodanige manier te beslechten dat iedereen er vrede mee kon hebben. Wat waren dat voor kwesties? En hoe deed Moonen dat?

“Het krysschende geschreeu der zwaluwen”

Bij de standaardisering van de taal was de spelling een belangrijk onderwerp. Er was op dat gebied nog nauwelijks iets geregeld. De kibbelarijen tussen Vondel en Hooft waren onbeslist geëindigd. Zo vond Hooft dat je lange klinkers het beste dubbel kon blijven spellen, ook in woorden als vaader, vreedeen kooning. Vondel was van mening dat je in open lettergrepen beter een enkele klinker kon schrijven: vader, vrede, koning. Het is de verdienste van Moonen dat hij hier een theoretische onderbouwing aan gaf, waardoor de vondeliaanse schrijfwijze tot op de dag van vandaag is blijven bestaan: hij koos voor vrede, maar ook voor vee, zee en twee in plaats van ve, ze en twe (wat misschien consequenter was geweest).

Ook met andere controverses werd rigoureus afgerekend. Bijzonder is hier dat Moonen zich bij zijn overwegingen niet steeds door één principe liet leiden, maar soms het ene, soms het andere de doorslag liet geven. Hierdoor ontstond een systeem waarin iedereen zich thuis kon voelen, en dat door het merendeel van de schrijvende elite gemakkelijk geaccepteerd kon worden.

Een voorbeeld van zo’n kwestie is de spelling van de enkelvoudsvorm van huizen en graven. Op grond van het zogenoemde gelijkvormigheidsprincipe, dat zegt dat je in de spelling het stamwoord moet kunnen blijven zien, zouden de vormen huiz en grav te verdedigen zijn geweest. Moonen laat hier het fonetisch principe zwaarder wegen: schrijf zoals het klinkt.

De schrijfwijze ick voor ik keurt Moonen af. Volgens hem moest je letters die “geene hulp toebrengen, als overtolligh” uit de spelling weren. Vandaar dat we nu nog ik schrijven, en niet ick.

Soms haalt hij alle retoriek uit de kast. De spelling vriint voor vrient en dri voor drie vindt hij “te hart en oneigen, en zweemende naer het krysschende geschreeu der zwaluwen”. Deze en vele andere keuzes hebben inmiddels driehonderd jaar overleefd. Klooster in plaats van kloester, haar en niet hair, voor en niet voir.

Veel van Vondels denkbeelden over taal zijn terug te vinden in Moonens Spraekkunst. Portret: W.P. Hoevenaar / P.W. v.d. Weijer. Bron: dbnl

Deftig

Natuurlijk hebben niet alle voorstellen van Moonen het gehaald. Zo stelde hij, ook weer op gezag van Vondel, voor om maen te schrijven. Vondel immers “oordeelde, dat in dit slagh van woorden ook van de E wierd gehoort”. Blijkbaar heeft Vondel die uitspraak als deftig ervaren. Voor ons is dit voorschrift voltooid verleden tijd, al zie je die ae-spelling nog weleens terug in namen van gebouwen en wijken, die vaak eindigen op – staete, waarschijnlijk ook om redenen van deftigheid.

Ook de voorschriften rond het weglaten van de letter w na twee of drie klinkers hebben de 21ste eeuw niet gehaald: eeu – eeuwen, vrou – vrouwen, kieu – kieuwen, waar de letter w “welluidendheits halve” pas in het meervoud werd toegevoegd. Het is een regel die wel een tijdlang gepraktiseerd is, maar uiteindelijk een stille dood is gestorven.

Voor het schrijven van – gh aan het eind van een woord bedacht Moonen een ongelooflijk ingewikkeld systeem, dat hij nota bene zelf niet eens toepaste. Hij stelde bijvoorbeeld voor een onderscheid te maken tussen wegh ‘brood’ en weg ‘straat’. De enige reden was een soort homoniemenvrees: liever geen twee woorden met dezelfde spelling en verschillende betekenis. Deze regel is nooit gebruikt.

Pikant

Behalve van Moonens zorgvuldige afwegingen toont de hele spraakkunst de sporen van Vondels invloed. In veel kwesties volgde Moonen eenvoudig het oordeel van Vondel, en gaf hij daar een taalkundige motivering bij. Hoe groot die invloed was, is pas in de twintigste eeuw in zijn volle omvang duidelijk geworden. Vergelijking van de gedigitaliseerde werken van Vondel en de voorbeeldzinnen uit de grammatica van Moonen leerde dat meer dan driekwart van de voorbeeldzinnen rechtstreeks uit Vondels werken geplukt was. Gewaagde voorbeeldzinnen als “Stel uwe geilheit en ontucht eens mate” en “Korydon was op den schoonen Alexis verslingert” komen linea recta uit de prozavertalingen van Vondel; ook de minder pikante voorbeelden blijken bijna allemaal aan Vondel ontleend.

Voor Moonen gold de schrijfstijl van Vondel, ook na een halve eeuw, nog “als den zinlyksten en naeukeurigsten”. Waaraan hij toevoegt: “anderen, en zelfs den Drossaert Hooft, die als een arent in de wolken zweeft, niet te na gesprooken”. Wordt hier soms Hooft als te elitair weggezet? Het lijkt er wel op.

De keuze van Vondels voorbeeld is trouwens wel opmerkelijk voor een gereformeerd predikant uit Deventer. Immers, in 1637 was de Dordtse Statenvertaling van de bijbel verschenen, die eveneens de standaardisering van het Nederlands op het oog had. Waarom ontleende de predikant Moonen zijn voorbeeldzinnen én zijn grammaticale denkbeelden bijna allemaal aan de katholieke Vondel, en niet aan de Statenvertaling? In zijn voorwoord noemt Moonen als bron wel de grammaticale aantekeningen van de Statenvertalers, “(bedroog myn oog my niet, toen ik ze twee maelen zagh) geschreeven door de pen van den Heere Jakobus Revius”, maar in het werk zelf is geen spoor van invloed aan te wijzen.

Blijkbaar vond Moonen dat de standaardisering van de taal geen zaak van religie was, maar een zelfstandige bezigheid, waarbij taalkundige argumenten belangrijker waren dan de persoon die ze leverde.

Kinderstoel

De invloed van de Nederduitsche spraekkunst hield ruim een eeuw stand, en recent onderzoek heeft aangetoond dat ook de spraakkunsten van later datum schatplichtig zijn aan dit belangrijke werk. De spraakkunst verdient juist in deze tijd onze aandacht, net als Moonen zelf, die erin slaagde om een algemeen geaccepteerde spellingberegeling te ontwerpen.

Het liep uiteindelijk niet zo goed af met Moonen. Hij overleed in 1711, kort na de publicatie van zijn levenswerk. Er zijn geruchten dat hij “zijne laatste levensjaren in een’ staat van kindschheid heeft doorgebracht, zittende in een kinderstoel”. Niet alleen grote literatoren komen dus zo aan hun einde, maar ook weleens een grote taalkundige.

Niet alle deskundigen zijn het er over eens dat Arnold Moonen de laatste jaren van zijn leven dement was. Johannes Lindeboom heeft in 1958 een biografie over het leven van de predikant gepubliceerd, getiteld ‘Arnold Moonen, 1644 – 1711’. Hierin vertelt hij dat Moonen op 11-01-1711 zijn laatste preek gaf in Deventer. In april werd hij eervol ontslagen en kreeg hij een pensioen toegekend. Zijn laatste maanden zou hij hebben gevuld met het lezen van ‘classicale en synodale boeken’ om een ‘Geschiedenis van Overyssel’ te kunnen schrijven. Dat is helaas niet meer gelukt. 30-06-2009 Erica Renckens

Dit artikel is een publicatie van Genootschap Onze Taal.
© Genootschap Onze Taal, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 15 juli 2007

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.