Je leest:

Twisten over smaak

Twisten over smaak

Auteur: | 14 september 2006

Wat doet u in uw vrije tijd? Waar u zin in hebt, toch? Want dat is hét moment om u volledig over te geven aan uw eigen voorkeuren. De een gaat naar de film, de ander naar theater – leve de vrije keuze. Hoewel… Zo vogelvrij is die keuze niet.

Om met een probleem te beginnen: J.K. Rowling. Deze schrijfster schreef een manuscript over een knaapje dat naar een toverschool ging om tovenaar te worden. Saai, vonden uitgevers. “Sprookjes en toveren, daar zitten kinderen tegenwoordig toch niet meer op te wachten, mevrouw Rowling!” Een klein uitgeverijtje waagde zich er toch aan. Inmiddels is deel zes van Harry Potter uit.

Smaak goed inschatten, daar is cultuuraanbieders veel aan gelegen. Geen uitgeverij blijft graag met voorraad zitten, een toneelstuk voor een lege zaal vernietigt carrières. Cultuur verschilt niet veel van andere vrijetijdsbesteding. Maar als het gaat om zoiets als sport, dan kijkt niemand op van de bewering dat voetbal in andere wijken en gemeenten populairder is dan tennis. Bij culturele voorkeuren blijft het bij: ‘Over smaak valt niet te twisten.’ Geen onderwerp van wetenschap, dus?

Het Nationaal Ballet

Econoom Jaap Boter vindt van wel. Hij bestudeert de consumptie van plezierproducten. Zo analyseert hij theaterbezoek en het leesgedrag van bibliotheekbezoekers. Hij doet dat in opdracht van de aanbieders van die producten. Zij willen graag weten hoe ze hun klanten zo tevreden mogelijk kunnen houden. Boter analyseerde de kaartverkoop van theaters en concertzalen en uit die analyse blijkt dat de zalen niet willekeurig vol zitten. Er zijn duidelijke clusters van interesses, die kunnen worden herleid op mate van complexiteit en de manier waarop voorstellingen onze zintuigen aanspreken. Dat levert voor een cultuuraanbieder bruikbare informatie op.

Doelgericht kiezen

Net als veel ander onderzoek toont de analyse van tickets van Jaap Boter aan dat er zoiets bestaat als hoge cultuur en lage cultuur. “Cultuur valt in de smaak als het aansluit bij de mate van complexiteit die iemand kan begrijpen. Moderne dans is ingewikkelder dan show; wie het een waardeert, zal het andere onbegrijpelijk of juist veel te plat vinden”, stelt Boter. “Bovendien is er een duidelijk onderscheid tussen voorstellingen die vooral het gehoor aanspreken, zoals kamermuziek, en voorstellingen die vooral een lust voor het oog zijn, zoals ballet.” Neuropsychologisch onderzoek verklaart dat: gehoor en zicht blijken niet bij iedereen op dezelfde manier geprikkeld te worden. De een vindt luisteren daarom leuker, de ander houdt meer van kijken. Het verrassende van Boters onderzoek is dat mensen op die twee variabelen zo doelgericht keuzes maken, dat dit aan de kaartverkoop valt af te lezen.

Illustratie: Ademir Arapovic / AVC VU

Een organisator van voorstellingen kan die kennis goed gebruiken in de marketing. Loopt een cabaretvoorstelling niet goed, dan kan hij uit het adressenbestand dus wel de cliëntèle aanschrijven die al eerder cabaret bezocht, en misschien ook nog de show- en toneelliefhebbers. Maar de adepten van kamermuziek en concerten kan hij beter overslaan: die zijn hoogstwaarschijnlijk toch niet geïnteresseerd.

Bouquetreeks

In de bibliotheek is onze voorkeur evenmin persoonlijk: we lezen vaak veel van hetzelfde. Er zijn clusters van literatuur, spanning (thrillers, detectives), en het romantische genre. Boter: “Het aardige is dat die laatste categorie twee duidelijk te onderscheiden stromingen heeft, met elk een eigen publiek. Je hebt het type streekroman, boeken met een dromerige vrouw in een landelijke omgeving op het omslag, vaak in aquarel, en het type Bouquetreeks, met op het omslag een gelukkig kijkende vrouw in de armen van een knappe vent. De eerste categorie is erg netjes. Het soort problemen dat aan bod komt is ook anders: familiekwesties, terwijl in de tweede categorie ook heel wereldse zaken een rol spelen.”

De resultaten van onderzoek naar smaakclusters kunnen bibliotheken gebruiken om hun schappen klantvriendelijker in te delen. Romantische lectuur wordt vaak onterecht op één noemer geschoven, terwijl er twee lezersgroepen zijn: de streekromans zijn vooral populair bij oudere dames, de Bouquet bij jongere vrouwen. Smaak is ook hier niet willekeurig. Literatuur vindt aftrek bij schooljeugd en een heel kleine groep volwassenen. Thrillers worden weer door mannen én vrouwen gelezen, maar ze lezen wel andere soorten thrillers. Traditioneel staan in de bibliotheek boeken echter gerangschikt op alfabet. “Dat is raar”, vindt Boter. “In een museum hangt Monet ook niet naast Mondriaan, omdat ze allebei met een m beginnen.”

Het gedrukte boek, met al haar genres, vindt als vrijetijdsbesteding steeds minder aftrek: spannende verhalen op papier lezen is niet meer onze smaak. Het Sociaal Cultureel Planbureau becijferde dat sinds 1975 de leestijd met eenderde is geslonken. “Lezen is niet cool”, oppert Dick Schram, bijzonder hoogleraar Leesbevordering. “Vraag aan jongeren waarom ze niet lezen, en dan hoor je: lezen doet afbreuk aan je imago.” Oorzaak volgens Schram: de verplichte literatuur op school.

Verplichte kost is fout

Bijzonder hoogleraar Leesbevordering Dick Schram bestudeert de vraag waaróm mensen niet lezen en ziet de verplichte literatuur als grote boosdoener. “Kijk, lezen is belangrijk. Je ontwikkelt er inlevingsvermogen mee, je krijgt een visie op ingewikkelde materie op het gebied van moraal. Het is ook nog ontspannend. Maar door lezen verplicht te stellen op school, krijgt het een negatieve bijsmaak.” Kinderen tussen tien en veertien jaar oud lezen wél. Harry Potter, Carry Slee… tieners gaan op in de fantasiewereld van het boek. Daarna is de belangstelling minder. Er is dan meer dan boeken alleen: vriendjes, vriendinnetjes, jezelf ontdekken.

Het liefst ziet Schram iedereen aan de literatuur, maar lezen op zich is voor hem al een groot goed. “Je bent al snel een moraalridder. Wie ben ik nu om te vinden dat iedereen Slauerhoff moet lezen? Als je mensen aan het lezen wilt houden, kun je kinderen er beter goede herinneringen aan laten bewaren, dan dat je ze wilt laten lezen op een leeftijd dat de interesse er niet is. Zo is de kans veel groter dat ze als volwassene nog eens teruggrijpen naar een boek. Nu raken veel mensen na de verplichte kost op school nooit meer literatuur aan.”

Illustratie: Ademir Arapovic / AVC VU

Zesduizend moorden

Wel cool zijn televisie en Internet. Het deel van onze vrije tijd dat we daaraan besteden, is voortdurend gegroeid: inmiddels tot veertig procent. Voor communicatiewetenschapper Elly Konijn zijn televisie en videogames interessant. Haar onderzoek spitst zich toe op een specifiek element in deze media: geweld. Afgemeten aan het aanbod vinden we het erg leuk om naar geweld te kijken. Waarom eigenlijk?

Het antwoord op die vraag ligt verscholen in de relatie die we hebben met mensen die we via het beeldscherm ontmoeten. Kijk naar een film die u aanspreekt, en u gaat zich verbonden voelen met de hoofdpersoon. U kunt zich verplaatsen in wat die persoon meemaakt, u gaat op in het verdriet of de vreugde die die persoon heeft en ja, u zou in zijn plaats toch precies hetzelfde gedaan hebben? Dat is een beetje gek, als u zich bedenkt dat emoties in de film gespeelde emoties zijn. “We zijn helemaal niet uitgerust met een zintuig dat gespeelde emotie van echte emotie kan onderscheiden. Bij films laten we ons heel erg bedonderen. Je ogen bedriegen je immers niet.”

Konijn onderzoekt hoe de schijn van waarachtigheid een rol speelt bij geweld in films. Naar schatting krijgen kinderen in de eerste twaalf jaar van hun leven minstens negentigduizend geweldsacties en zesduizend moorden op televisie te zien. Volwassenen zien nog veel meer geweld op televisie. Wetenschappelijke studies hebben aangetoond dat geweld in media niet de catharsis-uitlaatklep vormt, die Aristoteles al had bedacht. Volgens Aristoteles zou kijken naar geweld zuiverend werken. Niet dus. U wordt er juist gewelddadiger van.

Dat is niet zo gek, omdat u meeleeft met wat er in een film gebeurt en in een videogame bént u zelfs degene die het geweld uitoefent, dus u identificeert zich altijd met de dader. “De films waarin geweld wordt gecombineerd met humor zijn het meest schadelijk. Daders worden niet gestraft, slachtoffers doen er niet toe. Er is ook altijd een rechtvaardiging van geweld. Op die manier legitimeer je geweld.” Dat geweld in films en games zo schadelijk is, komt omdat de herinnering aan een film of een game in ons hoofd op termijn minder gaat verschillen van een herinnering aan wat we echt beleefd hebben. De geweldsnorm in een film wordt daardoor onze eigen geweldsnorm.

Waarom vinden we iets dat slecht is toch leuk? We blijven immers wél kijken, zo becijfert het SCP. Konijn: “Het appelleert aan gevoelens die vooral mannelijke adolescenten hebben. In die leeftijd hebben jongens uit onzekerheid een grote behoefte aan controle over hun omgeving. Als je je identificeert met daders, krijg je een afgeleid gevoel van controle. Dat voelt goed.”

Beeld uit de videogame The Matrix

“Ach, ik ken hem toch niet”

Uit recent onderzoek van communicatiewetenschapper Elly Konijn en haar collega’s blijkt dat de scheidslijn tussen fictief geweld en écht geweld kan vervagen. Ze verzonnen een experiment waarbij ze vmbo-leerlingen vertelden dat ze via Internet een spel moesten spelen tegen een leerling op een andere school. De winnaar mocht daarna de verliezer straffen, door een irritant geluid in diens koptelefoon af te draaien. Volume en tijdsduur kon de winnaar zelf bepalen.

“We hadden vooraf gezegd dat het hoogste niveau gehoorbeschadigingen kon veroorzaken. Dat was niet zo, en er zat ook niemand aan de andere kant van de lijn. Het ging ons erom te kijken met wat voor straf de winnaar zou komen.” Het resultaat was in lijn met verwachtingen: zo hard en zo lang mogelijk. “Achteraf vroegen we dan waarom ze iemand anders bewust schade toebrengen. ‘Ach, ik ken hem toch niet’, of ‘Ik moet toch winnen?’ waren de reacties. Die jongens zitten uit verveling de hele dag achter computergames. Ze zijn niet anders gewend.”

Kunst of de kunstenaar?

Bij de beeldende kunst zijn de redenen waarom het in de smaak valt complex. Vinden we een schilderij bijzonder omdat het ons emotioneel raakt, omdat we de kleuren fraai vinden of omdat we weten dat Claude Monet het heeft geschilderd? Veel kunst ontleent haar waarde vooral aan de handtekening die in de hoek van het doek gekrabbeld staat.

Kunsthistorica Sandra Kisters doet promotieonderzoek naar een thema dat daarmee samenhangt: de grote behoefte aan kennis over het leven van de kunstenaar. “Bij de interpretatie van een werk zoek je vaak naar verklaringen in het leven van een kunstenaar. Mondriaans stijl bijvoorbeeld veranderde nadat hij naar New York was verhuisd”, meent Kisters, “maar verbanden die er tussen leven en werk worden gelegd, gaan soms veel verder. Van Goghs expressieve schilderstijl werd door sommigen bijvoorbeeld direct aan zijn vermeende waanzin gekoppeld.” Wat Kisters wil weten, is of het alleen het publiek, kunstcritici en kunsthistorici zijn die dit soort verbanden leggen, of dat kunstenaars er zelf ook invloed op hebben. Brengen kunstenaars bewust dingen over hun leven naar buiten ten behoeve van hun imago?

Kisters bestudeert enkele gerenommeerde kunstenaars zoals Auguste Rodin, Georgia O’Keeffe en Francis Bacon. Haar bevindingen zijn tot nu toe dat kunstenaars wel degelijk de beeldvorming proberen te beïnvloeden. “Bacon had een atelier dat zich het best laat omschrijven als een puinhoop. De rest van zijn appartement was keurig netjes. Toch liet hij zich vaak in zijn atelier fotograferen of interviewen en onderstreepte zo het imago van bohémien kunstenaar.”

O’Keeffe’s schilderijen van bloemen werden tot haar grote frustratie vanuit de vrouwelijke seksualiteit uitgelegd, terwijl zij net als de mannen wilde worden gezien.

Volgens Kisters vinden we het interessant als een kunstenaar een tragisch leven heeft geleid, of een vroege dood is gestorven. De vrijheid van de kunstenaar, de stereotype van de bohémien, wordt eigenlijk door ons benijd. De kunstenaar is echter niet altijd gelukkig met de verbanden die er tussen leven en werk worden gelegd. O’Keeffe’s schilderijen van bloemen werden tot haar grote frustratie vanuit de vrouwelijke seksualiteit uitgelegd, terwijl zij net als de mannen wilde worden gezien. “O’Keeffe vertelde dan ook graag dat haar eerste herinnering was dat ze, acht maanden oud, werd getroffen door het mooie licht en de felle kleuren op een quilt waarop ze in de tuin lag. Ik vraag me af of je je van die leeftijd iets kunt herinneren, maar elke biograaf neemt dat verhaal klakkeloos over, want het past goed bij het mystieke waarmee we een kunstenaar graag omringen, in dit geval het idee van het aangeboren talent.”

Heeft kennis van het leven van de kunstenaar invloed op onze waardering van zijn werk? Om kunst te waarderen hoeven we niet per se te weten wie de maker is, maar roem of een aangrijpend verhaal maakt het voor ons wel interessanter.

Onze culturele vrijetijdsbesteding. Het lijkt ons eigen ding, variërend van concertzaal of romantische lectuur tot zombies schieten. Maar wat wetenschappelijk onderzoek aantoont, is dat uw smaak sterk samenhangt met welke opleiding u hebt genoten, hoe oud u bent en of u bent ingesteld op luisteren of op kijken. Dat maakt die smaak voorspelbaar en uw vrijetijdsbesteding dus ook. Wilt u er écht uw eigen ding van maken? Lees dan voor het eerst in uw leven Dostojewski of Bordewijk, of probeer als nieuwbakken gamer Quake 3 uit te spelen. Of u het waardeert, valt te bezien.

Dit artikel is een publicatie van Gewoon Bijzonder.
© Gewoon Bijzonder, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 14 september 2006

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.