Je leest:

Tweetalig en taalgestoord: dubbel probleem?

Tweetalig en taalgestoord: dubbel probleem?

Auteurs: en | 30 oktober 2008

Een tweede taal leren is geen makkelijke opgave. Laat staan als je een taalstoornis hebt. Antje Orgassa laat in haar onderzoek echter zien dat deze combinatie geen onoverkomelijk probleem hoeft te vormen. Het duurt misschien wat langer, maar dan leert een taalgestoord kind zijn tweede taal beter dan een volwassene het zou leren.

Taalontwikkeling – een makkie bij kinderen

Iedereen die dit artikel leest heeft een moedertaal geleerd: de eerste taal waarmee je in aanraking komt vanaf je geboorte. Moedertaalverwerving verloopt normaalgesproken overal ter wereld moeiteloos, spelenderwijs en bij iedereen hetzelfde. De Amerikaanse taalkundige Noam Chomsky en zijn aanhangers geloven dat dit komt door een aangeboren taalverwervingsvermogen in ieder kind. Ze gaan ervan uit dat ieder kind al vanaf de geboorte een universele grammatica kent, een soort van basis taalkennis. Deze universele grammatica wordt vervolgens, dankzij de moedertaal die het kind uit zijn omgeving hoort, ‘bijgeschaafd’ tot de taalspecifieke eigenschappen van die moedertaal. Zo leert een Nederlands kind vanzelf Nederlands en geen Chinees.

Het is zelfs zo dat kinderen tamelijk moeiteloos twee of meerdere talen kunnen oppikken als ze maar vroeg genoeg en systematisch aan die talen worden blootgesteld. Denk bijvoorbeeld aan Turkse en Marokkaanse kinderen in Nederland die pas als peuter beginnen met het leren van het Nederlands. Onderzoek heeft laten zien dat deze tweetalige kinderen dezelfde fouten maken in de ontwikkeling van de Nederlandse grammatica als jongere Nederlandse kinderen. Ze maken bijvoorbeeld fouten in het vervoegen van werkwoorden ( Ik leest een boek of Papa lees boek), in het vervoegen van bijvoeglijk naamwoorden ( Wat een grote cadeautje, zeg!) en het toekennen van lidwoorden ( De cadeautje!). Tweetalige kinderen zijn wel wat langzamer dan hun eentalige leeftijdsgenootjes, maar dat is ook logisch als je bedenkt dat het taalaanbod is verdeeld tussen twee talen én dat ze wat later zijn begonnen met het Nederlands.

Als je jong bent gaat het leren van een taal moeiteloos. Je maakt wel fouten, maar verbetert deze vanzelf, zodat je binnen een paar jaar de taal zo goed als foutloos spreekt. Als je ouder wordt, wordt dit steeds moeilijker en is het bijna onmogelijk om een nieuwe taal tot in perfectie leren.

Taal leren wordt echter moeilijker naarmate je ouder wordt: denk maar eens aan je eigen lessen Engels, Duits of Frans op de middelbare school. Onderzoekers denken dat dit komt doordat er een specifieke leeftijdsgebonden periode voor natuurlijke taalverwerving bestaat. Lenneberg zei bijvoorbeeld in 1967 dat het behalen van volledige taalvaardigheid na de zogenaamde kritische periode niet meer mogelijk is. Hoewel er veel discussie is over de duur van deze kritische periode (ergens tussen de 1 en 16 jaar), zijn wetenschappers het er intussen wel over eens dat de eerste 3 à 4 levensjaren van een kind cruciaal zijn voor een geslaagde taalverwerving. Dus kinderen die vroeg genoeg blootgesteld worden aan meerdere talen bevinden zich nog steeds in de kritische periode voor taalverwerving en hebben alle kansen om het Nederlands volledig te verwerven, mits ze goed en vooral voldoende Nederlands taalaanbod krijgen.

Taalontwikkeling bij volwassenen – geen makkie meer

Mensen die pas als volwassene (na de puberteit) een taal leren, hebben hier duidelijk problemen mee. Ze zijn de kritische periode al voorbij en zijn daarom niet in staat om het grammaticale systeem van het Nederlands op te bouwen zoals kinderen dat doen. Met andere woorden, ze hebben geen toegang meer tot de universele grammatica. Het gevolg is dat deze volwassenen over het algemeen niet in staat zijn om dezelfde taalvaardigheid te behalen als Nederlandse moedertaalsprekers en kinderen die het Nederlands als tweede taal hebben geleerd toen ze jong waren. De volwassen tweede taalleerders maken hele andere grammaticale fouten dan jonge kinderen maken als ze een taal leren. In plaats van Ik denk dat ik naar de bioscoop ga zeggen ze bijvoorbeeld Ik denk dat ik ga naar de bioscoop. Ze vervoegen net als jonge kinderen het werkwoord en het bijvoeglijk naamwoord verkeerd, maar ook op een manier die je niet bij kinderen ziet, zoals Ik lezen de krant i.p.v. Ik lees de krant en Wat een groen appel in plaats van Wat een groene appel. Er zijn dus duidelijke verschillen tussen taalontwikkeling op jonge leeftijd en op oudere leeftijd.

Als volwassene is het zo goed als onmogelijk om een tweede taal helemaal vloeiend te leren spreken. Alleen mensen met een echte talenknobbel slagen er soms in de grammatica perfect te beheersen en zelfs accentloos de nieuwe taal te spreken.

Taalgestoord – wat nu?

Er zijn helaas ook kinderen bij wie de taalontwikkeling niet zo soepel verloopt. Dat is bijvoorbeeld het geval als een kind een primaire taalontwikkelingsstoornis heeft. Een primaire taalontwikkelingsstoornis ( specific language impairment (SLI)) is een taalstoornis die niet het gevolg is van een andere stoornis, zoals bijvoorbeeld in de intelligentie, in het gehoor. Ook een taalstoornis als gevolg van sociaal-emotionele of gedragsproblemen of van ernstige verwaarlozing wordt per definitie niet als SLI beschouwd.

Uit onderzoek is gebleken dat kinderen met SLI veel problemen hebben om de grammaticale regels van een taal te leren. Nederlandse kinderen met SLI van zes tot negen jaar oud maken bijvoorbeeld fouten als Jongen en hondje ook naar bos lopen, Pingu alle kleren uit de kast halen of Wat een grote cadeautje!. Dat zijn fouten die normaalgesproken alleen veel jongere kinderen zonder taalstoornis maken. Kinderen met SLI lijken dus een flinke vertraging in hun taalontwikkeling op te lopen. Heel soms komt het echter ook voor dat kinderen met SLI fouten maken die jonge kinderen nooit maken, maar volwassen taalleerders wel, zoals Ik lezen de krant. Er is nog niet voldoende onderzoek naar SLI gedaan om te weten of kinderen met SLI op latere leeftijd (na 10 jaar) alsnog de grammatica van hun moedertaal perfect kunnen leren.

Tweetalig èn taalgestoord – o jee…

SLI komt niet alleen bij Nederlandse kinderen voor, maar ook bij Turkse en Marokkaanse kinderen die het Nederlands als tweede taal leren. Kan zo’n kind de tweede taal eigenlijk wel aan? Met andere woorden, welke invloed hebben de taalstoornis en het leren van een tweede taal op zijn taalontwikkeling en hoe zwaar tellen die effecten eigenlijk bij elkaar op?

Recent onderzoek heeft aangetoond dat tweetalig-taalgestoorde kinderen over het algemeen dezelfde fouten maken als eentalige en tweetalige niet-taalgestoorde kinderen en eentalige kinderen met een taalstoornis. Hun fouten wijken allemaal af van die van volwassenen die pas laat in contact komen met het Nederlands. Wat echter opvalt is dat de tweetalig-taalgestoorde kinderen veel méér fouten maken dan hun tweetalige niet-taalgestoorde en eentalige taalgestoorde leeftijdsgenootjes. Het is dus mogelijk voor deze kinderen om een tweede taal te leren, het duurt alleen veel langer. Hoe valt deze vertraging te verklaren?

Een kind met SLI kan prima een tweede taal leren, het zal alleen veel langer duren. Bron: www.kindentaal.nl

Schroefje los?

Er bestaan diverse theorieën over de oorzaak van een taalstoornis, waarvan er twee in deze context een rol spelen: de taalstoornis is het resultaat van een gebrek in de toegang tot het systeem van grammaticale regels (de universele grammatica) of een beperking in de capaciteit om taalaanbod zodanig te verwerken dat je er grammaticale regels van kunt afleiden. Ik zal twee metaforen gebruiken ter verduidelijking.

De eerste theorie is een puur taalkundige theorie. Stel je voor dat het menselijke brein een kleine machine is. Een deel van deze machine is er verantwoordelijk voor om gedurende taalverwerving de Nederlandse grammatica op te bouwen. Bij de meeste kinderen loopt deze machine op rolletjes. Dit is volgens de theorie echter niet het geval bij taalgestoorde kinderen. Bij deze kinderen zit er een schroefje los in de machine, of ontbreekt er zelfs één. Dat zou verklaren dat de grammatica niet op dezelfde manier kan worden opgebouwd als bij niet-taalgestoorde kinderen.

Als deze theorie klopt zou je verwachten dat het taalgedrag van taalgestoorde kinderen afwijkt van dat van niet-taalgestoorde kinderen: namelijk een verschil in het type fouten dat taalgestoorde kinderen maken, als je die vergelijkt met het type fouten dat niet-taalgestoorde kinderen maken.

Of een verstopt filter?

In de tweede theorie hebben waarneming en verwerking van taal een zeer grote invloed op de taalontwikkeling. Stel je eens voor dat een deel van het menselijke brein een filter is dat het taallerende kind in staat stelt om die informatie uit het taalaanbod te filteren die nodig is voor het afleiden van grammaticale regels. Kinderen met SLI hebben nu juist geen optimaal filter. Hoewel deze kinderen waarschijnlijk veel goed taalaanbod uit de omgeving krijgen, slagen ze er niet in om de benodigde informatie daar uit te filteren, om grammaticale regels in hetzelfde tempo af te kunnen leiden als niet-taalgestoorde kinderen. Een flinke vertraging in de taalontwikkeling is dus het gevolg.

Door het type fouten van tweetalige kinderen met SLI te analyseren, kunnen onderzoekers een theorie bedenken die verklaart wat er precies mis gaat in de hersenen.

Zelfde fouten

Beide theorieën voorspellen dus in eerste instantie een vertraging. Volgens de eerste theorie vinden we andere fouten bij taalgestoorde dan bij niet-taalgestoorde kinderen op basis van een kapotte machine. Volgens de tweede theorie hebben alle kinderen toegang tot hetzelfde systeem om de grammatica op te bouwen, dus taalgestoorde en niet-taalgestoorde kinderen maken dezelfde fouten. In deze theorie verschilt slechts het aantal fouten tussen de groepen ten gevolge van een beperkte filtercapaciteit.

De resultaten van het onderzoek bevestigen de tweede theorie: de typen fouten van eentalig- en tweetalig-taalgestoorde kinderen komen overeen met die van niet-taalgestoorde eentalige en tweetalige kinderen. Het lijkt er dus op dat de ontwikkelingsprocessen van Nederlandse taalverwerving bij alle groepen kinderen vergelijkbaar zijn en anders zijn dan die van volwassenen. Het is juist het aantal fouten dat verschilt en helpt bij het identificeren van tweetalige taalgestoorde kinderen, omdat deze veel meer fouten maken dan elke andere groep kinderen.

Zie ook:

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 30 oktober 2008

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.