Je leest:

Tweestrijd in de wiskunde

Tweestrijd in de wiskunde

Wie zijn er beter in wiskunde, jongens of meisjes?

Auteur:

In 1990 bleek dat jongens beduidend beter in wiskunde zijn dan meisjes vanaf hun twaalfde levensjaar. Begin dit jaar presenteert een Amerikaans onderzoek aanzienlijk andere conclusies. Zijn meisjes opeens beter in wiskunde dan jongens? En wat zou dan de oorzaak van die verandering zijn?

Waarom zou een man gaan dineren in een restaurant? Ze gaan met een collega eten om een project te bespreken, of voor een zakelijke transactie. Bovendien hoeft hij dan geen boodschappen te doen, geen eten klaar te maken en geen vuile borden en bestek af te wassen. Vrouwen daarentegen gaan met een vriendin eten om een relatie te onderhouden, om elkaar steun te geven en om met elkaar te praten. Ze praten net zo open met elkaar als een therapeut met zijn patiënt. Zo beschrijft John Gray een verschil tussen de seksen in zijn boek Mannen zijn van Mars, vrouwen van Venus.

Ook buiten het restaurant verschillen mannen op tal van manieren van vrouwen. Stereotypes zijn dan al snel verzonnen.

Honderd jaar geleden onderbouwden wetenschappers nog zo’n stereotypering. Mannen waren toen slimmer dan vrouwen. Jongens zouden ook beter in wiskunde zijn dan meisjes. En inderdaad is in een wetenschappelijk onderzoek uit 1990 een significant verschil tussen de wiskundige vaardigheden van mannen en vrouwen gebleken. Hun conclusie: vanaf het begin van hun puberteit zijn jongens beter in wiskunde dan meisjes.

Menig bioloog ondersteunt tegenwoordig dit onderscheid. De linkerhersenhelft zou meer geschikt zijn voor het verwerken van taal, zoals je tijdens een alledaags gesprek doet. De rechterhersenhelft zou daarentegen beter zijn met wiskunde. Omdat bij mannen de rechterhersenhelft beter is ontwikkeld dan de linker, zijn zij beter in wiskunde dan taal. Bij vrouwen zou de rechterhersenhelft juist onderontwikkeld zijn: zij zijn dus minder goed in wiskunde.

Medium
Twintig jaar geleden presteerden meisjes over de hele wereld nog slechter in wiskunde dan jongens. Nu is dat anders.

Toch lijkt niet iedereen overtuigd van dit onderscheid. In het toonaangevende blad Psychology Bulletin verscheen deze maand een artikel over nieuw onderzoek naar verschillen tussen mannen en vrouwen in de wiskunde. Hoofdauteur en psycholoog Nicole Else-Quest: “Het stereotype van de vrouw die slecht in wiskunde is, is in tegenspraak met de huidige wetenschappelijke feiten.” Maar betekent dit dat de biologische zekerheden over de verschillende hersenhelften niet kloppen? Keert het tij en halen de meisjes de jongens op wiskundig gebied in?

Large
‘Hij jaagde, zij verzamelde’ Verschillen tussen de seksen in de oertijd lijken wiskundige verschillen tussen jongens en meisjes al te verklaren. Terwijl de oervrouwen hun kinderen grootbrachten en in de struiken naar voedsel speurden, joegen mannen in de prehistorie op wilde rendieren. Door telkens in te schatten hoe ver ze hun speren moesten gooien, zouden mannen hun ruimtelijk inzicht hebben verbeterd en dat zou hun wiskundige kennis ten goede zijn gekomen. Er is echter geen wetenschappelijk bewijs dat een beter ruimtelijk inzicht ook zorgt voor hogere scores op wiskundetoetsen. Bovendien bewezen Amerikaanse onderzoekers dat de huidige tests voor ruimtelijk inzicht geen goed onderscheid geven tussen mannen en vrouwen. Bij dergelijke tests moet je vaak een stapel blokjes roteren, waar mannen beter in zijn. Maar als je die blokjes vervangt door mensjes, dan verbeteren de scores van de vrouwen.

Vrouwen met status zijn beter in wiskunde

Else-Quest en twee collega-psychologen voegden twee onderzoeken uit 2003 bij elkaar om vervolgens dit artikel te schrijven; een zogenaamde meta-analyse. Hun conclusie: meisjes zijn wereldwijd ongeveer net zo goed in wiskunde als jongens.

De wetenschappers hebben allereerst data bestudeerd van Trends in International Mathematics and Science Study (TIMSS). Dit onderzoek richt zich op wiskundige basiskennis, zoals het berekenen van hoeken in een zeshoek of het herschrijven van een breuk in een percentage. Ten tweede hebben de psychologen het Programme for International Student Assessment (PISA) herzien. Hierbij worden de vermogens om wiskunde in het dagelijks leven toe te passen getest. Zo stonden er in dit onderzoek uit 2003 vragen over dobbelstenen, over gemiddelde lengtes van jongens en over Zuid-Afrikaanse wisselkoersen. Aan deze onderzoeken hebben in totaal 493.495 leerlingen tussen de 14 en 16 jaar uit maar liefst 69 verschillende landen meegedaan.

Nederlandse leerlingen uit groep 6 van de basisschool hebben ook deelgenomen aan deze twee onderzoeken. Uit beide onderzoeken blijkt dat het verschil in wiskundige vaardigheden tussen jongens en meisjes kleiner is geworden ten opzichte van 1990. Toch hebben meisjes nog minder goed gepresteerd dan jongens.

Medium
Een opgave uit het wereldwijde onderzoek Trends in International Mathematics and Science Study uit 2003

Maar niet in alle landen is deze verhouding tussen jongens en meisjes hetzelfde als in Nederland. In IJsland zijn meisjes bijvoorbeeld wél beter in wiskunde dan jongens, terwijl in Brazilië en Turkije de jongens weer beter scoren. Hoe kan het dat de wiskundige verhouding tussen de geslachten per land zo verschilt?

“De status en het welzijn van vrouwen, die in elk land anders zijn,” aldus Else-Quest, “zijn de belangrijkste oorzaken van de verschillen tussen jongens en meisjes.” Het hangt er dus vanaf in hoeverre vrouwen zijn geëmancipeerd in de samenleving van een land. Met name economische, onderwijskundige en politieke welvaart zijn belangrijke factoren.

In IJsland, waar meisjes beter in wiskunde zijn dan jongens, is emancipatie al vergevorderd. Op 1 februari 2009 werd IJsland het eerste land ter wereld met een lesbische premier. Daarnaast staat IJsland eerste op de internationale emancipatieranglijst van landen; er is geen ander land waar vrouwen zo veel macht hebben als in IJsland.

In Turkije zijn ze echter nog lang niet zo ver. De realiteit leert ons dat vrouwen niet de rechten hebben die hen in de Koran toegekend worden (Bogaert, 2004). In 2003 vroeg de imam uit Kotanduzu (Oost-Turkije) aan de mannelijke dorpsbewoners om te helpen het water van de bron naar huis te dragen. Sindsdien weigeren de mannen om nog gebruik te maken van de diensten van de geestelijke. Ze waren van mening dat dit een taak van de vrouwen is.

Maar emancipatie is niet de enige reden voor wiskundige verschillen tussen jongens en meisjes. Leerlingen zijn ook gevoelig voor factoren zoals onderwijssystemen, scholen en klaslokalen. Het verschil is bijvoorbeeld groter als jongens en meisjes gescheiden les krijgen, dan wanneer ze gezamenlijk in de klas zitten. Ongelijkheden tussen landen kunnen ook veroorzaakt worden doordat leerlingen de stof, die in TIMSS en PISA wordt behandeld, nooit op school hebben gehad.

De Amerikaanse psychologen vertellen ook op welke manier meisjes dan wél net zo goed als jongens kunnen scoren. “Meisjes presteren op hetzelfde niveau als hun mannelijke klasgenoten als ze gemotiveerd worden om hun best te doen, als ze de nodige educatieve mogelijkheden krijgen en als er sprekende rolmodellen in hun land zijn.” Deze factoren zijn gevolgen van de emancipatie van vrouwen.

Medium
Nicole Else-Quest

Zelfvertrouwen

TIMSS en PISA hebben naast wiskundige competenties ook onderzocht wie er zekerder van hun wiskundige zaak zijn, de jongens of de meisjes. Ondanks dat meisjes, wat wiskundevaardigheden betreft, naar jongens toe kruipen, zijn jongens aanzienlijk zelfverzekerder over hun kunnen. Meisjes vrezen dat ze later problemen krijgen met de combinatie van een baan en zorg.

Misschien komt het wel door deze onzekerheid dat het aantal Nederlandse vrouwen, die banen als ingenieur, wiskundige of onderzoeker aan een universiteit kiezen, nauwelijks toeneemt. In tegenstelling tot meisjes in bètastudies overigens. Uit recente cijfers van Platform Bèta Techniek blijkt dat de instroom van meisjes in dergelijke opleidingen tussen 2000 en 2008 is gegroeid met 62%.

Kritische blik

Else-Quest en haar collega’s hebben voor hun meta-analyse dus gebruik gemaakt van onderzoeksresultaten van TIMSS en PISA uit 2003. Maar de meningen over deze onderzoeken lopen nogal uiteen. Naast twijfels of de onderzoeken wel representatief zijn, lijkt er in de conclusies ook gegeneraliseerd te worden.

Jan van de Craats is hoogleraar wiskunde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij wijst erop dat Nederland niet voldaan heeft aan de TIMSS-richtlijnen voor deelname via een aselecte steekproef. “De resultaten mogen niet als representatief beschouwd worden,” aldus Van de Craats.

Verder worden leerlingen tot hoogstens in de derde klas van de middelbare school getest. Dan zijn de kinderen ongeveer 15 jaar oud. En is dus niet terecht om op basis van dit onderzoek te spreken over “jongens die beter zijn dan meisjes” of andersom. De onderzoeken zeggen niets over klas 4 of hoger. Wetenschappers beweren dat dit juist de leeftijd is waarop jongens typisch beter worden dan meisjes.

In een andere studie uit 2009 heeft psychologe Janet Shibley Hyde de scores van de SAT-toets gebruikt. De scholieren die in deze toets worden onderzocht, zijn ongeveer achttien jaar. Nadeel is wel dat de SAT-toets alleen Amerikaanse leerlingen betreft. Hyde concludeert dat Amerikaanse jongens en meisjes in alle opleidingsniveaus even goed presteren op wiskundetoetsen.

Biologen zijn niet zeker van hun zaak

In IJsland zijn meisjes dus beter in wiskunde dan jongens. Maar volgens biologen is de linkerhersenhelft (geschikt voor taal) bij meisjes beter ontwikkeld dan de rechterhersenhelft (geschikt voor wiskunde). Bij jongens is dit andersom. Betekent dit dan de hersenen van IJslandse kinderen anders groeien dan die van Turkse kinderen?

Nee, aldus veel andere biologen. Je kunt niet spreken van dominantie van de linker- of rechterhersenhelft. Onze hersenhelften zijn geen gescheiden systemen. De hersenbalk tussen de twee hersenhelften is bij vrouwen wel groter, waardoor deze twee helften beter kunnen samenwerken. Maar mannen gebruiken de beide helften van hun hersenen meestal voor specifieke doelen, terwijl bij vrouwen de twee helften meestal samenwerken. De verklaring die de biologie biedt, is dus niet genoeg om de verschillen tussen jongens en meisjes uit te leggen.

Large
In sommige landen is er nog wel degelijk verschil tussen het wiskundeniveau van jongens en dat van meisjes. Dit is mede het gevolg van verschillen in status en welzijn van vrouwen in de diverse landen. Bron: Guiso et al. ‘Culture, Gender, and Math.’ Science 320, nummer 5880.

Gelijkspel

Mannen waren vroeger dus beter in wiskunde, en vrouwen lijken steeds dichterbij te komen. Dit hangt nauw samen met de emancipatie van de vrouw; hoe vrijer een vrouw is, des te beter is ze in wiskunde. Aangezien niet alle landen in dezelfde mate zijn geëmancipeerd, kunnen we de vraag “zijn jongens beter in wiskunde dan meisjes?” niet op zichzelf beantwoorden.

Wereldwijd krijgen vrouwen langzaam maar zeker steeds meer invloed. Het stereotype van het meisje dat niets van wiskunde begrijpt, lijkt hierdoor voorgoed te verdwijnen. Of zouden vrouwen in de toekomst zó machtig worden, dat de stereotypering zelfs zal omdraaien?

Zie ook:

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 11 maart 2010

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

LEES EN DRAAG BIJ AAN DE DISCUSSIE