Je leest:

Tweelingtalen of: waarom Duits studeren?

Tweelingtalen of: waarom Duits studeren?

Gastcolumn van taalwetenschapper Jenny Audring

Auteur: | 17 april 2012

Elke week verschijnt op Kennislink een gastcolumn. De columnist is steeds een andere onderzoeker, die vanuit zijn of haar vakgebied schrijft over de wetenschap achter een gebeurtenis in de maatschappij of uit ons dagelijks leven. Deze week: taalwetenschapper Jenny Audring over de overeenkomsten en de verschillen tussen het Duits en het Nederlands.

Kent u tweelingenonderzoek? Men neme een tweeling: liefst een ééneiige en liefst één die gescheiden is opgegroeid. 50 jaar later blijkt dat de keuze van beroep, leefstijl en partner sterk overeenkomt. Hoe ver reikt de invloed van onze genen? En wat, aan de andere kant, is het werk van omgeving, toeval of de vrije wil? Dit zijn vragen uit de psychologie.

Jenny Audring is docent bij de opleiding Duits van de Universiteit Leiden

Maar ook de taalwetenschap kent dit type onderzoek. Zo buigt een groep Leidse studenten Duits zich dit semester over de overeenkomsten en de verschillen tussen het Duits en het Nederlands. De twee talen gaan al zo’n 1500 jaar hun eigen weg, maar ze lijken op elkaar als zusjes, en ze zijn het ook. Van hun moeder, het Germaans, hebben zij onder meer de woordvolgorde geërfd. Neem het zinspaar Hij slaapt/Er schläft. Zet een woord ervoor en de twee woorden verwisselen van plaats: Misschien slaapt hij/Vielleicht schläft er. Het Engels daarentegen doet dit niet, terwijl ook deze taal lid is van de familie. He’s sleeping blijft he’s sleeping, met of zonder maybe ervoor. Hier heeft de taalontwikkeling een andere loop genomen.

Het Duits en het Nederlands delen nog meer gekkigheden. Zo zijn bijvoorbeeld de vormen van zijn uit drie werkwoorden samengesteld. Tegenwoordig kennen we die als bennen, zijn en wezen.

Tegenwoordige tijd enkelvoud Tegenwoordige tijd meervoud Verleden tijd enkelvoud Verleden tijd meervoud Deelwoord
ben/bin zijn/sind was/war waren/waren
bent/bist zijn/seid was/warst waren/wart geweest/gewesen
is/ist zijn/sind was/war waren/waren

Slechts de gebiedende wijs verschilt echt tussen de twee talen: wees! tegenover sei!

En daar houdt het niet mee op. Kijk eens naar het woordgeslacht. Woorden die mensen aanduiden zijn meestal niet onzijdig, maar mannelijk of vrouwelijk (het Duits kent ook nog mannelijke en vrouwelijke lidwoorden). De uitzonderingen? Enkele woorden zoals meisje, wijf en slachtoffer. In het Duits zijn het precies dezelfde: Mädchen, Weib en Opfer. Ook deze afwijkingen stammen uit het gezamenlijke verleden.

Waarin verschillen die twee talen dan? Bijvoorbeeld in het klanksysteem. Duitse woorden kunnen niet met st of sp beginnen, de taal maakt er sjt en sjp van. Aan de spelling is dit niet te zien, maar Staat en Spiel beginnen niet met een s-klank. Andersom vindt het Duits een woord met pf- prima. Zelfs pfl- is in orde, denk aan Pflanze, Pflug of pflegen. Het Nederlands zegt plant, ploeg en plegen: de f is weggevallen. Wél zijn beide talen eensgezind in hun acceptatie van ingewikkelde combinaties zoals -tst. Het woord kotst bestaat in beide talen. Elders in de wereld zijn zulke opeenhopingen van medeklinkers uit den boze.

Door het succes van zijn boeken staat Bastian Sick in Duitsland en andere Duitstalige gebieden inmiddels bekend als ‘de nationale leraar Duits’. Zijn boeken en columns worden ook in het Duitse onderwijs gebruikt. In de deelstaat Saarland is Der Dativ ist dem Genitiv sein Tod sinds 2005 opgenomen als verplichte literatuur voor het eindexamen Duits. (Bron: Wikipedia)

Verder blinken beide talen uit op verschillende gebieden. Het Nederlands is kampioen verkleinwoorden. Niet alleen mannetje of huisje zijn prima Nederlandse woorden – die kan het Duits ook maken: Männchen, Häuschen – maar ook onderonsje, tussendoortje en twaalfuurtje. Hier heeft het Duits niet van terug. Alleen werkwoorden vinden beide talen lastig te verkleinen. Koopje is één van de uitzonderingen, en toevallig heeft het Duits een vergelijkbare vorm: het woord Schnäppchen (van het werkwoord schnappen) betekent hetzelfde. Maar een blauwtje lopen, een groentje zijn of een zoetje in je koffie nemen, dat kan alleen in het Nederlands.

Omgekeerd is het Duits een kei in naamvallen. Hoewel ook hier de tand des tijds aan de vormen knaagt: een genitief (de naamval die bezit uitdrukt) kom je niet vaak meer tegen. Net als in het Nederlands vind je die vooral nog bij namen: Marks Haus, Elses Auto. Voor al het overige wordt von gebruikt: das Haus von meinem Vater in plaats van meines Vaters Haus. “Der Dativ ist dem Genitiv sein Tod” schrijft de bekende Duitse columnist Bastian Sick en laat meteen zien dat het Nederlands en het Duits nog een derde trucje achter de hand hebben: Jan zijn fiets, Jan sein Fahrrad. In het Duits mag dit officieel (nog) niet, maar mensen zeggen het toch, als er niemand kijkt. Of luistert.

Zo zie je dus: Duits en Nederlands zijn net tweelingen. Ze delen hun familieverleden, hun voorkeuren, hun karakteristieke trekken – maar hebben elk hun eigen grillige levensloop.

Op 19 april 2012 is het de Dag van de Duitse taal. Op scholen, bedrijven en culturele instellingen wordt aandacht besteed aan de Duitse taal. Ook op Kennislink Taal & Spraak staat deze week de Duitse taal centraal.

Andere gastcolumns op Kennislink Taal en Spraak:

Dit artikel is een publicatie van Kennislink (gastcolumnist).
© Kennislink (gastcolumnist), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 17 april 2012

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.