Je leest:

Tussen muis en mens

Tussen muis en mens

Auteur: | 27 mei 2009

Het genoom van ’s werelds meest gebruikte proefdier – de muis – is nu beter in kaart gebracht dan ooit. Een belangrijke vooruitgang: wetenschappers kunnen nu veel sneller vaststellen of een bepaalde ziekte überhaupt bij de muis onderzoekbaar is. Dat helpt medisch onderzoek enorm vooruit.

Nieuwe geneesmiddelen worden meestal niet meteen op mensen getest. Meestal mogen muizen het eerst proberen. Nu meer over hun genoom bekend is, valt beter in te schatten of bepaalde proeven wel nodig zijn.

De laatste keer dat een deel van het muizengenoom werd vrijgegeven, was in 2002. Dat was een hele gebeurtenis voor die tijd, want bijster veel DNA-codes waren toen niet bekend. Wetenschap én pers waren beide enorm enthousiast – voornamelijk omdat het muizengenoom nauwelijks van het mensengenoom zou verschillen. Mens en muis waren dus nagenoeg identiek. Dat maakte van de muis het onbetwiste proefkonijn voor medisch onderzoek.

Nu, zo’n zes-en-een-half jaar later, komt dezelfde groep onderzoekers met een flinke verbetering van hun eerste poging. En ze hebben wat minder positief nieuws: het genoom van de muis lijkt misschien veel op dat van de mens, maar blijkt meer te verschillen dan eerst werd gedacht. Veel genen die nu in het knaagdier zijn gevonden, komen namelijk niet eens voor bij de mens. Het hele verslag van de biologen staat in het online gratis tijdschrift PLos Biology.

Voor de liefhebbers: Het grijze gebied geeft aan hoeveel extra genen de muis heeft geëvolueerd ten opzichte van de mens. Omdat de muis meer nieuwe genen heeft geëvolueerd, lijkt de muis minder op de mens dan eerst werd gedacht. In het rood zijn genen voor reukzin aangegeven. Daar heeft de muis er veel van.
Deanna Church et al., PLoS Biology

Een meevaller is dat de biologen nu veel beter hebben vastgesteld welke muizengenen exact hetzelfde zijn in de mens, en welke niet. Dat betekent dat wetenschappers die een bepaalde ziekte in de muis willen testen, nu beter van tevoren weten of zo’n onderzoek überhaupt zinvol is. Als de muis bijvoorbeeld van nature een gen mist dat bij mensen juist veel te maken heeft met een bepaalde ziekte, dan zal een dierproef weinig nut hebben. Zou ook een beetje zonde zijn van al die muizen, die dan voor niets aan de grillen van onderzoek zijn overgeleverd.

Andersom gaat dat natuurlijk ook op. Een ziekte-gen bij mensen dat de muis met zekerheid ook draagt, is prima met muisproeven te onderzoeken. Een wetenschapper kan het knaagdier dan gebruiken om een nieuwe behandeling uit te proberen, of om gewoon meer over de ziekte te leren. De mens hoeft in zo’n geval geen proefkonijn te zijn. Daar gaat het uiteindelijk om: zoveel mogelijk mensen redden, zo min mogelijk proefdieren opofferen.

Zie ook

Meer biotechnologie op Ditisbiotechnologie.nl

Dit artikel is een publicatie van Ditisbiotechnologie.nl.
© Ditisbiotechnologie.nl, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 27 mei 2009

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.