Je leest:

Tussen eerbaar vermaak en bedenkelijke ontucht

Tussen eerbaar vermaak en bedenkelijke ontucht

Zingen over de liefde in de 17de eeuw

Auteur: | 7 september 2009

Hedendaagse discussies over wat aanstootgevend of pornografisch is, gaan vrijwel altijd over beelden. In de 17de eeuw werden vergelijkbare discussies gevoerd, maar dan over liedjes. In de Gouden Eeuw werd veel gezongen, vooral over liefde. Wat wel en niet door de beugel kon verschoof in de tijd. Was men begin 17de eeuw liberaal, aan het eind ervan groeide het verzet tegen ‘ontuchtige liedjes’ die de jeugd, ‘die meest tot geile en onbeschofte dartelheden genegen is’, bedierven.

Hij deed mijn hemd omhoog en zeide: ‘Lief gedoog dat uw schoonheid zich ten toon leit voor mijn oog.’

Ik was ermee tevreden, hij droeg mij op het bed en zag mijn naakte leden mooi, poezel, blank en net.

Hij voelde met zijn hand mijn lijf aan alle kant en hij maakte dat ik raakte in de brand.

Toen ging hij zoetjes boren, van onder in mijn buik, een ding gelijk een horen, de droelie [duivel], dat was puik.

Het ging ik weet niet hoe, ik werd dat spel niet moe. Op het leste kreeg ik het beste ook nog toe.

In een kleine verzameling Minne-zangen, overgeleverd in een boekje uit 1675, staat de ‘Vrijsterklacht’ hiernaast, met een niets verbloemende passage.

Kon dit zomaar worden uitgegeven in de 17de eeuw? En voor welk publiek waren zulke liedjes dan bestemd? Voor zover dichters of uitgevers van bundels met liedjes over de liefde op hun doelgroep ingaan, wijzen ze telkens op zich vermakende jongelui. Zo spreekt Bredero in het voorwoord van zijn Geestigh Liedt-Boecxken (1621) ‘lustige en vrolijkmoedige maagden en jongelingen’ toe, die bijeen zijn in ‘vrolijke maaltijden, gezelschappen, en bruiloftsfeesten’.

Het is evident dat de opvattingen over wat wel of niet acceptabel was, sterk verschild zullen hebben. In een zeemanskroeg gelden andere normen dan aan de Amsterdamse Herengracht. Het blijft echter intrigerend wat wel en niet mocht. Wanneer ging men te ver?

Eddy de Jongh heeft alweer ruim veertig jaar geleden in het voetspoor van Norbert Elias een beschouwing gewijd aan het begrip ‘schaamtegrens’. Hij constateert dat die grens in de late 17de eeuw, als het classicisme de overhand krijgt, al snel bereikt wordt, terwijl men eerder vrij ombekommerd met seksuele toespelingen omsprong. Het was bijvoorbeeld een algemeen gebruik dat een bruiloftslied afsloot met een oproep om te genieten van de komende huwelijksnacht. Maar ook toen zullen sommigen door de minste toespeling op de vleselijke liefde al gegeneerd of geschokt hebben gereageerd, terwijl anderen dit alleen maar amusant vonden.

Gerbrand Adriaensz. Bredero (1585-1618). Het onderschrift luidt “Gerbrand Adriaensz Brederode Amsteldammer is gheboren in ‘t jaer 1535, den 16.en Maert, ghestoruen den 23.en Aug.ti des Jaers 1618, op d’uer zyns gheboortes, tusschen 9. ende 10 ueren ’s voormiddaghs.”

Soms klinkt in de tekst van de liedjes zelf al iets door van een gevoeligheid voor al te openlijke seksuele zinspelingen. Een lied in Den koddigen opdisser, vol aerdige gesangen, kusjes, rondeeltjes uit 1672 laat horen hoe het zal toegaan in de huwelijksnacht. Een zanger zingt telkens twee regels hierover (tot vijftig keer toe), gevolgd door een collectief gezongen ‘Leen u oortje noch een woordje. Hou je kleur, ga niet deur’, ofwel: bloos niet en loop niet weg. Al vroeg in de 17de eeuw blijken samenstellers van liedbundels soms rekening te houden met de bezwaren die van kerkelijke zijde tegen te vrijmoedige liedjes waren ingebracht. Op de titelpagina van Den Nieuwen Lust-hof uit 1602, het eerste van een reeks chiquere liedboeken, krijgen de ‘amoreuse ende vrolijcke ghesanghen’ niet alleen de kwalificaties uitgelezen en welgerijmd mee, maar ook ‘eerelijck’, dat is eerbaar, fatsoenlijk. Het liedboek bevat inderdaad geen onvertogen woord.

Fatsoensgrens

Maar ook bij een soepele houding tegenover vrijmoedige liedjes kon een grens overschreden worden. In de al genoemde voorrede uit zijn Geestich Liedt-boecxken valt Bredero fel uit naar enige lieden die buiten zijn medeweten om de eerste uitgave van zijn liedjes hebben nagedrukt met toevoeging van ‘sommige oneerlijke en ontuchtige liedekens’. Kennelijk is het al zover gekomen, constateert hij, dat men zijn ‘vuiligheid’ onder de dekmantel van iemand anders kan uitstrooien. Voor Bredero was hier dus, nog afgezien van de ongeautoriseerde herdruk, duidelijk een fatsoensgrens overschreden. Dat valt ons op omdat het in zijn eigen liedjes ook niet ontbreekt aan een zekere vrijmoedigheid. In zijn ‘Koortsigh Liedtje’ raken een zekere Dirckje en Lijsbette heel opgewonden:

Zij bleven liggen zwoegen met liefelijk genoegen wat uitloopt op Hij stierf in haar schoot een suikerige dood.

Een ander voorbeeld komt uit zijn bekende ‘Boeren Geselschap’:

Maar Miewes en Trijntje, die zoete slechte slooi, die liepen met mekander uit ’t huis in ’t hooi, met zulk geflikkeflooi, en zulk gewroet, och ’t was zo zoet, mij docht, het was zo mooi!

Gravure van Theodor Matham (1606-1676)
Wikimedia Commons

Wat voor Bredero dus wel kon, zal een streng gereformeerde niet gewaardeerd hebben. De aangehaalde strofe werd trouwens tot in de jaren zestig van de 20ste eeuw in vrijwel alle schoolbloemlezingen weggelaten. Hoeveel verder zal de ‘vuiligheid’ in de – niet overgeleverde – pirateneditie zijn gegaan? In elk geval zullen in de vroege 17de eeuw de geciteerde liedjes van Bredero onder de Amsterdamse jongeren voor wie hij ze dichtte, op weinig bezwaren zijn gestuit, vooral omdat ze in een boerenmilieu gesitueerd zijn. Over boeren valt te lachen. Ten opzichte van hun gebrek aan beheersing kan de stedelijke jeugd tot wie de liedboeken zich richten, zich superieur voelen. Door de veronderstelde seksuele losheid onder het onbeschaafde volk laat men zich graag wat prikkelen zonder dat de eigen status risico loopt.

Het gezamenlijk zingen kon verlevendigd worden door spelletjes die ook als meer of minder onschuldig beschouwd werden. Een duidelijk voorbeeld daarvan zijn de ‘kusliedjes’. In 1654 verscheen het bundeltje De Olipodrigo (stoofpot). Behalve ‘vrolijke gezangen’ worden op de titelpagina ‘kusjes’ aangekondigd, net als in de genoemde Koddigen opdisser. Waartoe deze stimuleren zal duidelijk zijn. Ook het Hollands Nachtegaaltien van 1633 bevatte een ‘Kus-lied’, op de wijs van Bayse moy ma Ianneton (Kus mij, mijn Jannetje). De slotregel luidt: ‘Vrienden tot ’t bedijen, kust aan beide zijen.’

Het is dit soort gebruiken waarover de moralist Johan de Brune, met het oog op de ‘verbeteringe van verscheiden feilen onzer eeuwe’, zich in zijn Emblemata uit 1624 zorgen maakt. Hij beschrijft hoe het bij de jongelui pleegt toe te gaan: niets dan los getater en wellustige handtastelijkheden. Kijk maar hoeveel wulpse zoenkunstjes daar de ronde doen, die de jongens ’s nachts liggen te bedenken om hun duistere lusten te koesteren en om de meisjes daarmee over te halen tot iets wat zij anders zedig geweigerd zouden hebben. In zijn vierde zinnebeeld toont de gravure een zoenspelletje in een gezelschap chic geklede jongeren, met het sprekende opschrift: ‘Nu, hola mond! niet al te bont (Ho mond! ga [met kussen] niet te ver!)’ In r. 3-4 van het onderschrift lezen we:

Elkeen ziet wat gij jaagt: een duivig bek-getrek, Opdat ik niet en zeg een innig tong-gelek.

Overeenkomstige kritiek horen we van de Amsterdamse uitgever en dichter Dirck Pieterszoon Pers en de Enkhuizer Cornelis Pieterszoon Biens. Beiden trachtten met hun eerbare christelijke liedjes een tegengif te leveren voor de ontuchtige liedjes die tot hun ergernis zo populair waren, teneinde de jeugd, ‘die meest tot geile en onbeschofte dartelheden genegen is’ zoetjes daarvan weg te leiden.

‘Boerevrijage’

Geschilderd door Willem Pietersz. Buytewech (ca. 1591/1592– 1624). Deftige vrijage tussen de zusters uit het geslacht Duvelandt van Rhoon en de heren Dirc van der Nath en Johan van Buytewech.
Wikimedia Commons

Hoewel dus vóór 1650 kritiek niet ontbreekt, lijkt het fatsoensoffensief pas in de tweede helft van de eeuw meer voet aan de grond te krijgen. Onder beschaafde lieden groeit het bezwaar tegen openlijke seksuele toespelingen. Op het toneel worden voortaan de oudere kluchten rigoureus gekuist. Maar daarmee wordt ook de overschrijding van het taboe prikkelender.

Dit blijkt bijvoorbeeld uit de opgang van pornografische romans na 1670. We komen dan ook liedboekjes tegen waarin de grenzen van het betamelijke bewust worden opgezocht. Dat geldt in het bijzonder voor zogenoemde kermisbundeltjes. Hiertoe behoort, naast de al genoemde Olipodrigo en Den koddigen opdisser, een opvallend ouderwets uitgevoerd boekje met de titel Uytertse hylickmaeckers [Utrechtse huwelijkmakelaars, tevens de naam van een soort gebak], vol soetigheydt, ofte Amsterdamse kermiskoeck, opgedist voor de genoode kermis gasten en aerdige sangers ende sangeressen.

Alle drie boekjes met hun culinaire titels bieden een mengelmoes van verschillende soorten humoristische teksten, waaronder liedjes over meisjes die zich maar al te graag laten verleiden. In de chiquere liedboeken zul je ook niet gauw iets aantreffen als ‘Een kluchtigh liedt van drie jonge dochters die t’samen wed-spul aen-gaen, wie van haer dryen het veerste soude pissen’, uit de Uytertse hylickmaeckers.

Geschilderd door Nicolaes Maes (1634-1693).
Wikimedia Commons

Veel verder over de schreef gaat de boerenseks in Het net der wellustigheyt, vermeerderd met de Uytgelese minne-sangen. De inhoud van dit boekje, anoniem en zonder naam van de drukker uitgegeven, gaat terug op de beruchte hoerengesprekken van de 16de-eeuwse Italiaan Pietro Aretino. In de uitgave van 1675 is de tekst aangevuld met dertien liedjes. Naast de hierboven aangehaalde ‘Vrijsterklacht’ vinden we er een ‘Boerevrijage’, waarin de toenmalige schaamtegrens ver overschreden is. De minnaar uit het lied steekt de loftrompet over de billen en de ‘blanke buik’ van een zekere Aagt, aan wie hij graag zijn ‘stijve struik’ zal besteden. Hij geeft in detail aan welk standje hem het meest zal plezieren. Daar kun je in keurig gezelschap niet mee aankomen, zelfs niet om wat besmuikt te lachen over het gebrek aan beschaving en beheersing van dat rare boerenvolkje. Ook door de wat toleranter tijdgenoten zal dit als pornografie beschouwd zijn.

Terwijl dus een aanvankelijk in ruime kring geaccepteerde vrijmoedigheid plaats maakt voor striktere fatsoensregels, duikt er tegelijkertijd meer pornografisch werk op. Misschien werd zoiets ‘vanonder de toonbank’ verkocht. Dat het überhaupt uitgegeven kon worden, zij het anoniem, heeft te maken met het ineffectieve censuurbeleid in de Republiek. Dat was trouwens ook eerder gericht op wat op het gebied van godsdienst of politiek onaanvaardbaar werd gevonden dan op seks.

E.K. Grootes is emeritus hoogleraar historische Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam.

Verder lezen:

  • Louis Peter Grijp, Het Nederlandse lied in de Gouden Eeuw. Het mechanisme van de contrafactuur (proefschrift), P.J. Meertens-Instituut Amsterdam 1991
  • Inger Leemans, Het woord is aan de onderkant. Radicale ideeën in Nederlandse pornografische romans 1670-1700, Uitgeverij VanTilt, 2002
  • Hans van Straten (ed.), Razernij der liefde. Ontuchtige poëzie in de Nederlanden van Middeleeuwen tot Franse tijd, Arbeiderpers, 1992
Dit artikel is een publicatie van Geschiedenis Magazine.
© Geschiedenis Magazine, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 07 september 2009

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.