Je leest:

Tussen de beademing en het voetbalveld

Tussen de beademing en het voetbalveld

Auteur: | 21 december 2002

‘Je kind zit in een rolstoel en wordt beademd. Maar anders was je het kwijt geweest.’ Arnold Reuser schetst de dilemma’s en successen bij de behandeling van de ziekte van Pompe.‘Hij voetbalt weer, weet je.’

Het was geen vooropgezette keuze. De jonge biochemicus Arnold Reuser zocht een interessante promotieplaats, raakte gefascineerd door het onderwerp, en dat is nooit meer overgegaan. De ziekte van Pompe vormt de rode draad in zijn onderzoek. Het begon in 1973 met een promotieplaats in Rotterdam, en ruim twintig jaar later werkt hij daar nog steeds, op de vierentwintigste verdieping van het Erasmus Medisch Centrum.

Reuser praat over zijn studie onderwerp als een enthousiaste promovendus. Verbaasd over resultaten, over nieuwe publicaties en oude studies. Lachend, druk gebarend, balancerend op een stoel om oude autoradiografiefilms te pakken uit de tijd dat zijn groep het verantwoordelijke gen kloneerde. Blauwgrijze, plastic vellen uit een ver verleden – eind jaren tachtig. ‘Alles met de hand! PCR en sequentiedatabases bestonden amper.’ Hij werkt temidden van die geschiedenis in een volgestapelde werkkamer waar de papieren zelfs ónder de bureaus liggen bijeengewaaid. De ‘eindejaarsschoonmaak’ noemt hij het verontschuldigend.

Al in 1963 werd duidelijk dat patiënten met ziekte van Pompe een gebrek hebben aan het enzym alfa-glucosidase, dat glycogeen afbreekt tot glucose. De ziekte leidt tot ophoping van glycogeen in de cellen, die daardoor beschadigd raken. Dat uit zich vooral in de spieren, die steeds zwakker worden, zelfs tot het punt dat permanente beademing nodig is. Er zijn kinderen die direct na de geboorte allerlei symptomen hebben; de skeletspieren zijn ernstig aangedaan en het hart faalt. Ze worden gemiddeld acht maanden oud, terwijl andere patiënten pas verschijnselen merken op hogere leeftijd.

Begin jaren negentig kwam de grote doorbraak met het kloneren van het alfa-glucosidasegen. ‘We zijn toen gaan kijken of we het gen konden gebruiken om alfa-glucosidase te produceren voor enzymvervangingstherapie en zijn stapsgewijs te werk gegaan. Eerst beredeneren of het in theorie kan; dan in celkweek uitzoeken. Toen we in celkweek zagen dat het enzym goed wordt opgenomen door spiercellen van patiënten en ook het glycogeen afbreekt, hebben we onderzocht of de alfa-glucosidase – uit stierenkloten! – na injectie in de spieren van een muis terecht kwam.’

Kampioentje

De proefdierresultaten waren veelbelovend genoeg om het bij patiënten uit te proberen. Het ontbrak alleen aan voldoende menselijk alfa-glucosidase. Een overeenkomst met het Leidse biotechnologiebedrijf Pharming leidde tot humaan alfa-glucosidase uit transgene konijnen, dat begin 1999 aan de eerste patiëntjes werd toegediend door arts-col lega dr. Ans van der Ploeg. Vier jaar later zijn de vier patiëntjes met de ernstige vorm van de ziekte nog in leven. Ze krijgen het enzym iedere week toegediend. ‘Er is één kampioentje. Hij kan traplopen, en gaat naar school. Dat is echt een groot succes. Die andere drie patiëntjes hebben nog veel last van hun ziekte. Het zijn geen stevige kindjes. Ze worden beademd, en zijn gevoelig voor luchtweginfecties.’ Drie oudere patiënten worden ook behandeld en ook bij hen varieert het succes.

Reuser en de artsen in de kliniek hadden er goed over nagedacht: wat als het middel niet of half werkt. ‘Als het bij de jongste patiëntjes niets doet, gaan ze binnen een jaar dood. Het risico dat je loopt is dat je half repareert. Stel je voor dat je spier- en hartfunctie corrigeert, maar de kinderen krijgen hersenschade omdat het enzym de bloedhersenbarrière niet kan passeren. Dus hebben we gezegd: eerst een klein aantal patiënten behandelen en dan verder zien. Maar mentaal zijn ze allemaal perfect.’

De kinderen worden nog steeds behandeld, al is de officiële trial inmiddels beëindigd nadat het noodlijdende Pharming samen met Genzyme het enzym in hamstercellen ging produceren. Nieuwe patiëntjes met de ernstige vorm van de ziekte kunnen niet standaard met het medicijn behandeld, zolang het niet geregistreerd is. Er is daarmee een nieuw dilemma ontstaan. ‘De ouders weten zeker dat hun kindje komt te overlijden. Daarnaast is er de mogelijkheid en natuurlijk de hoop dat je kindje het beste reageert op een nieuwe therapie – en de angst dat je een half resultaat krijgt. Dat is typisch een vraag waar de ouders in samenspraak met de kinder-arts, de genetic counselor- kortom een team van deskundigen – een antwoord op moeten vinden.’

Reuser heeft vaker de vraag voorgelegd gekregen of de enzymtherapie tegen de ziekte van Pompe een zinvolle onderneming is. ‘Dat moet je eigenlijk aan de ouders vragen. Je kind zit in een rolstoel en wordt beademd, kan zelf slechts beperkt functioneren. Maar anders was je het kwijt geweest. Die situatie moet je projecteren op een heel jong kind waar je van houdt en je afvragen: “wat heb ik liever”. En je moet je verplaatsen in het kind. Wat kan je daar over zeggen? Je ziet vaak bij kinderen met een handicap een heel andere reactie dan je zou verwachten. Ik ben heel voorzichtig om daarover te oordelen.’ Reuser had zulke extreme verschillen in reactie op de therapie niet verwacht. ‘Welke patiënten zijn nu de uitzonderingen, vraag je je af: de goede of de slechte. Waarschijnlijk gaat het uitkomen op fifty-fifty als je alle trials nu overziet.’ De oorzaak van die verschillen is nu onderwerp van onderzoek binnen Reusers afdeling.

‘Maar de therapie werkt per se, alleen niet voor iedereen even goed. Bij de heel ernstige vormen moet je heel goed naar het individuele patiëntje kijken. Maar ik zou elke patiënt met de latere vorm van de ziekte onmiddellijk gaan behandelen. Zover ben ik ervan overtuigd dat het werkt. Van de oudere patiënten zat er één al drie jaar in een rolstoel. Hij loopt nu te voetballen. Dan kan je zeggen: “Is dat statistisch onderbouwd?”. Dan denk ik, ja statistisch, dat zal allemaal wel. Hij voetbalt weer, weet je.’

Dit artikel is een publicatie van Bionieuws.
© Bionieuws, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 21 december 2002

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.