Je leest:

Tussen angst en vrees

Tussen angst en vrees

Auteur: | 22 maart 2005

Mensen die slechter leren, zijn banger, denkt experimenteel psycholoog Joke Baas. Over virtual reality, een leerpil en angst.

Het lijkt een dodelijk simpel experiment. Een proefpersoon zit in een donkere kamer en tuurt naar een beeldscherm. Daarop verschijnen in willekeurige volgorde voor enkele seconden gele of blauwe vierkantjes. Als een geel vierkant verdwijnt, gebeurt er niets. Na een blauw vierkant, krijgt de proefpersoon via een elektrode op zijn onderarm een elektrisch schokje. Het voelt aan als een klein prikje.

Wat is nu het verbazingwekkende? Slechts de helft van de proefpersonen in dit experiment leert het verband te leggen tussen het blauwe vierkant en het schokje. Intrigerend is dat de mensen die het verband niet leggen, veel vaker een angstige of neurotische persoonlijkheid hebben. Dat blijkt uit psychologische vragenlijsten.

Die twee resultaten staan aan de basis van de hypothese van VENI-winnares dr. Joke Baas, experimenteel psycholoog aan de Universiteit Utrecht. Zij denkt dat onvermogen om te leren leidt tot een grotere angstbeleving. Na haar postdoc-periode aan het Amerikaanse National Institute of Mental Health sleepte ze vorige maand een NWO-subsidie voor beginnend onderzoekers in de wacht. De komende jaren gaat ze haar idee uitwerken.

‘Als je leert dat na het blauwe vierkant een schokje komt, dat angst oproept, leer je dus eigenlijk ook wanneer er geen schokken komen, en het dus veilig is. Namelijk, zolang het blauwe vierkant er nog niet is, is het veilig. Door het leren van de associatie tussen het blauwe vierkant en de schok, krijg je grip op je omgeving. Als je dat niet leert, krijg je op onvoorspelbare momenten een schokje, waardoor je algehele angstigheid toeneemt.’

Fobie

Daarmee is de kern van Baas’ onderzoek geraakt. Zij wil twee verschillende vormen van angst uit elkaar trekken. Aan de ene kant aangeleerde, geconditioneerde angst – zoals het blauwe vierkant angst oproept voor het stroomschokje (fear). Daarnaast bestaat er contextuele angst, een algemeen gevoel van onbehagen dat niet gekoppeld is aan een eenvoudige aanwijzing (cue) maar dat samenhangt met de omgeving waar iemand zich in bevindt (anxiety).

Uit farmacologisch onderzoek blijkt dat deze twee vormen van angst niet dezelfde oorsprong in de hersenen hebben. Zo werken de kalmerende benzodiazepines wel bij patiënten met een gegeneraliseerde angststoornis (langdurige, vage en onredelijke angstgevoelens) maar niet bij mensen met toegespitste angst, zoals fobieën. En een fobie voor bijvoorbeeld spinnen of wijde vlaktes wordt beschouwd als een verkeerd aangeleerde, pathologische reactie.

Schrikreactie

Tijdens de schok-experimenten meet Baas bij proefpersonen de mate van angst via de startle-reflex, een schrikreactie. Ze doet dit door via een luidsprekertje een geluid te laten horen waar mensen van schrikken. De primairste reactie, die al meetbaar is bij een relatief zacht geluid, is het dichtknijpen van de ogen. Dat is meetbaar door elektroden onder het oog, die nauwkeurig de spieractiviteit registreren. Het uitgangspunt is dat angstigere mensen een sterkere startle-reflex vertonen. Ze reageren sterker op hetzelfde geluid.

Baas: ‘Het handige van de startle is dat je er de angstigheid op elk gewenst moment mee kunt ’uitlezen’. Bovendien is bij dieren veel onderzoek gedaan naar de startle-reflex, daardoor weten we veel van de betrokken zenuwbanen en kennen we middelen die er invloed op hebben.’

Cirkel

In het experiment met de gekleurde vakken en het schokje betekent het dat Baas kan zien wanneer mensen angstig zijn. De groep die de relatie tussen het blauwe vlak en het schokje wel leert, heeft alleen een sterkere startle-reflex als het blauwe vlakje verschijnt. Ze zijn angstig omdat de schok eraan komt. De andere proefpersonen, die het verband niet zien, laten gedurende het hele experiment een sterkere startle-reflex zien.

Baas’ hypothese is dus dat bij voorbaat angstigere mensen minder makkelijk het verband leren tussen het blauwe vlak en het schokje. Tijdens het experiment hebben ze daardoor een hoger angstniveau. Bovendien zouden ze, als ze een week later terugkomen in het laboratorium, een hoger angstniveau hebben. Zonder dat de mensen meedoen aan een proef, roept de omgeving van het laboratorium dan een algemeen gevoel van angst op, dat nergens aan gekoppeld is. ‘Al deze feiten zijn in losse onderzoeken al wel eens aangetoond. Maar de cirkel is nog nooit rond gemaakt, dat ga ik doen in mijn onderzoek.’

Virtual reality

Baas gaat ook een ander idee testen. Namelijk dat een verhoogd gevoel van algehele angstigheid te wijten is aan een gebrekkig functionerende mediale prefrontale cortex. Dit hersengebied, in het midden achter je voorhoofd, heeft onder andere een remmende invloed op het zogenaamde limbische systeem. Deze dieper gelegen structuur is betrokken bij emoties, zoals angst, en bij het verwerken van ruimtelijke informatie. Als cues voor veiligheid niet goed geïnterpreteerd worden, wordt het limbische systeem niet onderdrukt. Dat leidt tot grotere contextuele angst, waarbij een omgeving onbewust angst inboezemt.

Een virtual reality-omgeving in combinatie met een fMRI-scanner moet vertellen of de prefrontale cortex het af laat weten bij chronisch angstige mensen. Proefpersonen moeten, liggend in een fMRI-scanner, door een virtual reality-wereld bewegen. In één kamer krijgen ze een schokje, in de andere niet. De signalen in de kamers verschillen echter. Soms zijn de directe aanwijzingen heel duidelijk (knipperende vlakken kondigen een schokje aan), soms zijn de omgevings-signalen veel duidelijker (de kamer met het schokje is anders ingericht). Ondertussen meet Baas via de startle-reflex het angstniveau en bepaalt de fMRI-scanner de doorbloeding van de hersenen.

‘Ik verwacht dat angstigere mensen de subtielere cues niet herkennen. In die trials zullen zij dan ook een hoger angstniveau hebben. De vraag is echter of het komt doordat die mensen slechter leren, of hun aandacht verkeerd richten of een slechter werkende prefrontale cortex hebben. Als de doorbloeding van de prefrontale cortex achterblijft, dan zit het daarin.’

Naast het fundamentele puzzelwerk heeft Baas ook al een idee voor een medicijn tegen contextuele angst. Het antibioticum D-cycloserine (DCS) werkt in ratten en mensen als een cognitive enhancer, een leerverbeteraar. Baas gaat het middel toedienen aan angstige mensen. Zij denkt dat DCS het leren van het verband tussen een gekleurd vlak en een schokje vergemakkelijkt en dat daardoor bij die mensen de contextuele angst afneemt. ‘Het is een long shot, maar wel veelbelovend.’

Dit artikel is een publicatie van Bionieuws.
© Bionieuws, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 22 maart 2005

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.