Je leest:

Terugdringen van antibioticagebruik in de veehouderij

Terugdringen van antibioticagebruik in de veehouderij

Auteur: | 30 augustus 2016

Al decennia is er aandacht voor het gebruik van antibiotica in de veehouderij. In 2006 werd het toevoegen van antibiotica aan veevoer als groeibevorderaar bij wet verboden. Dit omdat door anti­bioticagebruik zich resistente micro-organismen kunnen ontwikkelen. Ondanks dit verbod nam het gebruik voor behandeling van dieren tot 2008 toe tot bijna 600 ton per jaar. Nederland was hiermee in de Europese Unie een van de meest gebruikende landen in de veehouderij, terwijl tegelijkertijd het gebruik in de humane gezondheidszorg tot het laagste in de Europese Unie hoort.

In antwoord op nieuwe resistente micro-organismen in de veehouderij heeft de overheid in 2009 nieuwe doelstellingen geformuleerd. In 2013 moest het gebruik met 50 procent zijn afgenomen. Deze doelstelling is ruim gehaald. De overheid verwacht dat het gebruik van antibiotica in 2015 70 procent minder is dan in 2009. Voor de volksgezondheid kritische middelen mogen nog maar zeer beperkt gebruikt worden in de voedselproducerende sectoren: ook dit is gerealiseerd.

33.2002296047 %28hollandse hoogte%29
Een dierenarts heeft diverse antibiotica tot zijn beschikking voor de behandeling van bacteriële infecties bij vee.
Biowetenschappen en Maatschappij, Hollandse Hoogte

Monitoring verkoopcijfers en voorschrijfpatronen

Al deze doelstellingen zijn mede gerealiseerd door de Stichting Diergeneesmiddelen Autoriteit (SDa), in 2011 opgericht op initiatief van diersectoren en overheid. De SDa streeft naar verantwoord gebruik van antibiotica in de Nederlandse dierhouderij in het belang van de volksgezondheid, met in achtneming van dierenwelzijn. Daarvoor monitort de SDa het gebruik van antibiotica in de dierhouderij, stelt streefwaarden op voor gebruik (benchmarkwaarden) en vergelijkt deze met het antibioticagebruik op bedrijven en het voorschrijfpatroon van dierenartsen.

Voor de oprichting van de SDa werd door het Landbouweconomisch Instituut (LEI) het gebruik van antibiotica voor dieren gemonitord aan de hand van verkoopcijfers, aangeleverd door de branchevereniging Veterinaire Farmacie (FIDIN), en door relatief kleine steekproeven bij bedrijven in de belangrijkste diersectoren: kalveren- en rundveesector en bij pluimvee en varkens. Daardoor was het inzicht in het gebruik in de verschillende diersectoren beperkt. Sinds de oprichting van de SDa is de monitoring stapsgewijs uitgebreid naar alle bedrijven in deze sectoren en worden inmiddels de meer dan 40.000 veehouderijen gemonitord. Dierenartsen geven voorschrijfgegevens door aan de kwaliteitssystemen van de diersectoren. Deze kwaliteitssystemen garanderen de productie van veilig vlees, melk en eieren door eisen te stellen aan productiewijzen, management en diergezondheidsbeleid. De kwaliteitssystemen dragen de gegevens jaarlijks over aan de SDa om daarover te rapporteren aan de samenleving en overheid.

De kwaliteitssystemen geven de veehouders informatie over hun eigen gebruiksgegevens, waardoor ze trends in gebruik over langere perioden kunnen volgen en eventueel maatregelen kunnen nemen. Ook is bekend welke dierenarts zorg heeft voor welke veehouderij. Zo kan naar verschillen worden gekeken in het voorschrijfpatroon van dierenartsen. Ook zij krijgen inzicht in het eigen voorschrijfpatroon. Dit inzicht van veehouder en dierenarts vormt de basis voor de veranderingen in antibioticagebruik in de veehouderij die zich afgelopen jaren hebben afgetekend. Bovenstaande maakt ook duidelijk dat de veranderingen die zich afgelopen jaren hebben voorgedaan ook het gevolg zijn van grote inspanningen door meerdere partijen, maar in het bijzonder de veehouderij en dierenartsen.

Benchmarken met stoplichtkleuren

Om de initiële doelstellingen van 50 procent reductie in 2013 te realiseren heeft de SDa voor de verschillende diersectoren en dierenartsen benchmarkwaarden vastgesteld, gebaseerd op acceptabel geachte verschillen tussen bedrijven. Bedrijven en dierartsen kunnen het eigen gebruik en het eigen voorschrijfpatroon vergelijken met de benchmarkwaarden van de SDa en kunnen zich hieraan dus spiegelen. Bedrijven en dierenartsen worden op basis van deze benchmarkwaarden ingedeeld in gebruikscategorieën; een streefgebied (groen), een signaleringsgebied (oranje) of een actiegebied (rood). Antibioticagebruik op het niveau van het actiegebied is zeer onwenselijk.

32.2002296370 %28sda%29
Voor elke diersector worden jaarlijks door de Stichting Diergeneesmiddelen Autoriteit (SDa) benchmarkwaarden vastgesteld. Bedrijven en dierenartsen worden ingedeeld in gebruikscategorieën; een groen streefgebied, een oranje signaleringsgebied of een rood actiegebied. Bedrijven in het rode actiegebied zijn verplicht om het antibioticagebruik op zo kort mogelijke termijn te reduceren.
Biowetenschappen en Maatschappij, SDA

Bedrijven met een dergelijk gebruik zijn verplicht aanvullende bedrijfsgezondheidsplannen op te stellen om het gebruik op zo kort mogelijke termijn te reduceren. Het signaleringsgebied wordt ook als onwenselijk gebruiksniveau gezien, maar daar zijn nog geen praktische consequenties aan verbonden. De benchmarkwaarden zijn pragmatische waarden en zijn niet direct gerelateerd aan het voorkomen van resistente micro-organismen in een bepaalde diersector. De SDa onderzoekt of het mogelijk is de benchmarkwaarden sterker aan informatie over resistentie in een diersector te koppelen.

Forse daling in antibioticagebruik

Het gebruik in antibiotica in de veehouderij is afgelopen jaren door het ingezette beleid sterk afgenomen. Van het hoge gebruik in 2009 is Nederland als geheel naar een middenpositie opgeschoven. Maar vergelijking met het gebruik in andere landen op basis van verkoopcijfers blijft lastig door verschillen in de stal- en houderij­systemen (intensief versus extensief) en verschillen in relatieve omvang van de sectoren. Het antibioticagebruik daalt in iedere diersector in min of meer vergelijkbare mate (zie ook de figuren over ontwikkeling antibioticumgebruik).

Fig 04 %28herman sittrop grafisch realisatie bureau%29
De ontwikkeling in antibioticumgebruik bij kalveren, pluimvee, zeugen/biggen en vleesvarken, uitgedrukt in dierdagdoseringen per dierjaar (DD/DJ). Dit kan worden geïnterpreteerd als het aantal dagen dat een dier per jaar wordt behandeld. In de praktijk is dit natuurlijk vaak niet zo omdat veel productiedieren korter dan een jaar leven. Tussen 2009 en 2014 daalde het gebruik voor zeugen/biggen, vleesvarkens en vleeskuikens met respectievelijk 56,2%, 49,9% en 57,1%. In de kalversector daalde het gebruik in die periode met 37,4%, bekeken ten opzichte van 2007, het jaar waarin de dalende trend in deze sector als gevolg van ingezet beleid is gestart.
Biowetenschappen en Maatschappij, Herman Sittrop Grafisch Realisatiebureau

Voor de melkveesector zijn geen lange termijn trends berekend omdat de gegevens zich hier niet voor leenden. De veranderingen zijn in deze sector relatief beperkt omdat het gebruik in deze sector al heel laag is door het andere karakter van de sector (melkproductie, geen vleesproductie). Tussen 2012 en 2014 heeft de volledige rundveesector een reductie van 18,7 procent gerealiseerd, die voornamelijk voortvloeit uit managementveranderingen voor antibioticagebruik rond uiergezondheid in de melkveesector.

Echter, de daling is in 2014 ten opzichte van het voorgaande jaar afgevlakt. De verkoop voor het totale veterinaire antibioticumgebruik in kilogram daalde 4,5 procent ten opzichte van 2013. Tussen 2012 en 2013 was nog sprake van een bijna drie keer zo grote daling in het aantal kilogrammen verkochte antibiotica.

Veranderingen in gebruikspatronen

Naast het totale gebruik zijn in de afgelopen jaren belangrijke veranderingen in het gebruikspatroon van antibiotica opgetreden. Voor de volksgezondheid kritische middelen mogen alleen nog gebruikt worden als er geen alternatief is en als duidelijk is dat bacteriën waarvoor deze middelen worden voorgeschreven, gevoelig zijn voor deze kritische middelen. Als gevolg van deze ontwikkelingen is het gebruik op bedrijven met een zeer hoog gebruik nu vrijwel verwaarloosbaar.

De verschillen tussen bedrijven in gebruik zijn afgelopen jaren kleiner geworden. Ook de verschillen tussen dierenartsen in voorschrijfpatroon zijn afgenomen. Alhoewel er nog steeds dierenartsen zijn die vele malen meer voorschrijven dan andere, gemiddeld over alle bedrijven waarvoor ze zorg hebben. Rond de 10 procent van alle bedrijven in iedere diersector heeft een hoger antibioticagebruik. Er is dus alle reden om de benchmarksystematiek te laten voortbestaan en hier en daar zelfs aan te scherpen.

Fig 05 %28herman sittrop grafisch realisatie bureau%29
Verloop van de verkoopcijfers van antimicrobiële middelen, uitgedrukt in het aantal kilogrammen actieve stoffen (x1000) van 1999 tot en met 2014 naar hoofdcategorie.
Biowetenschappen en Maatschappij, Herman Sittrop Grafisch Realisatiebureau

Wat mag de komende jaren worden verwacht?

De beoogde afname in antibioticagebruik in 2013 is met 58 procent ruimschoots gehaald. Het feit dat deze daling in het antibioticagebruik in 2014 is afgevlakt, vraagt om enige bezinning. Het gebruik in diersectoren verschilt, en ook de mate van voorkomen van resistente micro-organismen is niet gelijk. Toekomstig beleid zal meer sectorspecifiek zijn.

Het is bijzonder dat afgelopen jaren een grote daling in gebruik kon worden gerealiseerd zonder duidelijke aanwijzingen voor negatieve gevolgen op diergezondheid of dierenwelzijn. Daarbij is de tijd waarin de veranderingen zich hebben voltrokken relatief kort geweest, te kort voor structurele aanpassingen in de dierhouderij. De verwachting is dat de komende periode de veranderingen in antibioticagebruik langzamer zullen gaan en dat het minder eenvoudig zal zijn om verdere verminderingen te realiseren. Dat eind 2015 het gebruik met 70 procent zal zijn gedaald, zoals de overheid verwacht, is dan ook minder waarschijnlijk. Vermindering op de langere termijn kan waarschijnlijk vooral worden gerealiseerd door structurele aanpassingen in de dierhouderij, zoals maatregelen op bedrijfsniveau om verspreiding van infectieziekten te voorkomen (scheiding van verschillende leeftijdscategorieën dieren, hygiënemaatregelen).

Herkansing voor oude antibiotica

De toename in resistentie tegen bestaande veelgebruikte antibiotica en het gebrek aan ontwikkeling van nieuwe middelen vraagt om creatieve oplossingen. Een van die oplossingen is de herintroductie van antibiotica die in de jaren vijftig en zestig ontwikkeld zijn, maar inmiddels nauwelijks meer worden gebruikt. Hetzij omdat er toentertijd resistentie tegen optrad, hetzij omdat fabrikanten meer konden verdienen aan nieuwere middelen en ze niet meer werden geproduceerd. Ook bleken in sommige gevallen nieuwere antibiotica minder bijwerkingen te vertonen.

Een deel van deze ‘oude’ middelen is nog steeds verkrijgbaar, een deel niet – maar ze hebben wel allemaal een ding gemeen: de wijze waarop destijds werkzaamheid en doseringen werden vastgesteld verschilt hemelsbreed met wat nu gebruikelijk is. Dit heeft als belangrijk gevolg dat deze middelen volgens de huidige maatstaven niet onder de categorie evidence-based-medicine vallen. Het is dan ook dringend noodzakelijk dat oude antibiotica herontwikkeld worden.

P.53 %28shutterstock%29
Bij gebrek aan alternatieven worden oude antibiotica soms weer van de plank gehaald.
Biowetenschappen en Maatschappij, Shutterstock

Hier werd in oktober 2014 een heel congres aan gewijd door de ESCMID (European Society of Clinical Microbiology and Infectious Diseases). Een voorbeeld van een oud antibioticum is het middel colistine. Dit werd in de jaren vijftig geregistreerd en viel daarna in diskrediet wegens bijwerkingen en het beschikbaar komen van betere middelen. Sinds een aantal jaren is het gebruik weer in zwang gekomen ter bestrijding van multiresistente micro-organismen. Het is echter niet bekend hoe het middel optimaal gedoseerd moet worden en zelfs een goed gestandaardiseerde gevoeligheidstest – waarvan de uitslag aangeeft of het middel klinisch werkzaam zal zijn – ontbreekt. Desondanks wordt, bij gebrek aan alternatieven, colistine steeds vaker toegepast.

Combinatietherapie

Een tweede oplossing, die steeds meer wordt aangewend, is een combinatie van bestaande middelen in de hoop dat dit tot een beter klinisch effect zal leiden dan elk van de middelen afzonderlijk. Er zijn echter nauwelijks goed gecontroleerde studies die aantonen dat dit inderdaad zinvol is. Ook voor combinatietherapie geldt dat er geen goede laboratoriumtesten zijn die het effect van combinaties kunnen voorspellen.

“Het is dringend noodzakelijk dat er onderzoeksprogramma’s worden opgesteld die op korte termijn de achterstand in kennis opheffen om oude middelen op een juiste manier te gebruiken en te voorkomen dat ook deze middelen verloren gaan. Gezien het grote gemeenschappelijke belang, ligt hier een taak van de Europese Unie tot het nemen van initiatieven. Herbestemming van in onbruik geraakte antibiotica is inmiddels opgenomen als onderwerp in de tweede ronde van het JPIAMR programma.”

Johan Mouton en Anouk Muller

Dit artikel is een publicatie van Stichting Biowetenschappen en Maatschappij.
© Stichting Biowetenschappen en Maatschappij, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 30 augustus 2016

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.