Je leest:

Telkens een andere stier

Telkens een andere stier

Zoektocht naar een Europese identiteit

Auteur: | 10 juni 2011

Europa – zo zeggen eurosceptici – zal nooit een eenheid worden, zelfs niet met de grootst mogelijke politieke wil. De oorzaak? Het ontbreekt Europa aan een eigen identiteit. Deze veelgehoorde opvatting is niet geheel zonder grond: inderdaad lijkt het continent zich telkens opnieuw uit te vinden en even vaak verspringt het zelfbeeld. Toch is er wel degelijk een patroon, bestaande uit drie over elkaar heen schuivende historische lagen.

Er is veel geschreven over de ‘identiteit’ van Europa, een hachelijk en ongrijpbaar onderwerp. Als het al zo moeilijk is om iets zinnigs te zeggen over ‘de’ identiteit van ‘de’ Nederlander, hoe volstrekt onmogelijk moet het dan niet zijn om de identiteit te bepalen van een continent waarvan het oppervlak 245 keer zo groot is als Nederland, het inwonertal ongeveer 45 keer zo groot, met 40 à 50 talen, volstrekt uiteenlopende staten, elk met hun eigen geschiedenissen, culturen en regionale variaties.

De naam Europa gaat terug op een Griekse mythe waarin het mooie meisje Europa ontvoerd wordt door oppergod Zeus. In de gedaante van een stier neemt hij haar op zijn rug en zwemt naar zijn geboorteplaats Kreta. Europa schenkt Zeus drie zonen. Een van hen is Minos, naar wie de minoïsche cultuur genoemd is.

‘De’ identiteit van Europa beschrijven is onbegonnen werk, maar er valt wel degelijk iets te zeggen over de associaties die aan het begrip ‘Europa’ vasthangen. ‘Europa’ als beeld, als zienswijze.

Net zoals in de cultuur en in de geschiedenis bepaalde associaties verbonden zijn met ons begrip van ‘Frankrijk’ (‘oh la la’ en ‘Cartesiaans’), ‘Duitsland’ (‘gründlich’ en ‘gemütlich’) en ‘België’ (levensgenieters maar ook een beetje binnenvetters), zo roept ook het begrip ‘Europa’ bepaalde beelden en stereotypen op.

Natuurlijk, het zijn stereotypen, veranderlijke en tegenstrijdige stereotypen, maar ze vormen juist daarom een belangwekkend onderwerp voor cultuurhistorici. Ze zeggen ons weinig zinnigs over hoe Europa ‘echt’ is, maar bieden wel inzicht over hoe er tegen Europa wordt aangekeken.

Een literatuurwetenschappelijk specialisme dat dergelijke stererotiepe beeldvorming historisch en retorisch analyseert, is de imagologie. Wie de werkwijze van de imagologie op het imago van Europa loslaat, kan temidden van een overdaad aan historisch materiaal boeiende patronen ontwaren over de reputatie van het continent waarin wij wonen en waarmee wij ons op een of andere manier te identificeren hebben.

Traditie, zelfbeeld en afbakening

Karel V ondernam in 1527 de bouw van een keizerlijk paleis in het Alhambra van Granada. Granada was 35 jaar tevoren, als laatste Moorse bolwerk, veroverd door zijn grootouders, Ferdinand en Isabella.

Karel zelf was sinds kort geïnstalleerd als monarch van de Spaanse landen, en was in 1521 tot Duits koning gekroond (de pauselijke bevestiging als keizer zou in 1530 plaatsvinden).

In het sierlijke Alhambra detoneert de tamelijk plompe renaissancearchitectuur van Karels paleis een beetje. Intrigerend echter is, weggestopt in een hoek van de bouwmassa, een slotkapel. Die is achthoekig, wat vaak wordt gezien als een echo van de kapel waar Karels kroning als Duits koning kort tevoren had plaatsgevonden: de octogoon van de dom van Aken, gebouwd door Karel de Grote zelf. Karel was zich terdege bewust van zijn naamsverwantschap en het feit dat hij de opvolger was van de grote ‘oer-Karel’. Dat blijkt ook uit de druk van een middeleeuwse biografie van Karel de Grote, die in 1521 werd uitgegeven en waarop beide Karels zij aan zij waren afgebeeld.

De dom van Aken – begonnen rond 780 als paltskapel van Karel de Grote – was tot in de 11e eeuw het hoogste en meest indrukwekkende gebouw ten noorden van de Alpen geweest. De achthoekige vorm was ontleend aan een ander voorbeeld: de Vitaliskerk in Ravenna, een tijdlang de koningskerk van de Gotische en Longobardische rijkjes van Noord-Italië. Karels vader Pippijn III had Ravenna in omstreeks 750 voor de paus veroverd en daarmee de alliantie gevestigd tussen het pausdom en de Karolingen.

De Vitaliskerk van Ravenna was zelf een puur Byzantijns bouwwerk, een echo van de eveneens achthoekige kerk van Sint-Sergius in Constantinopel. Zo zien we een bouwmotief van Istanbul naar Andalusië rondstuiteren, met de keizerlijke erfopvolging als leidraad voor deze architectonische estafette.

De aanwezigheid van de islam is in deze traditie een bestendige drijfveer. De islam had Spanje in 711-714 veroverd. Kort voor de herovering van Granada door Ferdinand en Isabella, had Mehmet II aan de andere kant van de Middellandse Zee Byzantium ingenomen (1453).

Zuid-Europa lijkt in de religieuze geopolitiek van 700 tot 1500 op een weegschaal: de zuidwaartse terugdringing van de islam in de Spaanse reconquista gaat gepaard met een noordwaartse expansie van de Osmaanse machtssfeer richting Belgrado en Boedapest. In die eeuwenlange confrontatie wordt het woord ‘Europa’ voor het eerst als politiek verzamelbegrip gebruikt. De slag bij Poitiers (waarin Karel Martel, de grootvader van Karel de Grote, de islamitische expansie van omstreeks 730 een halt toeriep) wordt door de monnik Notker van Sankt-Gallen beschreven als een overwinning van de ‘europenses’, de Europeanen.

Het verlies van Constantinopel ontlokte de humanist Enea Silvio Piccolomini – de latere paus Pius II – tijdens de Rijksdag van Frankfurt in 1454 de volgende hartenkreet: “We moeten de waarheid onder ogen zien dat de christenheid in vele eeuwen geen grotere smaad heeft moeten verdragen dan thans. Vroeger vonden onze nederlagen plaats in Azië en Afrika, in verre landen. Maar nu zijn wij verslagen in Europa, in ons eigen vaderland, in ons eigen huis, in onze eigen woonplaats.”

Europa is vaak voorgesteld als christelijk eenheidsgebied. Een van de iconische hoogtepunten is de Slag bij Potiers (732) waar Karel Martel een overwinning behaalt op de oprukkende moslims. Schilderij Carl van Steuben, 1834.
wikimedia commons

In dit licht bezien is het opmerkelijk dat Ferdinand en Isabella – en Karel V na hen – de herovering van Granada als een eindzege zagen. De klus is geklaard. Men wil de zege consolideren door de religie van de bevolking onder strikte controle te plaatsen, maar aan verdere expansie ten zuiden van de Straat van Gibraltar denkt niemand. Dat wordt kennelijk gezien als buitenland, vreemd gebied waar Spanje niets verloren heeft.

In plaats daarvan gaat de verdere expansie richting Atlantische en Indische Oceaan, door de Straat van Gibraltar heen het zeegat uit. Het kolonialisme neemt de plaats in van de kruistochten en de reconquista. Karel v neemt in zijn wapenschild de Zuilen van Hercules op (zinnebeeld van de Straat van Gibraltar), met de veelbetekenende spreuk ‘plus ultra’: ‘Steeds verder’.

Eurocentrisme

In de koloniale expansie zal Europa zichzelf gaan zien als het centrum van de wereld, het hart van de windroos, het scharnierpunt waar de kompasnaald om draait. Het Europese superioriteitsgevoel berust op het zelfbeeld van vooruitgang en het ‘plus ultra’ van Karel V krijgt ook die bijklank. In de Renaissance hadden de kunsten (van Cimabue tot Rafaël en Michelangelo) en de wetenschappen (van Copernicus tot Galilei) geleerd zichzelf als een dynamisch ontwikkelingsproces te zien, waarin elke generatie de voorgaande overtrof en een steeds hoger niveau bereikte.

Dit werd in de koloniale periode ook het Europese zelfbeeld: het continent van de modernisering. (Het begrip ‘modern’ kwam tegen het einde van de 17e eeuw in zwang als positief ideaal.) Europa ontwikkelde twee rolpatronen: dat van de koene ontdekkingsreiziger en dat van de geleerde. De opkomst van de Oost-Indische Compagnieën en van de moderne universiteiten (Karel V had er in 1526 een in Granada gesticht) verliep hand in hand.

Het eurocentrisme is dus eerst en vooral een geschiedbeeld. Al sinds de klassieke Oudheid had men ‘barbaren’ beschouwd als volkeren die uit de toon vielen bij de thuis gangbare beschavingsnormen. Daarbij hoorden ook de machtige rijken die nu ‘oriëntaals’ genoemd werden: de islamitische kalifaten en sultanaten, Perzië, en wat er vagelijk bekend was van India, China en Japan. Naast die barbaarse niet-Europeanen kwamen nu de ‘wilden’ (savages) of ‘natuurvolkeren’ die men aantrof langs de verre kusten van de Atlantische en Stille Oceaan.

Europa onderscheidt zich van hen door van de barbaren te stellen dat ze waren blijven steken in het verleden, en van de ‘wilden’ dat ze ‘primitief’ waren, dat wil zeggen nog steeds niet uit de startblokken waren gekomen van een ontwikkelingsproces dat Europa al lang geleden had doorlopen. Van de Spaanse conquistadores in de Nieuwe Wereld tot de Victoriaanse ontdekkingsreizigers in de Afrikaanse binnenlanden (‘Dr. Livingstone, I presume?’) voert dit superioriteitsgevoel de boventoon.

Aan het begin van de 16e eeuw ziet Europa zichzelf als het centrum van de wereld. Het superioriteitsgevoel berust op een zelfbeeld van voortdurende expansie en vooruitgang. Hans Holbein, ‘De Ambassadeurs’, 1533.
wikimedia commons

Het historisch proces als vooruitgang: het zelfgenoegzame optimisme komt met name in de Verlichting van de 18e eeuw tot bloei. In de Verlichtingsvisie ontworstelt Europa zich dankzij zijn scherpzinnigheid en vermogen tot kritische reflectie aan archaïsche vormen van domheid. Ook de religie zal als bijgeloof uiteindelijk overwonnen worden door een redelijk mensbeeld, waaruit logischerwijs mensenrechten en een verstandige, eerlijke maatschappelijke orde zullen resulteren.

In het imago van Europa zitten dus twee ‘lagen’: een oudere en een recentere. De oude is gevormd in de Middeleeuwen – als onderdeel van een religieuze strijd met de islam – en omvat heel het christelijk Europa, van Moskou tot Granada. Deze laag benadrukt het ‘christelijk erfgoed’. De recentere laag heeft vorm gekregen in de periode 1500-1800 en benadrukt kunsten, wetenschappen en kritisch-emancipatorisch denken. Het omvat vooral het noordwestelijk Europa van de Renaissance, de koloniale expansie, de universiteitsstichtingen en de Verlichting.

Twee dingen worden daarbij duidelijk. Ten eerste: de positie van het orthodoxe Oost-Europa is halfslachtig: het valt wel onder de ene, maar niet onder de andere ‘laag’ van het Europese zelfbeeld. Ten tweede: de combinatie van christelijk erfgoed en Verlichting klontert twee morele modellen samen die eigenlijk op gespannen voet met elkaar staan. Het Europese zelfbeeld is tegenstrijdig, ‘eet van twee walletjes’. Maar dat doen veel nationale imago’s (denk aan de Hollandse koopman/dominee, de Engelse gentleman/hooligan enzovoort). Maar er komt nog een derde laag overheen.

Decadentie en het verlies van onschuld

Al in de 18de eeuw beseffen sommige schrijvers, zoals Choderlos de Laclos (‘Les liaisons dangéreuses’) of de beruchte Marquis de Sade dat de Europese verfijning vaak een laagje fineer is waaronder zich een poel aan immoreel cynisme bevindt. Daar wordt als ideaalbeeld de ‘edele wilde’ tegenover geplaatst, die van nature een bewonderenswaardig moreel besef tentoonspreidt en in harmonische onschuld leeft naar hoogstaande normen en waarden.

Tegen 1900 breekt dat gevoel in brede kringen door. De kritiek op koloniale misstanden, van Multatuli’s ‘Max Havelaar’ tot Joseph Conrads ‘Heart of Darkness’, haalt heldenfiguren zoals Stanley en Livingstone van hun voetstuk. De verfijning en het beschavingsniveau van het oude Europa lijken nu de decadente kasplantjes van een continent dat over zijn hoogtepunt heen is, dat veel verleden heeft en weinig toekomst, veel kunst maar weinig moraal.

In 1945 ligt een groot deel van Europa in puin. De bloedige tragedies van de 20e eeuw scheppen een mentaliteit die omschreven wordt als cynisch, aarzelend en schuldbewust.
wikimedia commons

Lezers gruwen van de schokkende verhalen over uitbuiting en onderdrukking in de koloniën, en de schaduw van genocide zal zich in de 20ste eeuw allengs vanuit die koloniën (Duits-Namibië, 1902) via Armenië (1915-1916) richting Auschwitz uitstrekken.

En er is een nieuwe wereldmacht in opkomst: Amerika. In het eurocentrische wereldbeeld zitten de Verenigde Staten in een win-winpositie (“Amerika, Du hast es besser!” dichtte Goethe al). Het is de erfgenaam van de wetenschappelijke en culturele verworvenheden van het oude continent, maar heeft dankzij zijn ligging in de ‘Nieuwe Wereld’ de jeugd, de energie (en ook een beetje de jeugdige naïviteit) van een samenleving die aan het begin staat van zijn ontwikkelingsproces. Amerika staat voor energiek optimisme, het Avondland Europa voor ironisch-geresigneerd cynisme.

Het is het rolpatroon van de onstuitbare jongeman en de wereldwijze grijsaard. Wanneer in de literatuur en de films van de 20e eeuw Amerikaanse en Europese personages samenkomen, volgt de karakterisering vrijwel altijd dit patroon.

Zelfs in een speech van Dominique de Villepin in de Veiligheidsraad zien we dat patroon terug. In februari 2003 debatteerde men over de aanstaande invasie van Irak. De regering-Bush wilde orde op zaken stellen; Europese regeringen hadden hun twijfels. De Franse minister van Buitenlandse Zaken deelde minzaam-neerbuigend vanuit het ‘oude, met bloed besmeurde continent’ mee dat men in Europa wist hoe de beste bedoelingen tot diepe ellende konden ontaarden, en waarschuwde voor naïef optimisme over de maakbaarheid van een aan Irak militair opgelegde democratie.

Het Europese imago ontleent dus aan de tragische ontsporingen van zijn geschiedenis een derde laag, de laag van het continent dat bitter van zijn fouten heeft moeten leren, dat leeft met de historische slagschaduw van bloedige tragedies.

Het slechte geweten van Europa is bijna een moreel exportproduct geworden; Europa als amoreel continent biedt de spannende huivering van graaf Dracula, de curiekardinalen van Dan Browns The Da Vinci Code, de rauwheid van nietsontziende schurkenfiguren uit de regimes van Stalin en Hitler naast de wijsheid van Tolstoj en Voltaire. Europa is het continent van de complexiteit, de ontoereikendheid van zwart-witsjablonen, het schuldbesef en de cynische ironie.

Het is een complex en tegenstrijdig imago, dat niettemin door toetsing aan literaire bronnen en andere culturele representaties hard te maken is qua historische ontwikkelingsperioden en context van herkomst. De complexiteiten en tegenstrijdigheden vormen een caleidoscoop van gemeenplaatsen en karakterologische elementen.

In verschillende situaties zal de caleidoscoop anders gedraaid worden en verschillende patronen te zien geven: Europa, zoals gecontrasteerd met Amerika, neemt een ander profiel aan dan Europa zoals gecontrasteerd met Turkije, Japan of Nieuw-Guinea. (Technisch gezegd: een zelfbeeld wordt telkens mede bepaald door ‘de ander’ waaraan het wordt gespiegeld, en vice versa.) Maar de bouwstenen zijn te identificeren, te traceren. Mensen dragen als cultureel referentiekader een zwerm associaties mee die tezamen een Europa-beeld vormen.

Dat beeld is een zienswijze, geen feitelijke waarheid. Het levert geen harde informatie over ‘wat of hoe Europa écht is’, maar wel over ‘hoe ertegen aan wordt gekeken’. En die zienswijze, in zijn verschillende waarderingen en verschijningsvormen, kleurt op zijn beurt onze positiebepalingen en onze keuzes. Het is dus zaak om die beeldvorming goed te begrijpen en – waar nodig – te relativeren.

Joep Leerssen is Akademiehoogleraar bij de opleiding Europese Studies aan de Universiteit van Amsterdam. Onlangs verscheen van hem bij uitgeverij Vantilt ‘Spiegelpaleis Europa’, waar bovenstaand artikel op is gebaseerd.

Meer lezen:

  • Norman Davies, Europe. A History, Oxford University Press, 1996
  • Siep Stuurman, De uitvinding van de mensheid, Bert Bakker, 2009
  • M. Beller en J. Leerssen (red.), Imagology. The cultural construction and literary expression of national characters, Rodopi, 2007
  • www.imagologica.eu.
Dit artikel is een publicatie van Geschiedenis Magazine.
© Geschiedenis Magazine, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 10 juni 2011

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.