Je leest:

Taalverlies als spiegel van taalverwerving

Taalverlies als spiegel van taalverwerving

Auteur: | 6 september 2007

Promovenda Merel Keijzer deed onderzoek naar taalverlies bij Nederlandse emigranten in Canada. Het uitgangspunt van haar onderzoek was de regressiehypothese, die stelt dat het proces van taalverlies het omgekeerde is van taalverwerving.

Is taalverlies het spiegelbeeld van taalverwerving? Deze vraag stelde de taalkundige Roman Jakobson al in 1941. Dat de vraag nog steeds actueel is blijkt uit het proefschrift van Merel Keijzer. Hierin wordt de zogenaamde ‘regressiehypothese’ getest onder Nederlandse emigranten in Engelstalig Canada. Keijzer promoveert op 20 september aan de Vrije Universiteit in Amsterdam.

Emigranten

De regressiehypothese van Roman Jakobson stelt dat het proces van taalverlies omgekeerd is aan dat van taalverwerving. Hoe is dit te verklaren? Er bestaan verschillende theorieën over het ontstaan van taal. Over het algemeen wordt ervan uitgegaan dat een deel van ons taalvermogen is aangeboren en een ander deel wordt aangeleerd. Voor de regressiehypothese is de omgevingsfactor vooral van belang. Doordat kinderen steeds opnieuw worden voorzien van talige input vanuit hun omgeving, zijn ze in staat regels te ontdekken en die zelf toe te passen. Wanneer nu het omgekeerde het geval is, dus dat de input juist afneemt, zoals bij emigrantengroepen, treedt taalverlies op.

Deze hypothese is al vaker getest, maar meestal door het taalgebruik van jonge kinderen te vergelijken met dat van afasiepatiënten. Keijzer stelt in haar proefschrift de geschiktheid van deze groepen ter discussie. Afasie treedt namelijk heel plotseling op, terwijl taalverlies en taalverwerving geleidelijk verlopen. Zij koos er daarom voor om Nederlandse emigranten in Canada af te zetten tegen Nederlandse scholieren tussen de 13 en 14 jaar. Deze groepen zijn goed vergelijkbaar, omdat taalverlies onder emigranten subtiel is, terwijl adolescenten hun moedertaal bijna onder de knie hebben, maar nog net niet helemaal.

Dezelfde fouten

In het experiment dat Keijzer uitvoerde, werden verschillende groepen Nederlandstaligen met elkaar vergeleken. Naast de 45 emigranten in Canada en 35 scholieren in Nederland, was er een controlegroep, die bestond uit 45 oudere proefpersonen binnen Nederland. Alle proefpersonen kregen verschillende taken voorgelegd. Zo moesten ze meervouden, verkleinwoorden en verleden tijdsvormen maken op basis van niet-bestaande woorden. In een andere taak moesten ze hun oordeel geven over de grammaticaliteit van een aantal zinnen. Ten slotte werd alle proefpersonen gevraagd een stuk film na te vertellen, zodat ook hun spontane taalgebruik onder de loep genomen kon worden.

Zoals verwacht presteerde de controlegroep op alle fronten het beste van allemaal. Waar het ging om algemene taalvaardigheid, waren de emigranten net iets beter dan de scholieren. Op de individuele onderdelen waren de emigranten en de scholieren goed vergelijkbaar. Vooral met de morfologische taken, het verbuigen van zelfstandig naamwoorden en werkwoorden, maakten beide groepen vergelijkbare fouten. Zo werd de voorkeur gegeven aan de meervoudsuitgang –en, ook wanneer volgens het Nederlandse taalsysteem een –s wordt geschreven. Het nonsenswoord ‘groffel’ werd bijvoorbeeld meestal verbogen tot ‘groffelen’, terwijl ‘groffels’ hier juist is (vergelijk ‘wafels’, ‘buffels’). Ook maakten beide groepen van een sterke verleden tijdsvorm vaak een zwakke vorm, zoals ‘helpten’ in plaats van ‘hielpen’. In beide gevallen hadden de proefpersonen een voorkeur voor de meest voorkomende vormen: meervouden op –en komen vaker voor dan meervouden op –s en zwakke verleden tijdsvormen komen vaker voor dan sterke vormen. Dat beide groepen dezelfde soort fouten maken, is in overeenstemming met de regressiehypothese.

Invloed van het Engels

Op het niveau van de zin werden minder verschillen gevonden tussen de emigranten en de adolescenten. Dit is ook in overeenstemming met de hypothese dat taalverlies het omgekeerde is van taalverwerving. Regels op het woordniveau, zoals meervoudsvorming en verleden tijdsvorming, worden over het algemeen later verworven dan regels op het zinsniveau. Het is daarom niet zo gek dat deze ook als eerste verdwijnen, in een situatie van taalverlies. Toch waren er in het spontane taalgebruik van de emigranten ook al afwijkende zinsstructuren te ontdekken. Dit is vooral te wijten aan de grote invloed van het Engels binnen deze groep. In bijzinnen bijvoorbeeld, werd het werkwoord vaak achter het onderwerp geplaatst, net als in het Engels: Toen zei de man dat hij had geen geld.

De resultaten uit dit onderzoek zijn in overeenstemming met de regressiehypothese. Vooralsnog lijkt het er sterk op dat processen van taalverlies en taalverwerving elkaar spiegelen. Een kanttekening die Keijzer zelf bij het onderzoek plaatst, is dat de proefpersonen niet op lange termijn zijn gevolgd. Dat zou ons wellicht nog meer informatie kunnen geven, maar een dergelijke studie past niet binnen de vier jaar van een promotieonderzoek.

Zie ook:

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 06 september 2007

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.