Je leest:

Taalkunde van de straat

Taalkunde van de straat

Auteur: | 14 april 2007

Deze maand viert de Amerikaanse taalkundige William Labov zijn 75ste verjaardag. Labov wordt wel beschouwd als de vader van de sociolinguïstiek. Wat is dat voor vak? En waarom vraagt Labov mensen of ze weleens het gevoel hadden dat ze bijna dood waren?

“Even kijken of ik het snap”, zei een veertienjarig jongetje ooit tegen de beroemde Amerikaanse taalkundige William Labov, “Jouw baan is dat je kunt reizen waarheen je maar wilt, om met iedereen te praten waarover je maar wilt?” Labov, die op 4 december zijn 75ste verjaardag viert en algemeen wordt beschouwd als een van de belangrijkste taalkundigen ter wereld, kon dat alleen maar beamen.

Labov ziet het sinds het begin van zijn carrière als zijn opdracht om de taalkunde de straat op te brengen. Toen hij in de jaren zestig als jonge onderzoeker begon, viel het hem op dat veel taalkundigen maar een beperkte blik hadden. De taal die ze beschreven was hun eigen taal, de taal van een kleine intellectuele elite. Als een taalkundige een grammaticale constructie juist vond, was die daarmee ook juist. Labov vond dat je ook de taal van de gewone man moet beschrijven. En bij het vaststellen wat die taal precies is, moesten wetenschappelijkere methoden worden gebruikt. Hij wilde dat er goed zou worden nagedacht over de manier waarop mensen over hun taal worden bevraagd, en vond dat er moderne statistische methoden moesten worden gebruikt om die gegevens te verwerken.

Grote aanhang

De vorm van taalkunde die Labov voorstaat, wordt wel ‘sociolinguïstiek’ genoemd, taalkunde met speciale aandacht voor maatschappelijke en sociologische aspecten. Labov heeft zich lange tijd tegen die term verzet. Hij noemde zijn benadering liever gewoon ‘linguïstiek’, want hij had de ambitie om de héle taalkunde te hervormen. Hij vond dat alle taalkunde het echte taalgebruik in de maatschappij moest onderzoeken en dat taalkundigen het zich niet te gemakkelijk mochten maken door zich in hun studeervertrek terug te trekken. Alle taalkundigen moesten de straat op. Dat is niet helemaal werkelijkheid geworden, maar Labov heeft wel over de hele wereld een grote aanhang gekregen.

Labov verklaart zijn voorkeur voor ‘echte taal’ uit het feit dat hij pas laat aan zijn taalkundestudie begon – hij was 33. Voor die tijd had hij allerlei baantjes gehad. Zo had hij onder andere flapteksten geschreven voor een uitgeverij, was hij marktonderzoeker geweest, en inktmaker in een commercieel laboratorium met een specialisatie in het zijdezeefdrukken, waarmee bijvoorbeeld T-shirts en flessen bedrukt kunnen worden. Toen hij uiteindelijk besloot om toch maar taalkunde te gaan studeren, wilde hij die ervaringen gebruiken. Ook taalkundigen moesten het laboratorium in, en het laboratorium, dat was voor taalkundigen de maatschappij.

Paradox

Het valt niet mee om alledaagse taal te onderzoeken. Waar haal je die taal vandaan? Mensen praten anders tegen hun baas dan tegen hun beste vriend. Labov was het meest geïnteresseerd in informeel taalgebruik. Niet omdat dit het enige echte taalgebruik zou zijn, maar omdat het volgens Labov het puurste systeem heeft, een systeem dat niet wordt verpest door allerlei op school aangeleerde ideeën over ‘correcte’ taal. Een taalkundig onderzoeker is slechts zelden de beste vriend van degene die hij wil interviewen. Labov noemde dit de ‘paradox van de observator’ (en andere taalkundigen noemen het de ‘paradox van Labov’): de onderzoeker wil de taal observeren die mensen gebruiken als ze niet geobserveerd worden.

Hij bedacht verschillende manieren om door die paradox heen te breken. Zijn proefschrift ging bijvoorbeeld over taalverschillen in de stad New York. In het New Yorkse dialect wordt een r-klank aan het eind van een lettergreep niet of nauwelijks uitgesproken; mensen zeggen ongeveer [njoe johk]. In de praktijk kennen alle New Yorkers beide varianten en zeggen ze soms [jork] en soms [johk]. Er zijn wel verschillen: hoe lager de sociale klasse van een New Yorker, hoe groter de kans dat hij de r weglaat.

Taalkundige stoelendans

Waarom verandert taal voortdurend? Sinds 1994 is Labov bezig een meerdelig boek te schrijven waarin alle taalkundige, sociologische en psychologische factoren op een rijtje worden gezet: “Principles of Linguistic Change” (‘Principes van taalverandering’). Een van zijn favoriete voorbeelden is een taalkundige stoelendans tussen enkele Engelse klinkers. Die stoelendans is al honderden jaren geleden begonnen, zoals we kunnen zien als we in de Engelse spelling vergelijken met de Engelse uitspraak.

De meeste klinkers werden in het verleden uitgesproken met een wat opener mond. Om de klinker in het Nederlandse woord maat uit te spreken, moet je bijvoorbeeld je mond vrij wijd opendoen. Het Engels heeft, blijkens de spelling mate, ooit dezelfde klinker gehad, maar die is inmiddels gaan klinken als [ee], met een wat dichtere mond. Tegelijkertijd kreeg de [ee] in het Engelse woord metre (dat ooit ongeveer hetzelfde moet hebben geklonken als het Nederlandse meter) een nog iets dichtere mond: [mietr].

Met een dichtere mond dan voor de /e-klank nodig is, kun je geen klanken meer maken, en met die klank gebeurde dan ook iets anders: rite begonnen de Engelstaligen uit te spreken als [rait]. Opvallend genoeg kwam daar de o-klank uit mate dus weer in terug, zodat het bijna is of de klinkers in een kringetje zijn rondgedraaid:

Labov ontdekte dat de stoelendans in veel noordelijke Amerikaanse steden weer een nieuwe ronde lijkt te hebben ingezet. Het woord mate wordt daar bijvoorbeeld al bijna uitgesproken als [miet]. Waarom het Engels kennelijk zo’n voorkeur heeft voor dit kringetje, is vooralsnog een onopgelost raadsel.

Vierde verdieping

Om deze situatie in kaart te brengen, bezocht Labov onder andere een aantal warenhuizen met een verschillend assortiment en een verschillend publiek – in Nederlandse verhoudingen ongeveer de Hema, Vroom & Dreesmann en de Bijenkorf. In elk van die warenhuizen vroeg hij naar een artikel waarvan hij wist dat het te verkrijgen was op de vierde verdieping. Dat zei de winkeljuffrouw dan ook: “on the fourth floor”. “Pardon,” zei Labov dan, “ik heb het niet goed verstaan.” De juffrouw herhaalde het en zo had Labov twee voorbeelden van dezelfde woorden van dezelfde dame, de ene keer wat minder duidelijk uitgesproken en de andere keer wat duidelijker. Hij herhaalde deze procedure met meerdere winkelbediendes in alle drie de warenhuizen en kreeg zo een duidelijk beeld van de sociale verschillen.

Labov bedacht meer van dit soort technieken. Zo liet hij de band soms meelopen voorafgaand aan of na afloop van het ‘echte interview’, omdat de mensen dan nog veel natuurlijker spraken. Ook merkte hij dat hij betrouwbaardere gegevens kreeg als hij de mensen vragen stelde als ‘Hebt u weleens gedacht: “Nu ben ik er geweest”?’ Veel mensen gingen zo op in het verhaal dat ze vervolgens vertelden, dat ze de microfoon helemaal vergaten.

Domme taalfouten

William Labov ontwikkelde zich tot een taalonderzoeker met een buitengewoon brede belangstelling. Hij werd bijvoorbeeld een van de bekendste deskundigen op het gebied van de taal van de zwarten in Amerika, het ‘African American Vernacular English’. Hij schreef een baanbrekend artikel waarin hij aantoonde dat het hier niet ging om een verzameling domme taalfouten, maar om een volwaardig taalsysteem, dat net zo geschikt was om logisch in te redeneren als andere talen. Dat zwarte kinderen op school meer moeite hadden om te leren lezen dan blanke, kwam vooral doordat ze op school een andere taal moesten gebruiken dan thuis, niet doordat ze minder slim waren.

Labov is dit standpunt zijn leven lang blijven vasthouden en heeft zich ook de afgelopen jaren nog geregeld gemengd in het publieke debat over het onderwijs aan zwarte Amerikanen.

Doeltreffende getuigenis

Het is voor Labov heel belangrijk dat zijn werk ook maatschappelijk belang heeft. In een autobiografisch opstel heeft hij eens verteld hoe trots hij was toen hij in 1987 iemand kon bijstaan in een rechtszaak. Een man had een aantal malen een telefonische bommelding gedaan bij het vliegveld van Los Angeles. De politie had daarvoor een New Yorker in hechtenis genomen met als voornaamste reden dat diens stem leek op die van de bommelder. Na een aantal maanden werd Labov gevraagd op te treden als getuigedeskundige. Labov kwam er al snel achter dat de New Yorker nooit de bommeldingen kon hebben gedaan – die waren gedaan met een accent uit Boston.

De meeste Amerikanen kunnen het verschil tussen het New Yorks en het Bostons niet horen, dus Labov moest al zijn wetenschappelijke kennis uit de kast halen. “Het was of mijn hele carrière had plaatsgevonden om in dit geval een zo doeltreffend mogelijke getuigenis af te leggen”, schreef hij er later over. De rechter vond Labovs bewijs zo overtuigend dat hij niet verder naar argumenten van de verdediging wilde luisteren en de man uit New York onmiddellijk vrijsprak. De taalkunde van de straat had een onschuldige man gered.

Dit artikel is een publicatie van Genootschap Onze Taal.
© Genootschap Onze Taal, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 14 april 2007

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.