Je leest:

Taal in stad en land

Taal in stad en land

Auteur: | 4 april 2007

Stadsdialecten zijn razend populair en sommige streektalen zijn sinds kort zelfs officieel erkend. Beleven we werkelijk zoiets als een dialectrenaissance? En hoe verhouden dialect en standaardtaal zich tegenwoordig tot elkaar? Hoe is dat zo gekomen? Een inventarisatie en een terugblik.

Wat is het verschil tussen een taal en een dialect? Taalkundigen nemen op die vraag graag hun toevlucht tot oneliners als ‘Taal is een dialect met een nationale vlag’ of ‘Taal is een dialect met een leger en een vloot.’ Dat lijkt misschien een wat al te gemakkelijke manier om een lastige kwestie te omzeilen, maar zo’n antwoord snijdt wel degelijk hout.

Er bestaat formeel namelijk geen verschil tussen een taal en een dialect. Het onderscheid tussen het Standaardnederlands en een Nederlands dialect ligt in buitentalige zaken: in het feit dat spelling, grammatica en woordkeus van het Standaardnederlands zijn geüniformeerd, vastgelegd en op school worden onderwezen, en dat het Standaardnederlands tot staatstaal is verheven. Standaardtaal en dialect hebben een verschillende maatschappelijke positie en waardering gekregen.

Hoe al die Nederlandse dialecten van de standaardtaal afwijken, is vanaf begin mei goed na te gaan, want dan verschijnen de eerste dertien delen van een nieuwe reeks: ‘Taal in stad en land’. Elk boek gaat in op een bepaalde variëteit, bijvoorbeeld het Rotterdams, Gronings en Haags, maar ook het Zuid-Gelders en het Oost- en West-Brabants.

Gestandaardiseerde schrijftaal

Het verschil tussen standaardtaal en dialecten is dus vooral een statusverschil, dat zich in de loop der jaren heeft ontwikkeld. De reeks staat ook stil bij de manier waarop die ontwikkeling in Nederland is verlopen.

De taal die in de Middeleeuwen werd gesproken, verschilde per regio, stad en zelfs dorp. Er bestonden dus alleen streektalen. Tijdens de Renaissance werd naast de geleerdentaal Latijn steeds vaker de volkstaal, het Diets, gebruikt, zowel in literaire en wetenschappelijke werken als in bijbelvertalingen. De taalverschillen tussen de regio’s bleken hoe langer hoe hinderlijker, vooral toen teksten door de opkomst van de drukpers veel ruimer verspreid gingen worden.

Daarom schiep men geleidelijk een overkoepelende standaardtaal, waarin althans in de geschreven taal de regionale verschillen beperkt werden. Een mijlpaal was de verschijning van de Statenvertaling van de bijbel, in 1637. Vanaf die tijd bestond er een verschil tussen de dialecten, die in een bepaalde streek gesproken werden, en de gestandaardiseerde schrijftaal, die in het hele Nederlandstalige gebied min of meer uniform was.

ABN

Er mocht nu dan een eenheidstaal bestaan, voorlopig bestond die alleen in geschreven vorm. De gesproken taal bleef tot eind negentiende eeuw van streek tot streek verschillen. Halverwege de negentiende eeuw ontstond er een soort beschaafde spreektaal, een gesproken eenheidstaal, die aanvankelijk alleen werd gebruikt door de gegoede burgers. Deze beschaafde spreektaal breidde zich vanuit de Randstad steeds verder uit, ten koste van de dialecten, dankzij onderwijs, grotere mobiliteit, dienstplicht, radio en later televisie. Men ging die standaardtaal Algemeen Beschaafd Nederlands of ABN noemen.

Daarnaast groeiden vanaf ongeveer 1900 de plattelandsdialecten steeds meer naar de standaardtaal toe, of ze pasten zich aan elkaar aan in grotere dialectgebieden, zodat er ‘regiolecten’ ontstonden, bijvoorbeeld binnen delen van het Nedersaksisch en het Zuid-Limburgs.

Stadstalen

Eind negentiende eeuw veranderde ook de positie van de stadsdialecten radicaal. Naast de dikwijls al bestaande tegenstelling tussen stad en platteland ontstonden er nu sociale tegenstellingen binnen de steden zelf. Onder andere als gevolg van de industrialisatie trokken allerlei mensen van het platteland naar de stad, en daar vond een vermenging plaats van de dialecten die ze voorheen spraken, met als resultaat een groepstaal of sociolect, namelijk van de arbeiders. Hier ligt de kiem van de huidige stadstalen zoals het Amsterdams, Haags, Rotterdams en Utrechts.

Na een betrekkelijk korte wordingsperiode kregen de stadsdialecten hun definitieve vorm. In de twintigste eeuw zijn ze over het algemeen minder veranderd dan de plattelandsdialecten, onder andere omdat het leven in de stad minder ingrijpend gewijzigd is dan op het platteland. Maar de stadsdialecten bleven ook niet helemaal hetzelfde; met name die van de Randstad groeiden geleidelijk steeds meer naar de standaardtaal toe. Momenteel wijken ze hiervan eigenlijk vooral nog in klank af. Daarom worden ze ook wel simpelweg ‘accenten’ genoemd.

De stadstalen in het zuiden van het land, zoals het Maastrichts, Roermonds, Venloos en Sittards, vertonen daarentegen nog steeds grote verschillen met de standaardtaal, hoewel ook zij hier steeds meer naartoe groeien. Een belangrijk verschil met de dialecten uit de Randstad is dat de zuidelijke stadstalen nooit het sociolect van een bepaalde klasse zijn geweest. Ze werden altijd door alle lagen van de bevolking gesproken.

Jaren zestig

In de twintigste eeuw keek men tot ongeveer de jaren zestig neer op alle van de standaardtaal afwijkende taalvariëteiten, die men denigrerend ‘plat’ noemde. Onderwijzers en ouders ontmoedigden het gebruik van dit plat.

Toen er in de jaren zestig verzet ontstond tegen het gevestigde gezag, uitte zich dat ook in het taalgebruik, dat vrijer, minder officieel werd. De jonge generatie keerde zich tegen het verzorgde en als formeel beschouwde taalgebruik van de oudere generatie. Er kwam een grote tolerantie voor verschillen in uitspraak en woordkeus, voor informeel taalgebruik en voor het gebruik van dialect. Het verschil tussen spreektaal en schrijftaal werd kleiner. In de jaren negentig werd dankzij internet- en sms-verkeer geschreven spreektaal zelfs normaal.

De emancipatie van de jaren zestig leidde ook tot het ontstaan van allerlei nieuwe groepstalen, zoals jongerentaal, yuppietaal en homotaal. Van belang voor het ontstaan van deze groepstalen is het feit dat jongeren en jongvolwassenen gedurende langere tijd bijeenblijven dankzij de leerplicht (en tot voor kort de dienstplicht), en dat er een sterk groepsgevoel bestaat onder jongeren, dat zich onder andere uit in een eigen woordenschat.

Dialectrenaissance

Een speciale en recente vorm van jongerentaal is straattaal, dat voor het eerst is gesignaleerd in 1997. Straattaal is een groepstaal van jongeren in de steden, een mengtaal met Nederlands als basis, aangevuld met woorden uit het Engels en minderheidstalen zoals Surinaams, Arabisch, Turks en Papiaments. Een variant hiervan is het zogenoemde Murks: de taal van allochtone jongeren die wordt gesproken door autochtone jongeren.

Vanaf de jaren zeventig van de twintigste eeuw zien we een duidelijke opleving van zowel de plattelandsdialecten als de stadsdialecten. Er wordt wel gesproken van een ‘dialectrenaissance’: popgroepen die in dialect zingen zijn erg populair, er verschijnen veel publicaties in en over het dialect, en cabaretiers gebruiken stadstalen en bereiken daarmee een groot publiek.

De aandacht voor streektalen en dialecten is overgenomen door de politiek. Regionale en landelijke overheden bieden financiële steun aan inspanningen ten behoeve van het dialect. Sinds eind jaren tachtig werden er streektaalfunctionarissen benoemd voor het Gronings, het Drents, het Overijssels, het Stellingwerfs, het Zeeuws en het Limburgs. Bovendien zijn in 1996 het Fries en het Nedersaksisch in Nederland officieel erkend als regionale taal, op grond van het Europees Handvest voor Regionale of Minderheidstalen. In 1997 kreeg ook het Limburgs zo’n erkenning.

Verschillen

Hoe staat het in het nieuwe millennium met de dialecten? Wat duidelijk naar voren komt in de deeltjes van Taal in stad en land’ is dat de stadsdialecten over het algemeen minder verschillen van het Standaardnederlands dan de omringende plattelandsdialecten. De stadsdialecten van de Randstad onderscheiden zich het minst van de standaardtaal, en sommige stadsdialecten zijn zelfs vrijwel verdwenen. Het huidige Leids en Nijmeegs bijvoorbeeld wijken nog maar op enkele onderdelen af van het Standaardnederlands: ze hebben enkele speciale klanken of een afwijkende intonatie.

Verder blijkt dat de diverse taalvariëteiten verschillend worden beleefd en gewaardeerd. Dankzij de dialectrenaissance is de status van de dialecten in het algemeen weliswaar verhoogd, maar de waardering van de dialecten onderling loopt flink uiteen. Opvallend is dat vooral de vroeger verguisde stadsdialecten in het westen van het land in bepaalde situaties en in gecultiveerde vorm een hogere status hebben gekregen, zowel binnen de stad zelf als daarbuiten.

Een sterk voorbeeld is het Haags, dat door stripfiguur Haagse Harry een grote populariteit geniet. De statusverhoging van de plattelandsdialecten blijft daarbij over het algemeen achter. Het is interessant om te zien dat er ook in zuidelijk Nederland – waar de waardering en het gebruik van het dialect van oudsher door de hele bevolking werd gedragen – een tegenstelling bestaat tussen het platteland en de stad. In Maastricht bijvoorbeeld kijkt men vaak neer op dialecten van het omringende gebied, die men ‘boers’ noemt.

Maar er is nog iets opvallends. Terwijl de belangstelling voor streektalen zowel bij de bevolking als bij de politiek nog steeds toeneemt, blijkt dat tegelijkertijd het daadwerkelijke gebruik van dialect vrijwel overal gestaag afneemt. Bovendien veranderen alle dialecten, zowel die van het platteland als die van de stad, steeds meer in de richting van de standaardtaal.

Dat lijkt tegenstrijdig, maar misschien hebben die twee verschijnselen wel met elkaar te maken. Want voor velen zal het afkalven van de dialecten bij uitstek een stimulans zijn om zich erover te ontfermen, en te strijden voor het behoud ervan. Maar dat gebeurt dus niet door het zelf te spreken of er kinderen in op te voeden, terwijl dat toch de enige manier is om het dialect te behouden.

Op 1 mei 2002 verschenen bij Sdu Uitgevers de eerste dertien delen van de reeks Taal in stad en land: ‘Amsterdams’, ‘Fries en Stadsfries’, ‘Gronings’, ‘Haags’, ‘Leids’, ‘Maastrichts’, ‘Oost-Brabants’, ‘Rotterdams’, ‘Stellingwerfs’, ‘Utrechts, Veluws en Flevolands’, ‘Venloos, Roermonds en Sittards’, ‘West-Brabants’ en ‘Zuid-Gelderse dialecten’. De deeltjes zijn alleen te koop bij BGN-boekwinkels en kosten € 12,50 per stuk: de dertien delen samen: € 125,-. Meer informatie over de reeks: www.taalinstadenland.nl.

Dit artikel is een publicatie van Genootschap Onze Taal.
© Genootschap Onze Taal, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 04 april 2007

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.