Je leest:

Taal als toegangsbewijs

Taal als toegangsbewijs

Auteur: | 26 mei 2007

Asielzoekers worden geregeld de dupe van ondeugdelijk onderzoek naar hun taal, en dus hun land van herkomst. Een internationale groep van taalwetenschappers vond dat het zo niet langer kon, en stelde enkele richtlijnen op voor immigratiediensten.

Taal is niet alleen een communicatiemiddel, maar ook een kenmerk: het zegt iets over waar je vandaan komt. Dat is handig voor immigratiediensten die zeker willen weten of asielzoekers ook werkelijk afkomstig zijn uit het land dat ze opgeven.

Ook de Nederlandse Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) maakt gebruik van taalanalyse. Een voorbeeld: een Nigeriaan, die in principe geen recht heeft op politiek asiel, komt aan in Nederland en zegt uit Sierra Leone te komen, een land van herkomst dat – wederom in principe – wél recht geeft op asiel. Taalkundig gezien wordt de Nigeriaan bij het voorwenden van zijn valse identiteit een handje geholpen doordat in deze twee landen variëteiten van het Engels worden gesproken die nogal op elkaar lijken: in Nigeria het Nigeriaanse Pidginengels en in Sierra Leone het Krio.

Wrang

De taalanalyse wordt nog verder bemoeilijkt doordat het Krio door lang niet iedereen in Sierra Leone gesproken wordt. Het is weliswaar de lingua franca, maar dat betekent nog niet dat iedereen die taal ook (goed) kent. Volgens het Bureau Land en Taal van de IND (voorheen Bureau Taalanalyse) spreekt 95% van de bevolking Krio. Dat getal is echter niet gebaseerd op enig onderzoek, zoals een telling, maar berust enkel en alleen op een schatting. Niettemin beschouwt de IND het niet spreken van Krio als een belangrijk argument om herkomst uit Sierra Leone te betwijfelen en op grond daarvan asiel te weigeren.

Dit is extra wrang wanneer we weten dat er andere schattingen zijn waarin het percentage Kriosprekers in Sierra Leone niet hoger uitkomt dan zo’n 50%. Doordat de IND afgaat op één enkele schatting, heb je als niet-Kriosprekende Sierra Leoonse asielzoeker dus kans dat je ten onrechte wordt uitgewezen, met alle gevolgen van dien. De taalsituatie in Sierra Leone is absoluut niet uniek: van veel asielzoekers is het heel lastig om op basis van hun taal te bepalen waar ze vandaan komen.

Illustratie: Matthias Giesen

Schade beperken

Omdat het gaat om complexe zaken met verstrekkende gevolgen, is het van het grootste belang dat taalanalyses professioneel en zorgvuldig worden uitgevoerd, maar daar schort het nogal eens aan.

In september 2003 beschreef ik in Onze Taal de IND-rapporten over het Krio die ik onder ogen kreeg. Die bleken te wemelen van de fouten. En ook buiten Nederland komen dergelijke misstanden voor, onder andere in Australië en Zweden. Daarom leek het een internationale groep taalwetenschappers (waartoe ik ook behoor) nuttig en nodig enkele richtlijnen op te stellen die ervoor moeten zorgen dat het gebruik van taalanalyse in asielprocedures aan een aantal minimale eisen voldoet.

Overigens wil ik, om misverstanden te voorkomen, benadrukken dat wij daarmee niet vinden dat taalanalyse het middel bij uitstek is om iemands land van herkomst vast te stellen. Integendeel, als linguïsten zijn wij ervan doordrongen hoe problematisch de relatie tussen moedertaal (of -talen) en land van herkomst soms is. Maar aangezien het instrument nu eenmaal gebruikt wordt, voelen wij ons als taalwetenschappers verplicht de schade zo veel mogelijk te beperken.

Aangezien hier geen ruimte is om alle richtlijnen te bespreken, zal ik me beperken tot de vijf die de kern van de problematiek het meest raken. De eerste twee daarvan zijn:

1. Taal zegt iets over de plaats waar iemand is gesocialiseerd, maar zegt niet per se iets over diens nationaliteit.

2. Verwante variëteiten van een en dezelfde taal worden soms in meer dan één land gesproken.

In het algemeen is er een relatie tussen de plaats waar iemand opgroeit (de zogenoemde plaats van socialisatie) en de taal of talen die hij spreekt, maar dat wil nog niet zeggen dat er ook een relatie bestaat tussen taal en nationalitéít.

Taalkundige gegevens over iemands plaats van socialisatie kunnen dus hooguit helpen bij het vaststellen van iemands nationaliteit, maar ze kunnen die nooit op zichzelf bepalen. Bovendien vallen taalgrenzen lang niet altijd samen met staatsgrenzen: Oost-Armeens wordt bijvoorbeeld zowel in Armenië als in Azerbeidzjan gesproken en Hazargi Dari zowel in Pakistan als in Afghanistan. In dit soort gevallen kun je met behulp van taalanalyse dus alleen de regio bepalen waar iemand vandaan komt, niet het land.

3. Taalanalyse moet worden uitgevoerd door gekwalificeerde linguïsten.

4. De expertise van moedertaalsprekers is niet dezelfde als die van linguïsten.

Deze twee richtlijnen zijn nodig omdat het overgrote deel van alle taalanalyses in de wereld niet wordt uitgevoerd door professionele linguïsten, maar door leken wier belangrijkste kwalificatie is dat ze de taal in kwestie spreken.

Hoewel de door de IND op freelancebasis ingezette taalanalisten een korte training krijgen in het opstellen van zogenoemde taalanalyserapporten, is één blik op die rapporten genoeg om te zien dat deze training nooit veel om het lijf kan hebben. De rapporten wemelen van de transcriptiefouten, inconsistenties, gratuite beweringen, selectieve waarnemingen en ongefundeerde conclusies – en dat alles zonder uitzondering met de grootst mogelijke stelligheid geformuleerd. Ook zien deze taalanalisten er geen been in beweringen te doen over de uitspraak van asielzoekers zonder gebruik te maken van fonetische tekens, met als gevolg dat die beweringen volkomen oncontroleerbaar zijn.

De IND probeert deze rapporten een zweem van wetenschappelijkheid te geven door ze te voorzien van de paraaf van een gediplomeerde taalkundige die aan het Bureau Land en Taal is verbonden, maar dat zegt helemaal niets: over veruit de meeste betrokken talen is bij dit bureau geen enkele expertise aanwezig. Vrijwel alle door het bureau geparafeerde taalanalyserapporten die ik onder ogen heb gehad en waarvan ik de daarbijbehorende gesprekken heb beluisterd (ruim twintig, allemaal het Krio betreffend), bevatten ernstige fouten.

5. Omdat talen en taalvariëteiten elkaar onderling beïnvloeden, mag men er niet van uitgaan dat een spreker in één gesprek altijd een en dezelfde taal of taalvariëteit spreekt.

Talen en taalvariëteiten (dialecten, sociolecten, enz.) staan niet volledig op zichzelf, maar beïnvloeden elkaar voortdurend. Bij asielzoekers gebeurt dat nog meer dan bij bijvoorbeeld West-Europeanen, doordat ze meestal meertalig zijn. Dat wil zeggen dat ze in hun alledaagse communicatie gebruikmaken van twee of meer talen of taalvariëteiten.

De onderlinge beïnvloeding van talen kan zelfs zo ver gaan dat nauwelijks nog te bepalen is of we te maken hebben met een door taal Y beïnvloede taal X of met een door taal X beïnvloede taal Y. Welke desastreuze consequenties een taalanalyse kan hebben waarin dit fundamentele punt over het hoofd wordt gezien, laat zich raden.

Om nog eens terug te komen op het Sierra Leoonse voorbeeld: zoals in een aantal West-Afrikaanse landen is de taalsituatie in dit land wat ‘het Engels’ betreft tamelijk gecompliceerd. De aanhalingstekens in de vorige zin staan er dan ook niet voor niets.

In plaats van een min of meer uniform, gestandaardiseerd Engels bestaat er in Sierra Leone een waaier van taalvariëteiten. Aan het ene uiteinde daarvan vind je Sierra Leoons Engels (min of meer Standaardengels met lokale eigenaardigheden, onder andere in de woordenschat, en met een duidelijk West-Afrikaans accent), terwijl zich aan het andere uiteinde een aan het Engels gerelateerde taal bevindt die voor de gemiddelde spreker van het Engels totaal onverstaanbaar is (het Krio).

Daartussenin zit een groot aantal variëteiten: vormen van Engels met Krio-invloeden, vormen van Krio die wat dichter bij het Engels staan, en allerlei mengvormen van deze twee, die je niet zelden ook nog eens bij een en dezelfde spreker kunt aantreffen, soms binnen één gesprek of zelfs binnen één enkele zin. Het zal duidelijk zijn dat het in een dergelijke situatie heel lastig te bepalen is of iemand wel of niet Krio spreekt, zeker voor een taalanalist die niet taalkundig geschoold is.

De relatie tussen taal en herkomst is dus zeer complex. Hoe groot de druk vanuit politiek en samenleving ook is om ‘het asielprobleem’ op te lossen, het instrument van taalanalyse mag alleen ingezet worden als dat met de grootst mogelijke voorzichtigheid gebeurt.

De volledige tekst (getiteld Guidelines for the Use of Language Analysis in Relation to Questions of National Origin in Refugee Cases), inclusief toelichting, is te vinden op www.iafl.org. Meer wetenschappelijke achtergronden vindt u in The International Journal of Speech, Language, and the Law: Forensic Linguistics (nummer 11 (2), jaargang 2004).

Dit artikel is een publicatie van Genootschap Onze Taal.
© Genootschap Onze Taal, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 26 mei 2007

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.