Je leest:

Supernova’s, bron van leven

Supernova’s, bron van leven

Auteur: | 1 december 2004

Precies vierhonderd jaar geleden zag de Duitse astronoom Johannes Kepler een nieuwe ster opvlammen in het sterrenbeeld Slangendrager. Zulke supernova’s behoren tot de meest energierijke verschijnselen in de kosmos, en ze bieden sterrenkundigen zelfs een kijkje in de vroege evolutie van het heelal.

‘Gaststerren’ werden ze in het Verre Oosten genoemd. Chinese en Koreaanse sterrenkundigen tekenden ze nauwkeurig op in hun kronieken: sterren die van de ene op de andere dag op het hemeltoneel verschenen, in de meeste gevallen veel helderder dan de ‘gewone’ sterren. Sommige nieuwkomers straalden zelfs zo fel dat ze overdag zichtbaar waren. Pas in de loop van vele weken of maanden nam hun lichtkracht af; na verloop van een jaar waren de gaststerren meestal niet langer zichtbaar.

Ruim dertig jaar later, in september 1604, zag ook Tycho’s leerling Johannes Kepler zo’n stella nova, dit keer in het sterrenbeeld Slangendrager. Hoewel de telescoop inmiddels was uitgevonden (enkele jaren daarvoor, in Middelburg), was Kepler nog geheel aangewezen op waarnemingen met het blote oog, zodat hij weinig meer kon doen dan het vastleggen van de positie en de afnemende helderheid van de nieuwe ster.

De aanhangers van het Griekse wereldbeeld wisten niet goed raad met zulke tijdelijke hemellichten. Volgens de Grieken was de sterrenhemel het toonbeeld van bestendige goddelijke volmaaktheid. Voor onaangekondigde nieuwe sterren was daarin geen plaats. Zelfs een revolutionaire denker als Nicolaus Copernicus, die halverwege de zestiende eeuw het heliocentrische wereldbeeld propageerde (met de zon in het middelpunt in plaats van de aarde) zag de sterrenhemel als een onveranderlijk decor waartegen zich de bewegingen van zon, maan en planeten afspeelden.

In november 1572 kon de excentrieke Deense sterrenkundige Tycho Brahe echter niet langer om de feiten heen. In het sterrenbeeld Cassiopeia zag hij een heldere nieuwe ster opvlammen (een stella nova), die in de loop van enkele maanden weer zwakker werd en uiteindelijk uit het zicht verdween. Er was geen twijfel mogelijk dat de nieuwe ster zich echt in het goddelijk geachte bovenmaanse bevond – uit waarnemingen vanaf wijd uiteengelegen plaatsen in Europa leidde Tycho af dat de stella nova veel verder weg stond dan de maan.

Ruim dertig jaar later, in september 1604, zag ook Tycho’s leerling Johannes Kepler zo’n stella nova, dit keer in het sterrenbeeld Slangendrager. Hoewel de telescoop inmiddels was uitgevonden (enkele jaren daarvoor, in Middelburg), was Kepler nog geheel aangewezen op waarnemingen met het blote oog, zodat hij weinig meer kon doen dan het vastleggen van de positie en de afnemende helderheid van de nieuwe ster.

Compositiefoto van het overblijfsel van Keplers supernova uit 1604.

Een explosieve dood

Brahe en Kepler hadden geen flauw benul van wat ze hadden gezien. In de zestiende en zeventiende eeuw was nauwelijks iets bekend over de ware aard van sterren, en het idee dat elke ster aan de hemel in feite een ver verwijderde zon is, werd door velen nog beschouwd als ketterse nieuwlichterij. En wat ze ook nooit hebben geweten, is dat het niet de geboorte van een nieuwe ster was waar ze getuige van waren, maar de gewelddadige dood van een ster die vele malen zo zwaar was als onze eigen zon.

Begin twintigste eeuw werd duidelijk dat er twee soorten ‘nieuwe sterren’ (nova’s) bestaan, die een verschillend helderheidsverloop vertonen. De krachtigste nova’s werden in 1932 ’supernova’s’ genoemd door de Zweedse astronoom Knut Lundmark. Die term raakte twee jaar later in zwang dankzij een artikel van de Amerikaanse sterrenkundigen Walter Baade en Fritz Zwicky. Baade en Zwicky rekenden voor dat zware sterren aan het eind van hun leven uiteenspatten. Bij zo’n explosie komt zo enorm veel energie vrij, dat je de supernova op vele tienduizenden lichtjaren afstand nog gemakkelijk met het blote oog kunt zien.

Het was een opmerkelijk inzicht, want in 1934 was de precieze energiebron van de zon nog niet eens bekend. Inmiddels weten sterrenkundigen vrij nauwkeurig hoe sterren worden geboren, waar ze hun energie vandaan halen, hoe ze in de loop van miljoenen of miljarden jaren evolueren, en op welke manier ze aan hun eind komen. Sterren zijn kolossale bollen van gloeiend heet gas, voornamelijk waterstof en helium, de twee lichtste elementen in het heelal. Door de hoge druk en temperatuur in het binnenste treden er spontaan kernfusiereacties op, waarbij waterstof wordt omgezet in helium, helium in koolstof, enzovoort. De energie die bij die fusiereacties vrijkomt, wordt aan het oppervlak van de ster uitgestraald in de vorm van licht en warmte.

Bij relatief lichte sterren, zoals de zon, komen die fusiereacties na verloop van tijd tot stilstand. De kern van de ster bestaat dan uit koolstof en zuurstof, en de temperatuur en druk in de kern worden nooit hoog genoeg om nieuwe fusiereacties op gang te brengen. Zo’n opgebrande ster stort onder zijn eigen gewicht ineen tot een witte dwerg – een supercompacte, hete gasbol die nauwelijks groter is dan de aarde. Bij veel zwaardere sterren treden wél nieuwe fusiereacties op, en ontstaat uiteindelijk een kern waarin siliciumatomen samensmelten tot ijzeratomen, onder een druk van twee à drie miljard graden.

Omdat ijzer het stabielste element in de natuur is, smelten ijzeratomen niet spontaan samen tot nóg zwaardere atoomkernen. De kernreacties in het sterinwendige komen eindelijk tot stilstand; de inwendige druk – opgewekt door een estafette van steeds sneller verlopende fusiereacties – valt definitief weg, en de ster stort volledig ineen onder haar eigen gewicht. De kern van de ster krimpt in een fractie van een seconde ineen tot een neutronenster (een supercompacte bal die zwaarder is dan de zon maar niet groter dan enkele tientallen kilometers), en de buitenlagen van de ster storten met geweldige snelheden naar binnen.

Op de een of andere manier wordt die implosie van de ster na korte tijd omgezet in een explosie – deels doordat de temperatuur van het sterregas enorm toeneemt zodat er overal nieuwe kernreacties optreden (waarbij nog veel zwaardere elementen ontstaan dan ijzer), en deels door een enorme vloedgolf aan neutrino’s die afkomstig is uit de kern: spookachtige deeltjes die geen elektrische lading en vrijwel geen massa hebben, en die ontstaan bij de vorming van de neutronenster. Zonder de bijdrage van deze neutrino-tsunami zou de sterexplosie misschien nooit goed op gang komen.

Een bizar stoffelijk overschot

Bij de supernova-explosie ontstaan grote hoeveelheden radioactieve elementen, waaronder nikkel-56, dat in de loop van enkele maanden vervalt tot kobalt en ijzer. Bij dat radioactieve verval komt zo veel energie vrij dat de sterexplosie bijna even helder kan zijn als een compleet sterrenstelsel van honderd miljard sterren. Maar van de ster blijft niet veel over: de buitenlagen worden met hoge snelheid het heelal ingeblazen – er ontstaat een uitdijende nevel die in de loop van de tijd steeds ijler en zwakker wordt – terwijl de kern ineenstort tot een bizar ‘stoffelijk overschot’.

Illustratie van een röntgendubbelster.

Zulke neutronensterren – ze worden zo genoemd omdat ze uit stijf opeengepakte neutronen bestaan – hebben dichtheden van pakweg honderd miljoen ton per kubieke centimeter. Ze zijn bijzonder klein, en zenden praktisch geen zichtbaar licht uit. De enige manier waarop ze hun bestaan verraden is door middel van hun sterke zwaartekrachtsveld of hun supersnelle rotatie. In het eerste geval moet de neutronenster deel uitmaken van een dubbelstersysteem. Hij slokt dan materie op van zijn begeleider, die wél zichtbaar is. Dat gas wordt sterk verhit, zodat het röntgenstraling uitzendt. Sterrenkundigen hebben veel van zulke röntgendubbelsterren ontdekt, en in de meeste gevallen wordt er nauwelijks aan getwijfeld dat de onzichtbare component van de dubbelster een neutronenster is.

Neutronensterren die in hun eentje door het leven gaan, kunnen soms ook vanaf de aarde worden ontdekt. Door het plotselinge ineenkrimpen draaien de neutronensterren zeer snel om hun as en hebben ze een extreem sterk magnetisch veld. Aan de magnetische polen van de neutronenster worden bundels van energierijke straling de ruimte in geblazen, die als de lichtbundels van een vuurtoren door het heelal zwiepen. Bevindt de aarde zich toevallig in de baan van zo’n rondzwiepende bundel, dan kan de neutronenster waargenomen worden als pulsar (pulsating star) – een kosmische knipperbol die tientallen of zelfs honderden malen per seconde aan- en uitfloept.

Er zijn ruim duizend pulsars bekend in ons Melkwegstelsel – stuk voor stuk de ineengeschrompelde resten van zware sterren die op catastrofale wijze aan het eind van hun leven zijn gekomen. De meeste pulsars zijn ontdekt met radiotelescopen, maar sommige zijn ook waargenomen in zichtbaar licht of op röntgengolflengten. Vorig jaar werd zelfs een echte dubbelpulsar ontdekt: twee knipperbollen die in hoog tempo om elkaar heen draaien. Vanwege de extreme dichtheden en versnellingen biedt zo’n dubbelpulsar een unieke gelegenheid om de voorspellingen van de relativiteitstheorie in detail te testen.

Uitdijende schillen gas

Minstens zo interessant zijn de uitdijende nevelresten die bij de supernova-explosie de ruimte in geblazen worden. De bekendste supernovarest is de Krabnevel in het sterrenbeeld Stier, waarvan de Leidse geleerden Jan Hendrik Oort en J.J.L. Duyvendak halverwege de vorige eeuw als eersten aantoonden dat hij het overblijfsel vormt van een sterexplosie die in het jaar 1054 is opgetekend door Chinese en Koreaanse kroniekschrijvers. De grillig gevormde nevel dijt nog steeds uit met een snelheid van duizenden kilometers per seconde.

Ook op de plaats waar Tycho Brahe en Johannes Kepler ‘nieuwe sterren’ zagen opvlammen, zijn nu supernovaresten zichtbaar. De jongste supernovarest in het Melkwegstelsel is Cassiopeia A (tevens een heldere bron van radiostraling). Metingen van de expansiesnelheid doen vermoeden dat hij ontstond bij een sterexplosie in de tweede helft van de zeventiende eeuw. Om onduidelijke reden is er in die periode geen heldere supernova waargenomen; misschien werd de sterexplosie aan het zicht onttrokken door dichte stofwolken in het Melkwegstelsel.

Dankzij nieuwe telescopen op aarde en in de ruimte zijn supernovaresten de laatste jaren gedetailleerd bestudeerd, niet alleen in zichtbaar licht, maar ook op infrarode golflengten (warmtestraling) en in röntgenstraling. Röntgenstraling wordt uitgezonden door gas met een temperatuur van miljoenen graden, dus zulke waarnemingen laten zien waar de uitdijende supernovarest in botsing komt met de ijle interstellaire materie. Onderzoek aan die schokgolven biedt veel informatie over de structuur en de dynamica van de supernovarest. Infraroodwaarnemingen maken het mogelijk om de ruimtelijke verdeling van bepaalde moleculen te onderzoeken, en stellen sterrenkundigen bovendien in staat om dwars door absorberende stofwolken heen te kijken.

Drie grote vliegende sterrenwachten van de Amerikaanse ruimtevaartorganisatie NASA hebben de afgelopen maanden een aantal supernovaresten zeer gedetailleerd onderzocht: de Hubble Space Telescope, die waarnemingen doet in zichtbaar licht, de Spitzer Space Telescope (infraroodstraling) en het Chandra X-ray Observatory (röntgenstraling). Ook gevoelige radiotelescopen op de grond worden gebruikt voor het onderzoek aan supernovaresten. Vanwege hun extreem grote gezichtsscherpte zijn ze zelfs in staat om pasgevormde supernovaresten in andere sterrenstelsels in kaart te brengen, en metingen te doen aan de uitdijingssnelheid.

Als een zon in tien miljard jaar

De belangstelling voor supernova’s en supernovaresten is de laatste jaren enorm toegenomen, omdat er waarschijnlijk een relatie bestaat met de zogeheten gammaflitsen. Dat zijn korte, extreem energierijke uitbarstingen van hoogenergetische gammastraling, die gemiddeld één maal per etmaal ergens aan de sterrenhemel plaatsvinden. Gammaflitsen werden in de jaren zestig al ontdekt door Amerikaanse spionagesatellieten, maar pas in 1997 maakten waarnemingen van de Italiaans-Nederlandse kunstmaan BeppoSAX duidelijk dat het om geweldige explosies op miljarden lichtjaren afstand gaat.

Gammaflitsen herbergen nog vele raadsels, maar tegenwoordig wordt algemeen aangenomen dat ze ontstaan bij de catastrofale explosie van extreem zware, snel roterende sterren, waarbij de kern van de ster niet ineenstort tot een neutronenster, maar tot een zwart gat – een gebied in de ruimte waar de zwaartekracht zo sterk is dat er zelfs geen licht uit kan ontsnappen. Door de snelle rotatie slingert de stervende ster twee zeer smalle bundels materie de ruimte in, met een snelheid die bijna gelijk is aan de lichtsnelheid. Schokgolven in die bundels produceren de waargenomen gammastraling.

Lange tijd leek alles erop te wijzen dat gammaflitsen veel energierijker zijn dan supernova-explosies. Inmiddels staat vast dat dat niet het geval is. We zien zo’n flits alleen wanneer een van de twee bundels toevallig in onze richting wijst; in andere richtingen wordt veel minder straling uitgezonden. Tegenwoordig denken sterrenkundigen dat gammaflitsen en supernova-explosies ongeveer even krachtig zijn, en gemiddeld zo’n 1051 erg aan energie produceren – ongeveer evenveel als de zon in tien miljard jaar uitstraalt. Waarschijnlijk zijn beide verschijnselen veel sterker aan elkaar verwant dan tot nu toe altijd is aangenomen.

Inmiddels zijn er inderdaad een handvol gammaflitsen ontdekt die ook supernova-achtige kenmerken te zien gaven, zoals een helderheidsverloop waaruit de aanwezigheid van grote hoeveelheden radioactief nikkel kan worden afgeleid, en spectroscopische aanwijzingen voor de aanwezigheid van ijzer en andere zware elementen. Misschien gaat elke gammaflits wel gepaard met een supernova-explosie, en volgens sommige astronomen wordt zelfs bij elke supernova een gammaflits geproduceerd. De meeste daarvan zien we echter niet, omdat de gammabundels de verkeerde kant op wijzen.

Was de Ster van Bethlehem een supernova? Vierhonderd jaar geleden, in het najaar van 1604, zag Johannes Kepler een supernova opvlammen in het sterrenbeeld Slangendrager. Kort daarvoor had hij in dezelfde hemelstreek een opmerkelijke drievoudige samenstand waargenomen van de planeten Mars, Jupiter en Saturnus. Kepler, die veel waarde hechtte aan mystiek en zelfs horoscopen trok voor de keizer, was ervan overtuigd dat de stella nova op de een of andere manier was ‘veroorzaakt’ door de planeetsamenstand. Met behulp van de wetten van de planeetbeweging, die hij inmiddels had opgesteld, berekende Kepler dat er in het jaar 7 vor Christus een soortgelijke drievoudige planeetsamenstand had plaatsgevonden. Volgens Kepler was het niet uitgesloten dat die samenstand óók een stella nova had geproduceerd, en die ‘nieuwe ster’ zou misschien de verklaring zijn voor het bijbelverhaal over de Ster van Bethlehem.Tegenwoordig weten we dat planeetsamenstanden en supernova-explosies niets met elkaar te maken hebben, en de theorie dat de Ster van Bethlehem een supernova is geweest, wordt door vrijwel niemand meer serieus genomen, al was het maar omdat oosterse astronomen rond die tijd geen melding maakten van nieuwe ‘gaststerren’. Als het bijbelverhaal echt zijn oorsprong vindt in een reëel verschijnsel aan de sterrenhemel, is het eerder de planeetsamenstand zélf die in aanmerking komt. Babylonische astronomen kenden een grote voorspellende waarde toe aan de bewegingen van de planeten, en opmerkelijke samenstanden werden gezien als goede of slechte voortekenen. Ook in de zomer van het jaar 2 voor Christus vond een zeer bijzondere samenstand plaats, van de heldere planeten Venus en Jupiter.

Witte dwergen knallen uit elkaar

De supernova’s die tot nu toe de revue passeerden, ontstaan bij de catastrofale ineenstorting van de kern van een zware ster; het zijn de zogeheten kerncollaps-supernova’s. Daarnaast bestaan er nog supernova’s van een ander type (type Ia), die optreden in dubbelstersystemen. Een van de componenten van de dubbelster is een witte dwerg (het kleine, compacte overblijfsel van een ster zoals onze eigen zon); de andere is een rode reus. Wanneer de witte dwerg met zijn sterke zwaartekrachtsveld gas opzuigt van zijn begeleider, wordt hij steeds zwaarder, en uiteindelijk kunnen de opeengepakte atomen in de kern van de ster de druk niet langer aan. De sterkern stort dan ineen tot een neutronenster, en ook in dit geval spat de ster uit elkaar.

Het bijzondere aan type Ia-supernova’s is dat ze allemaal ongeveer even helder zijn. Witte dwergen kunnen nu eenmaal niet zwaarder worden dan 1,4 maal de massa van de zon; zodra die limiet wordt overschreden, vindt de supernova-explosie plaats. Met andere woorden: alle type Ia-supernova’s zijn gelijk, waardoor sterrenkundigen ze uitstekend kunnen gebruiken als kosmische ijkpunten: door de waargenomen helderheid van een type Ia-supernova te vergelijken met de bekende energieproductie, kun je gemakkelijk de afstand tot de exploderende ster berekenen.

Sinds het eind van de jaren negentig maken kosmologen dankbaar gebruik van deze eigenschap om onderzoek te doen aan de uitdijingsgeschiedenis van het heelal. Met geautomatiseerde telescopen worden type Ia-supernova’s opgespoord in ver verwijderde sterrenstelsels. Als je elke nacht maar genoeg sterrenstelsels in het oog houdt, is de kans vrij groot dat er in één van die tienduizenden stelsels net die nacht een supernova afgaat. De nieuw ontdekte supernova’s worden vervolgens met grote telescopen in detail bestudeerd. Uit de gemeten piekhelderheid kan de afstand tot de supernova worden afgeleid, en uit de roodverschuiving kunnen sterrenkundigen berekenen hoe lang het licht van de explosie onderweg is geweest om de aarde te bereiken.

Het heelal dijt steeds sneller uit

In een heelal dat met constante snelheid uitdijt, is er een rechtevenredig verband tussen die twee gegevens: als de ene supernova tweemaal zo ver weg staat als de andere, is het licht van die verre supernova ook tweemaal zo lang onderweg voordat het op aarde aankomt. In de praktijk blijkt het verband tussen die twee grootheden echter niet precies lineair te zijn, en door onderzoek aan honderden ver verwijderde supernova’s kun je op die manier de uitdijingsgeschiedenis van het heelal op het spoor komen.

Sterrenkundigen hadden verwacht te ontdekken dat het heelal langgeleden sneller uitdijde dan nu. De huidige uitdijing van het heelal wordt immers afgeremd door de zwaartekracht van alle materie in het universum. Tot ieders verbazing werd echter ontdekt dat de uitdijingssnelheid enkele miljarden jaren geleden kleiner was dan de huidige uitdijingssnelheid. Anders gezegd: er is sprake van een versnellende uitdijing. Die opzienbarende conclusie werd in 1998 door het Amerikaanse weekblad Science uitgeroepen tot wetenschappelijke doorbraak van het jaar. Tegenwoordig wordt algemeen aangenomen dat er in de lege ruimte sprake is van een mysterieuze ‘donkere energie’ die de oorzaak is van deze versnellende uitdijing.

Onderzoek aan supernova’s en hun overblijfselen heeft dus niet alleen veel nieuwe informatie opgeleverd over de levensloop van zware sterren, de dynamica van de interstellaire materie en de bizarre eigenschappen van neutronensterren en zwarte gaten; de sterexplosies stellen astronomen ook in staat een blik te werpen in de geschiedenis van het heelal en uitspraken te doen over de nog steeds slecht begrepen eigenschappen van de lege ruimte. Dat zijn toepassingen die Chinese kroniekschrijvers en Renaissance-astronomen als Brahe en Kepler nooit hadden kunnen voorzien.

Stof zijt gij…

Nog veel wonderlijker is het gegeven dat supernova-explosies van kardinaal belang zijn geweest in de evolutie van het heelal, de wordingsgeschiedenis van het zonnestelsel en het ontstaan van leven. Bij de geboorte van het heelal, een kleine 14 miljard jaar geleden, bestond het vrijwel uitsluitend uit de lichte elementen waterstof en helium. Alle zwaardere elementen (afgezien van een klein beetje lithium en deuterium) zijn ontstaan in het hete inwendige van eerdere generaties sterren. Zonder het geweld van supernova-explosies zouden de meeste van die zware elementen voorgoed opgesloten zitten in de gedegenereerde kernen van uitgedoofde sterren.

Zonder sterevolutie en supernova-explosies zouden er dus geen zware elementen in het heelal voorkomen, en zou de aarde (met zijn kern van ijzer en nikkel en zijn mantel van gesteenten) nooit zijn ontstaan. En zonder supernova-explosies was er nooit voldoende koolstof, zuurstof en stikstof voorhanden geweest voor de vorming van de eerste organische moleculen. Wij bestaan uit sterrenstof dat miljarden jaren geleden de ruimte in werd geblazen bij energierijke sterexplosies, en we hebben ons bestaan indirect te danken aan de ‘nieuwe sterren’ die met gepaste regelmaat in het Melkwegstelsel opvlammen.

Supernova 1987A. Op 23 februari 1987 ontdekte de Canadese astronoom Ian Shelton een nieuwe ster in de Grote Magelhaense Wolk, een begeleider van ons eigen sterrenstelsels, op een afstand van ca. 168.000 lichtjaar. De supernova bleef ondanks die enorme afstand enkele maanden lang met het blote oog zichtbaar. Sinds de ‘nieuwe ster’ van Johannes Kepler, in 1604, was dit de eerste supernova in de directe omgeving van ons eigen Melkwegstelsel – alle andere supernova’s die de afgelopen eeuwen zijn ontdekt, vonden plaats in andere sterrenstelsels op tientallen miljoenen lichtjaren afstand. Supernova 1987A, zoals hij wordt genoemd, is de best bestudeerde supernova in de geschiedenis. Van zeer groot belang was de waarneming in verschillende neutrinodetectoren op aarde van energierijke neutrino’s die bij de supernova-uitbarsting waren vrijgekomen. Die neutrino’s waren wel voorspeld, maar nog nooit gezien. Uit de metingen kon nieuwe informatie worden afgeleid over de maximaal mogelijke massa van neutrino’s. Daarnaast boden de waarnemingen een overtuigende bevestiging van de juistheid van de astrofysische theorieën die de evolutie van zware sterren en de vorming van zware elementen beschrijven. Supernova 1987A was om nog een andere reden heel bijzonder. Op oude foto’s van de Grote Magelhaense Wolk wisten sterrenkundigen de ontplofte ster te identificeren. Tot ieders verbazing bleek dat geen rode reuzenster te zijn, maar een hete blauwe reus. Kennelijk had de ster in de aanloop naar de explosie (in de afgelopen duizenden jaren) al grote hoeveelheden materie de ruimte in geblazen, waardoor de hetere binnenmantel zichtbaar werd. Die eerder uitgestoten materie werd enige tijd na de explosie zichtbaar, doordat het gas opnieuw tot gloeien werd gebracht door de energierijke straling van de supernova. Nog steeds wordt supernova 1987A (of wat daarvan over is) nauwgezet in het oog gehouden door sterrenkundigen. Iedereen is bijvoorbeeld erg benieuwd of de supernova een neutronenster of een zwart gat heeft achtergelaten. Als röntgentelescopen er in slagen om het bestaan van een neutronenster op de plaats van de explosie aan te tonen, is dat de jongst bekende neutronenster in het heelal.

Dit artikel is eerder verschenen in de Volkskrant

Meer weten?

Dit artikel is een publicatie van Allesoversterrenkunde.nl.
© Allesoversterrenkunde.nl, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 01 december 2004

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.