Je leest:

Strategisch stemgedrag

Strategisch stemgedrag

Vaak wordt verondersteld dat Nederlanders niet strategisch stemmen omdat bijna elke stem wel in zetels omgezet wordt. Wij Nederlanders hebben echter onze eigen redenen om soms toch niet op onze voorkeurspartij te stemmen.

Bij strategisch stemmen gaat het erom dat de stem wordt gegeven aan een partij of kandidaat die als zodanig niet de grootste voorkeur geniet. De stem gaat naar een andere, een tweede keus. Hieraan kunnen verschillende redenen ten grondslag liggen.

Sommige mensen zouden niet op hun voorkeurspartij gestemd hebben, maar zo gestemd hebben dat er een centrumrechts kabinet kwam.

In de literatuur wordt strategisch of tactisch stemgedrag vooral verklaard vanuit de wens van de kiezer om zijn stem niet te verspillen, het wasted vote-argument. Kiezers zouden hun stem niet willen geven aan een partij die niet gaat winnen, hoogst waarschijnlijk niet kan winnen. Denk aan een systeem waarin twee grote en een veel kleinere partij strijden om een enkele zetel. Dan zou de stem voor die derde, kleine partij zijn weggegooid. Het is duidelijk dat deze overweging van belang is voor een land als Engeland, met een districtenstelsel en meerderheidssysteem en inderdaad de aanwezigheid van twee dominante partijen, plus een derde partij.

Voor Nederland is die verspilde stem echter van minder belang. Nederland heeft een van de meest evenredige kiesstelsels ter wereld, en in die stelsels worden zo goed als alle stemmen in zetels omgezet. Op 22 januari 2003 bijvoorbeeld werden in totaal 127.093 stemmen uitgebracht op partijen die geen zetel in de Tweede Kamer wisten te behalen. Dat is niet meer dan 1,3 procent van alle geldige stemmen. In veel onderzoek naar strategisch stemgedrag worden proportionele stelsels als het Nederlandse dan ook overgeslagen, simpelweg omdat strategisch stemgedrag er toch niet zou voorkomen. Een direct gevolg van de institutionele vormgeving van de verkiezingen.

Strategisch stemgedrag komt echter wel degelijk in Neder¬land voor, zij het in een wat andere dan de meest bekende variant. Niet omdat kiezers geen stem willen verspillen. Wèl omdat verkiezingen uiteindelijk gaan over de verdeling van macht en het kiezen van een nieuwe regeringscoalitie. Kiezers die Tweede-Kamerverkiezingen zien als pas een eerste stap op weg naar een nieuw kabinet, lijken zich in Nederland strategisch te gedragen. Zij zien verkiezingen als een gefaseerd proces, waarbij die eerste stap richting Tweede Kamer niet eens de belangrijkste is. Zij kijken als het ware over die verkiezingen heen naar de politieke gevolgen ervan. Zij trachten bij het maken van de keuze met die gevolgen rekening te houden.

Small

Dit trouwens tot verdriet van de kleinere partijen, die meestal geen rol spelen in die cruciale slotfase van verkiezingen, de kabinetsformatie. De kleine partijen verliezen een deel van hun eerder gepeilde aanhang niet omdat ze klein zijn, maar omdat ze naar verwachting geen rol spelen in onderhandelingen over een nieuw te vormen kabinet. Het gaat strategische kiezers om de macht, en zij zien die in handen van het kabinet, niet in die van de Tweede Kamer. De institutionele ordening van Nederland roept aldus zijn eigen vorm van strategisch stemmen op.

Er was één wel heel bijzondere respondent van het Nederlands Kiezersonderzoek 2002 die niet alleen op de Kamerverkiezingen lette en de min of meer directe gevolgen ervan, maar die veel verder, en buitengewoon scherp vooruit keek. Deze LPF-kiezer gaf als reden voor zijn keuze van 15 mei 2002: “Om de LPF groot te maken, zodat de LPF aan de regering deel zal moeten nemen. We zullen dan binnen 1 jaar nieuwe verkiezingen krijgen, waarna een en ander weer tot rust kan komen. Maar wel met nieuw politiek elan.”

Stemmen is vooruitzien

Waarom aandacht voor strategisch stemmen? Om aan te geven dat een bepaalde omgeving specifieke gedragsuitingen genereert. Maar ook om aan te geven dat gevestigde, stabiele instituties interessante bewegingen verhullen. Dat is namelijk het geval bij strategisch stemgedrag.

Dat gedrag vindt plaats in een heel bepaalde situatie, bij één verkiezing. Strategisch stemgedrag is contextgebonden. In het ene geval zien de politieke krachtsverhoudingen er in de aanloop van verkiezingen zo uit, dat een kiezer gewoon op zijn favoriete partij kan stemmen. De gewenste coalitie komt er toch wel. Maar bij een volgende verkiezing, in een andere situatie kan het zo zijn dat de ontwikkeling die diezelfde kiezer meent te zien hem niet zint. Er zou wel eens een kabinet kunnen komen waarvan hij volstrekt niet weten wil. Dan is een strategische stem mogelijk, in een heldhaftige poging om het politieke lot te beïnvloeden. Dat houdt in dat een en dezelfde kiezer met een gelijkblijvende politieke voorkeur bij opeenvolgende verkiezingen van partijkeuze verandert.

Andre Rouvoet van de Christen Unie. Vooral kleine partijen kunnen stemmen mislopen als mensen strategisch stemmen.

Bij afzonderlijke Tweede-Kamerverkiezingen levert onderzoek naar strategisch gedrag slechts een momentopname op. Dat betekent ook dat er per verkiezing veel minder strategisch stemgedrag is dan er in totaal aan strategische kiezers zijn. Afhankelijk van de specifieke context zal namelijk altijd maar een deel van de kiezers die in beginsel bereid en in staat zijn strategisch te stemmen dat daadwerkelijk doen. Nederland kent kortom een aanzienlijke groep strategische stemmers, geschat op ongeveer een kwart van alle kiesgerechtigden, maar kent van verkiezing op verkiezing een bescheidener hoeveelheid strategisch stemgedrag. De op enig moment bestaande context, institutioneel maar ook politiek, is van belang.

Strategisch stemmen is daarmee even boeiend als lastig voor kiezersonderzoekers. Boeiend, bijvoorbeeld omdat het iets zegt over de institutionele ordening van het bestel en problematische kanten ervan. De eerste en eenvoudigste eis die aan ver¬kiezingen gesteld kan worden, is immers dat zij ervoor zorgen dat vacante posities of ambten worden bezet. Daarin slagen de meeste verkiezingen, en ook de Tweede Kamer telt na elke verkiezing weer de grondwettelijk vereiste 150 leden. Maar als de lat hoger wordt gelegd en als als functie van verkiezingen wordt gezien het kiezen van een regering, van de uitvoerende macht, dan worden Tweede-Kamerverkiezingen een probleem. Immers, de Nederlandse kiezer kiest niet direct een regering of kabinet en verkiezingen worden dan ook steevast gevolgd door een, zacht gezegd, weinig helder en voorspelbaar proces van kabinetsformatie. Zó bezien, gelet op de verdeling en toedeling van macht, zijn Kamerverkiezingen een mislukking.

Het aardige en dappere van strategische stemmers is nu juist dat zij, zoals we zagen, proberen om deze in hun ogen institutionele weeffout te herstellen. Zij proberen wel degelijk met hun stem de regering te kiezen, precies volgens de aanname van Downs met betrekking tot het gedrag van rationele kiezers. En hoewel vergelijkbare gegevens voor het verleden ontbreken, lijkt het er sterk op dat steeds meer kiezers op een dergelijke manier hun keuze bepalen. Binnen een gegeven institutioneel kader verandert aldus een groeiend deel van het electoraat van interpretatie van dat kader, en als gevolg daarvan mogelijk van stemgedrag.

Ten tweede, en los van de vraag wat het eventueel zou zeggen over het stelsel, vormen strategische kiezers een extra puzzel voor kiezersonderzoekers. Eigenlijk een beetje vervelende puzzel, omdat de stilzwijgende afspraak tussen kiezers en kiezersonderzoekers wordt doorbroken. Die afspraak is toch dat kiezers bij verkiezingen op die partij of kandidaat stemmen voor wie de grootste voorkeur bestaat. Strategische kiezers maken een ‘hinderlijke’ inbreuk op dat idee dat zij zich in deze zin oprecht gedragen. Zij geven zoals gezegd hun stem aan een andere dan hun voorkeurspartij, om redenen die buiten de directe electorale context zijn gelegen. Concreet: bij een Nederlandse strategische kiezer gaat het helemaal niet, of in ieder geval niet helemaal, om de Tweede Kamer als hij stemt bij Tweede-Kamerverkiezingen! De kiezersonderzoeker die zo’n keuze wil verklaren, moet – net als die kiezer – verder en elders kijken. Hij moet ruimer zoeken, ook en vooral binnen de institutionele omgeving, naar factoren om die op het eerste gezicht merkwaardige keuze te kunnen begrijpen. De kiezersonderzoeker zal de strategische kiezer, met al zijn schijnbewegingen, moeten proberen te volgen.

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 18 juli 2006

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

LEES EN DRAAG BIJ AAN DE DISCUSSIE