Je leest:

Stilt opwinding de pijn?

Stilt opwinding de pijn?

Auteur: | 11 juli 2003

Veel vrouwen hebben last van pijn bij het vrijen. Toch krijgen deze pijnklachten maar weinig aandacht van de wetenschap, vindt psycholoog-onderzoeker Marieke Brauer. “Vaak ontbreekt een aanwijsbare lichamelijke oorzaak. Dat maakt onderzoek lastig.” Brauer onderzoekt momenteel het verband tussen deze pijnklachten en seksuele opwinding.

“Af en toe pijn bij tijdens de gemeenschap is normaal. De meeste vrouwen hebben daar wel eens last van, bijvoorbeeld door een infectie. Maar sommige vrouwen hebben altíjd pijn bij het vrijen. Cijfers ontbreken, maar waarschijnlijk gaat het om een grote groep.

We hebben eens een onderzoekje gedaan onder patiënten op de poli gynaecologie van het LUMC: zo’n twintig procent bleek er last van te hebben." Psycholoog Marieke Brauer licht het belang toe van haar onderzoek naar pijn bij het vrijen. Ze wil te weten komen of vrouwen die heviger opgewonden raken misschien minder vaak pijn hebben. Dat inzicht kan bijdragen aan een beter gerichte behandeling.

Psychisch gezond

Hoewel veel vrouwen door pijn weinig plezier beleven bij het vrijen, toont de wetenschap maar weinig belangstelling voor het probleem. “Ik weet niet waarom dat zo is,” zegt Brauer. “Er is wel wat afzonderlijk medisch en afzonderlijk psychosociaal onderzoek gedaan, maar dat heeft weinig opgeleverd. We weten bijvoorbeeld dat de klachten niet door een virus worden veroorzaakt. En dat seksueel misbruik niet de oorzaak is. Maar om verder te komen is geïntegreerd medisch en psychosociaal onderzoek nodig. Dat is lastig werk; het gaat om pijnklachten waarvoor geen lichamelijke verklaring is.”

Onderzoeken hebben inmiddels wel aangetoond dat de vrouwen meestal weinig psychologische klachten hebben, dus psychisch gezond zijn. Brauer: “Ze hebben een fijne partner, een leuke baan en ze willen goed presteren.” De klachten treden vaak opeens op bij een schimmelinfectie, terwijl het vrijen voordien altijd pijnloos is geweest. De behandeling die de huisarts daarbij voorschrijft, heeft bij sommigen succes. Maar bij anderen blijft de pijnklacht bestaan als de infectie allang over is. Het gevolg is dat die vrouwen minder zin hebben in seks. Meestal stoppen ze met de seksuele gemeenschap en beperken zich tot bijvoorbeeld knuffelen, zoenen en strelen. Soms vermijden ze alle intimiteit. De pijnklachten hebben vaak invloed op de relatie. De man betwijfelt of de vrouw hem nog wel aantrekkelijk vindt; de vrouw krijgt een slechter zelfbeeld en wordt onzeker.

Pijnplekje

Bij driekwart van de vrouwen met blijvende pijnklachten is er een aanwijsbaar plekje bij de ingang van de vagina dat pijn doet. “Het is een kwetsbaar stukje huid dat snel beschadigd raakt als de vagina droog is en de penis erlangs schuurt, of wanneer de vagina door een schimmelinfectie kwetsbaarder is. Het is ook kwetsbaar als een vrouw gespannen is en daardoor de huid minder doorbloed is,” legt Brauer uit. Bij weefselonderzoek blijkt dat het plekje een aspecifieke ontstekingsreactie is, het zogeheten vulvair vestibulitis syndroom. Waardoor het ontstaat, is niet bekend. Wel kunnen door de blijvende pijn de zin in vrijen en de opwinding afnemen waardoor de vagina droger blijft. Tegelijkertijd blijven de bekkenbodemspieren gespannen ten gevolge van de angst voor pijn. Dit maakt de kans op beschadiging van de vaginawand weer groter. Een cirkel dus.

Pornofilms

Voor haar onderzoek laat Brauer vrouwen kijken naar erotische video’s. Het zijn pornofilms die door vrouwen zijn gemaakt. De films brengen vooral het genot van de vrouw en de ontspanning in beeld. Een ander soort films dus dan de gebruikelijke porno: die draait om het klaarkomen van de man. Tijdens het onderzoek meet Brauer de doorbloeding van de vagina bij de proefpersoon. Die doorbloeding is een maatstaf voor de opwinding. Het meten gebeurt met een instrument dat de vorm en afmeting heeft van een tampon. “Het is glad en daardoor zelfs makkelijker in te brengen dan een tampon,” licht Brauer toe.

Ze voert het onderzoek uit in een kamer op de afdeling klinische neurofysiologie. Het is een normale, kale ziekenhuiskamer. Alleen de comfortabele stoel voor een computerbeeldscherm valt op. Daarnaast staat op een nachtkastje een toetsenpaneel om tijdens het kijken antwoord te geven op vragen die op scherm verschijnen. “Uit eerder onderzoek blijkt dat er wel een lichamelijke reactie kan zijn op het zien van seksuele beelden maar dat niet iedereen dat als opwindend beleeft. Daarom meten we niet alleen de fysiologische reactie maar vragen we ook hoe iemand zich voelt, bijvoorbeeld opgewonden, angstig, vol walging of ontspannen.”

Zelf proberen

Hoe is het om aan dit onderzoek mee te doen? “Vreemd,” aldus Brauer. “Ik heb het zelf uitgeprobeerd, met een collega erbij die mijn rol als onderzoeker speelde. Ik dacht: dat doe ik wel even, maar ik was toch veel meer gespannen dan ik had verwacht. Pas toen ik eenmaal een tijdje zat, ontspande ik en was het prima. Datzelfde hoor ik van de vrouwen die aan het onderzoek meedoen. Bij binnenkomst zijn ze gespannen maar dat is snel voorbij. Ik geef ze veel uitleg. Ook weten ze dat de deur naar de gang op slot zit en er niemand binnen kan komen.” Tijdens het onderzoek zitten de vrouwen alleen; Brauer zit in een aangrenzende ruimte.

Aan het onderzoek wil Brauer 75 vrouwen laten meedoen. Een oproep gekoppeld aan een artikel over pijn bij het vrijen dat in verschillende regionale bladen verscheen, heeft inmiddels al 55 deelneemsters opgeleverd. “Ze herkennen zich in het artikel. Vaak is het een opluchting wanneer ze lezen dat ze niet de enige zijn met dat probleem.”

Succes onbekend

Er bestaan verschillende behandelingen voor de klachten. Zo kan de gynaecoloog het pijnlijke stukje huid operatief verwijderen (vestibulectomie) zodat er nieuwe, gave huid op die plek kan groeien. Brauer: “Bij de ene vrouw werkt het wel, bij de andere niet. Waardoor dat komt, is niet bekend. Zelfs het succespercentage is niet bekend. De studies die ernaar gedaan zijn, zijn slecht uitgevoerd. Maar ook in een goede onderzoeksopzet is het lastig om ‘succes’ te definiëren. Waar moet je van uitgaan? Helemaal geen pijn meer? Weer een bepaald aantal keren gemeenschap? Weer plezier bij de gemeenschap? Weer plezier bij andere vormen van seks dan gemeenschap?”

Een andere behandelmethode is gedragstherapie, gericht op het wegnemen van de angst voor het vrijen. “Daar moet je echt aan werken, het is een graduele oefening. Je moet je vagina weer leren kennen, stap voor stap, bijvoorbeeld door eerst je vingers in te brengen. Door in kleine stappen te oefenen kan de angst uitgedoofd worden. Verder wordt er aandacht besteed aan seksuele voorlichting, aan wat er gebeurt bij seksuele opwinding en hoe je zin moet maken. De mythe is dat zin in seks spontaan moet ontstaan maar zo werkt het vaak niet. Je moet eerst ontdekken wat je zelf fijn vindt en weten hoe je dat duidelijk maakt aan je partner. Dit gebeurt in groepstherapie of paartherapie.” Soms zijn vrouwen ook gebaat bij bekkenbodemfysiotherapie; die kan helpen bij het ontspannen van de bekkenbodem. Van deze behandelingen lijken de succespercentages te schommelen tussen de 30 en 50 procent. “Maar we weten niet waarom de ene behandeling wel aanslaat bij die ene patiënte en waarom bij de andere niet.”

Brauer hoopt dat haar onderzoek laat zien in hoeverre de mate van opwinding een rol speelt bij de klachten. In de toekomst hoopt ze ook de spanning van de bekkenbodemspieren te kunnen meten met een vergelijkbaar meetinstrument. “Als we beter weten welke factoren een rol spelen bij de pijnklachten kunnen we voor elke vrouw inschatten welke behandeling het meest geschikt is.”

Dit artikel is een publicatie van Cicero (LUMC).
© Cicero (LUMC), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 11 juli 2003

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.