Je leest:

Stervende ster

Stervende ster

Auteur: | 1 januari 2005

De trage dood van een ster is een spectaculair schouwspel. In de nasleep van het stervensproces ontstaan de bouwstenen voor nieuwe planetenstelsels.

Sterren hebben niet het eeuwige leven. De sterren die nu aan de hemel flonkeren, waren er duizenden en miljoenen jaren geleden ook al, maar ooit zijn ze geboren en ooit zullen ze ook weer sterven. Ook onze eigen ster, de zon, geeft over een paar miljard jaar de geest. Leven op aarde is dan al lang niet meer mogelijk, dus er zal niemand zijn om het stervensproces van de zon vast te leggen.

Toch weten astronomen vrij precies hoe een ster als de zon aan zijn eind komt. De sterren in het Melkwegstelsel zijn namelijk niet allemaal even oud. Er zijn sterren bij die net geboren zijn, maar er komen ook veel hoogbejaarde sterren voor. Sommige van die oude sterren zien we voor onze ogen overlijden.

De Kevernevel in het sterrenbeeld Schorpioen, vastgelegd door de Hubble Space Telescope.

De wervelende gaswolken op deze foto tonen de doodsstrijd van een ster die veel op de zon lijkt. Of liever gezegd: die veel op de zon leek, want inmiddels is er van die gelijkenis weinig meer over. Ooit heeft de ster dag in dag uit een gestage stroom licht en warmte verspreid. Misschien werd hij wel vergezeld door een planetenstelsel, en wie weet zat daar wel een waterige, levensvatbare planeet als de aarde tussen. Maar dat is allemaal verleden tijd.

Toen de waterstofvoorraad in het binnenste van de ster opraakte, kwamen er nieuwe kernfusiereacties op gang, waarbij helium werd omgezet in koolstof. De ster zwelde enorm op, werd instabiel, en blies in de loop van vele duizenden jaren zijn buitenste gaslagen de ruimte in. Aanvankelijk stelde dat niet zo veel voor, maar in de loop van de tijd werd het massaverlies steeds heviger. De stervende ster hulde zichzelf in een uitdijende wolk van gas- en stofdeeltjes – een langgerekte, kosmische laatste adem.

Van de ster zelf bleef weinig over. De kernreacties in het binnenste kwamen uiteindelijk geheel tot stilstand, en de ster zakte onder zijn eigen gewicht ineen als een mislukte kaassoufflé. Wat nu nog rest is een compacte bal van superheet samengeperst gas, bijna zo zwaar als de zon, maar nauwelijks groter dan de aarde. Het is de energierijke, ultraviolette straling van deze witte dwergster die de omhullende nevel tot gloeien brengt.

Op de foto, die gemaakt is door de Hubble Space Telescope in het kader van een onderzoeksproject van de Nederlandse sterrenkundige Albert Zijlstra, is die witte dwerg niet zichtbaar. Hij bevindt zich rechtsboven, in het helderste deel van de nevel, maar gaat schuil achter een dikke stofband, die als een strak ingesnoerde ceintuur rond de nevel gespannen lijkt. De gaswolk die in de afgelopen duizenden jaren door de stervende ster is weggeblazen, is dan ook geen mooie bol, maar lijkt eerder op een diabolo. Eén helft daarvan vult het grootste deel van de Hubble-foto; de andere helft bevindt zich rechtsboven buiten beeld.

Het opmerkelijke aan deze nevel (die soms de Bug Nebula, ofwel de Kevernevel wordt genoemd) is dat hij zoveel structuur vertoont. Er komen allerlei verdichtingen in de nevel voor, en je ziet heel duidelijk de invloed van de krachtige sterrewind – de continue stroom van materie die door de ster in het centrum is uitgeblazen. Hoe de diabolo-structuur van de nevel is ontstaan is niet met zekerheid bekend; wellicht heeft het te maken met magnetische velden, of met de aanwezigheid van een planetenstelsel rond de stervende ster.

Het mooie is dat in de nasleep van de dood van deze ene ster alweer de basis gelegd wordt voor de geboorte van nieuwe sterren en planeten. In de nevel condenseren kleine stofdeeltjes, waarop gasmoleculen vastvriezen. In de verre toekomst, wanneer de nevelflarden ooit deel uit zullen maken van een nieuw stervormingsgebied, kunnen die ijzige stofjes weer samenklitten tot een nieuw planetenstelsel, en in de dunne ijsmanteltjes treden dan scheikundige reacties op waarbij organische moleculen kunnen ontstaan – de bouwstenen van leven.

Feiten en cijfers

Naam: Bug Nebula (Kevernevel) Officiële aanduiding: NGC 6302 Type object: planetaire nevel Sterrenbeeld: Schorpioen Afstand: ca. 4000 lichtjaar Ouderdom van de nevel: ca. 10.000 jaar Oppervlaktetemperatuur van de witte dwerg in het centrum: ca. 250.000 oC Foto gemaakt door: Hubble Space Telescope Camera: Wide Field and Planetary Camera 2 (WFPC2)

Naamsverwarring

Toen de Engelse astronoom William Herschel in de achttiende eeuw ronde, zwakke vlekjes aan de sterrenhemel ontdekte, noemde hij ze ‘planetaire nevels’, omdat ze wel een beetje leken op het telescoopbeeld van de planeet Uranus, die in 1781 door Herschel was ontdekt. De Kevernevel, ontstaan bij de dood van een ster zoals de zon, is ook zo’n planetaire nevel. Er zijn er vele honderden bekend; allemaal ontstaan ze wanneer een zonachtige ster aan het eind van zijn leven zijn buitenste gaslagen de ruimte in blaast. De naam ‘planetaire nevel’ slaat dus eigenlijk nergens op, maar bij gebrek aan beter wordt hij nog steeds gebruikt.

Dit artikel is eerder verschenen in de Volkskrant

Meer weten?

Dit artikel is een publicatie van Allesoversterrenkunde.nl.
© Allesoversterrenkunde.nl, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 01 januari 2005
NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.