Je leest:

Stemmachines beïnvloeden verkiezingsuitkomst niet

Stemmachines beïnvloeden verkiezingsuitkomst niet

Auteurs: en | 14 november 2007

Gezien alle ophef is het verbazend dat de invloed van stemmachines op de uitkomsten van verkiezingen nooit systematisch is onderzocht. Gebeurt dat wel, dan blijkt dat er nauwelijks enig effect is.

De stemmachine ligt onder vuur. Nadat een actiegroep aantoonde dat stemmachines slecht zijn beveiligd, moesten diverse gemeenten bij de Tweede Kamerverkiezingen van 2006 al teruggrijpen naar het rode potlood. En in reactie op het rapport van de Adviescommissie inrichting verkiezingsproces kondigde de staatssecretaris kortgeleden aan dat de bestaande machines niet meer zullen worden gebruikt.

Het is opvallend dat de introductie en het weer schielijk afschaffen van stemmachines in Nederland – en daarbuiten – nooit is vergezeld van een systematisch onderzoek naar de eventuele effecten van de gebruikte apparatuur op de verkiezingsuitkomsten. Los van de betrouwbaarheid van specifieke apparaten zou bijvoorbeeld de opkomst kunnen worden beinvloed. Immers, wellicht laten bepaalde bevolkingsgroepen (ouderen?) zich door vermeend ingewikkelde machines eerder afschrikken dan andere.

De vraag naar de betrouwbaarheid van de tot nu toe gebruikte stemmachines wordt hier buiten beschouwing gelaten. In plaats daarvan worden de feitelijke gevolgen onderzocht van de invoering van deze apparatuur op de opkomst, de uitslag en het aandeel ongeldige of blanco stemmen. De uitkomsten zijn gegeven de huidige opwinding over het gebruik van stemmachines opmerkelijk. Er is namelijk nauwelijks enig effect.

Een andere conclusie met beleidsrelevantie is dat de verkiezingsopkomst duidelijk afhangt van het gemak waarmee stembureaus bereikbaar zijn. Voor zover bekend is het enige eerdere onderzoek in Nederland dat van Ter Weel (2006). Hij vergelijkt de verandering in de opkomst en de uitkomst bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer in de 35 gemeenten waarvan de stemcomputer in 2006 was afgekeurd met die in andere gemeenten. De uitkomst is dat er geen significante verschillen bestaan.

Het huidige onderzoek is breder. Het richt zich op de gevolgen van veranderingen in de stemmethode: zowel de invoering van stemmachines als de afschaffing hiervan. Alle verkiezingen voor de Tweede Kamer en voor gemeenteraden in de periode 1994- 2006 worden onderzocht. Bovendien wordt gebruik gemaakt van demografische controlevariabelen, en van controlevariabelen die betrekking hebben op het verkiezingsproces.

…Het is opvallend dat de introductie en het weer schielijk afschaffen van stemmachines in Nederland – en daarbuiten – nooit is vergezeld van een systematisch onderzoek naar de eventuele effecten van de gebruikte apparatuur op de verkiezingsuitkomsten…

Hoe stemt Nederland?

In Nederland zijn gemeenten verantwoordelijk voor het stemproces. Zij bepalen of met het potlood wordt gestemd of met een stemmachine. In de laatste decennia zijn bijna overal stemmachines ingevoerd (tabel 1). De datum waarop wordt gestemd is ook bij gemeenteraadsverkiezingen landelijk uniform, behalve bij herindelingsgemeenten. Die zijn buiten het onderzoek gebleven.

Tabel 1: Het gebruik van stemmachines in Nederland

Het onderzoek bestrijkt alle 319 gemeenten die in dezelfde vorm bestonden gedurende de onderzoeksperiode. Hier woont twee derde van alle kiesgerechtigden. Voor de gemeenteraadsverkiezingen konden slechts 288 gemeentenworden onderzocht. Dat komt doordat gemeenten die in 2007 werden heringedeeld in 2006 geen verkiezingen hielden, en doordat gemeenten die in 1993 werden heringedeeld in 1994 geen verkiezingen hielden.

Het onderzoek

Elke gemeente is gevraagd of, en zo ja, wanneer stemmachines werden gebruikt bij de gemeenteraads- en de Tweede Kamerverkiezingen in de periode 1990-2006. Gegevens over verkiezingsuitslagen en het aantal stembureaus zijn afkomstig van het CBS, net als de gebruikte demografische controlevariabelen. Gegevens over het aantal stembureaus in 2006 zijn door de onderzoekers zelf verzameld. Voor gemeenteraads- en Tweede Kamerverkiezingen worden afzonderlijke regressievergelijkingen geschat.

Voor beide typen verkiezingen worden drie aspecten van de verkiezingsuitslag geanalyseerd: de opkomst, het aandeel van linkse partijen, en het aandeel blanco of ongeldige stemmen. Elke schatting bevat drie soorten verklarende variabelen. De eerste soort betreft het stemproces. Er wordt een dummy opgenomen voor het gebruik van stemmachines en een voor de introductie van stemmachines.

Door een dummy op te nemen voor de introductie van stemmachines kan worden nagegaan of een eventueel effect tijdelijk of permanent is. Immers, de eerste keer dat stemmachines worden gebruikt gaat vaak gepaard met de nodige publiciteit en met een gemeentelijke voorlichtingscampagne. Bovendien is het mogelijk dat sommigen zich de eerste keer nog laten afschrikken door een stemmachine, maar dat bij latere verkiezingen gewenning optreedt. De (tijdelijke) effecten daarvan moeten worden onderscheiden van het permanente effect van de stemmethode zelf.

Er wordt ook een dummy opgenomen voor gemeenten waar burgers bij een stembureau naar keuze konden stemmen (Stemmen in een willekeurig stembureau). Deze optie bestond, als experiment, voor het eerst bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2006. Ruim de helft van de gemeenten deed hieraan mee.

Verder wordt rekening gehouden met het aantal stembureaus. Omdat stemmachines duur zijn, verminderden gemeenten vaak het aantal stembureaus op het moment dat ze stemmachines aanschaften. Daardoor moeten kiezers gemiddeld een grotere afstand afleggen naar een stembureau dat gemiddeld drukker is. Dat kan de opkomst (en daardoor ook de uitkomst) beinvloeden.

De tweede soort verklarende variabelen betreft demografische kenmerken van gemeenten (aandeel vrouwen, personen tussen achttien en dertig jaar, 65-plussers, gescheidenen, alleenstaanden en de bevolkingsdichtheid).

Tenslotte nemen we jaardummies en gemeentespecifieke vaste effecten op. Hiermee controleren wij voor gemeentelijke kenmerken die in de loop van de tijd niet veranderen, en voor landelijke trends in kiezersgedrag. We vergelijken dus niet de situatie in gemeenten met en zonder stemmachines. We vergelijken de veranderingen in gemeenten die stemmachines invoeren met de veranderingen in gemeenten die dat niet doen.

Degressies zijn uitgevoerd met de methode van de gewogen kleinste kwadraten, waarbij de aantallen kiesgerechtigden in 1998 als gewichten zijn gebruikt.

Effecten stemmachines

Bij verkiezingen met stemmachines ligt de opkomst gemiddeld lager dan bij verkiezingen met potlood en papier. Maar dat zegt niets over de causaliteit. Er spelen immers ook andere factoren mee. Tabel 2 laat zien dat het gebruik van stemmachines een significant positief effect heeft op de opkomst bij gemeenteraadsverkiezingen. Meteen na invoering ligt de opkomst twee procentpunt hoger dan bij de voorgaande gemeenteraadsverkiezingen.

Tabel 2: Stemtechniek en verkiezingsopkomst

Een deel van dit effect is echter tijdelijk. De permanente verhoging van de opkomst bedraagt anderhalf procentpunt. Bij verkiezingen voor de Tweede Kamer is zo’n effect echter afwezig. Het (tijdelijke) effect van de verandering van stemtechniek op de opkomst bij de kamerverkiezingen is wel significant, maar dit is gebaseerd op een klein aantal gemeenten. In veruit de meeste gevallen zijn stemmachines namelijk voor het eerst gebruikt bij gemeenteraadsverkiezingen (tabel 1).

Zoals verwacht heeft het aantal stembureaus per duizend kiesgerechtigden een positief effect op de opkomst. Het effect is significant, maar niet groot: bij een verdubbeling van het aantal stembureaus zou de opkomst bij gemeenteraadsverkiezingen met zo’n vijf, bij de Tweede Kamerverkiezingen met zo’n twee procentpunt kunnen stijgen.

…Omdat stemmachines duur zijn, verminderden gemeenten vaak het aantal stembureaus op het moment dat ze stemmachines aanschaften. Daardoor moeten kiezers gemiddeld een grotere afstand afleggen naar een stembureau dat gemiddeld drukker is. Dat kan de opkomst (en daardoor ook de uitkomst) beinvloeden…

Een goedkopere manier om de opkomst te bevorderen is toe te staan te stemmen in een willekeurig stemlokaal. Zowel de opkomst van de gemeenteraadsverkiezingen (die bij de onderzochte verkiezingen gemiddeld 65 procent bedraagt) als die van de kamerverkiezingen (gemiddeld 81 procent) neemt dan ruim een procentpunt toe.

Het is denkbaar dat het gebruik van stemmachines de verkiezingsuitslag beinvloedt. Dat kan direct (door fraude) of via de opkomst, als bijvoorbeeld linkse kiezers worden afgeschrikt maar rechtse kiezers juist worden aangetrokken door stemmachines. Hiervoor zijn echter geen aanwijzingen gevonden (tabel 3). Hoewel de coefficient van de stemmachinedummy negatief is, wijkt deze in geen van de varianten significant af van nul. Ook de andere verkiezingsvariabelen hebben geen meetbaar effect op het aandeel van linkse partijen.

Zoals te verwachten was, daalt het aantal ongeldige of blanco stemmen wel significant na introductie van stemmachines. Met een papieren stembiljet zijn fouten mogelijk. Het biljet kan ook moedwillig ongeldig of blanco worden ingeleverd. De beschikbare gegevens over verkiezingsuitslagen maken dit onderscheid helaas niet. Bij gebruik van een machine is het niet mogelijk per ongeluk ongeldig te stemmen.

Blanco stemmen kan wel; daar is een aparte knop voor. Zowel bij gemeenteraadsverkiezingen als bij verkiezingen voor de Tweede Kamer daalt dan ook het aandeel ongeldige of blanco stemmen nadat stemmachines zijn ingevoerd. Deze daling is permanent.

Tabel 3: Stemtechniek en het aandeel van (landelijke) linkse partijen

Bovenstaande analyse is uitgevoerd met gegevens op gemeenteniveau. Als controle voor de robuustheid van de uitkomsten is ook gebruik gemaakt van enquetegegevens over stemgedrag. Deze enquete, op basis van een representatieve steekproef van 1.632 kiesgerechtigden, is uitgevoerd door Centerdata. De respondenten is gevraagd of en hoe zij hebben gestemd bij de kamerverkiezingen in 2003 en 2006. Omdat ook de postcode van de ondervraagden bekend is, konden wij deze gegevens koppelen aan gegevens over de stemmethode.

De uitkomsten zijn vergelijkbaar met die van onze eerdere analyse. Het gebruik van stemmachines heeft geen meetbaar effect op de opkomst of op de keuze voor een linkse of een rechtse partij. Ook onderzoek in de Verenigde Staten (Moretti en Card, te verschijnen) wijst hierop.

Tabel 4: Stemtechniek en aandeel ongeldige of blanco stemmen

Conclusie

De invoering van stemmachines heeft niet of nauwelijks gevolgen gehad voor de opkomst of de uitslag van verkiezingen voor gemeenteraden of de Tweede Kamer. Wel daalde het aandeel ongeldige of blanco stemmen. Dit betekent niet dat de bestaande stemmachines geen gebreken hebben. Het relativeert wel de huidige ophef over deze apparaten.

Verder blijkt dat de opkomst toeneemt met het aantal stembureaus per duizend kiesgerechtigden. Dit aantal is de afgelopen periode gedaald. Ook wanneer mag worden gestemd in een stembureau naar keuze ligt de opkomst hoger. Deze informatie is van belang voor beleidsmakers die de verkiezingsopkomst willen bevorderen.

Literatuur

Adviescommissie inrichting verkiezingsproces (2007) Stemmen met vertrouwen. Den Haag: Ministerie van Binnenlandse Zaken. Moretti, E. en D. Card (te verschijnen) Does voting technology affect election outcomes? Touch-screen voting and the 2004 presidential elections, Review of Economics and Statistics. Weel, B. ter (2006) Verbod op stemcomputer beinvloedt Tweede Kamerverkiezingen niet, ESB 91(4500), 664-666.

Dit artikel is een publicatie van Economisch Statistische Berichten (ESB).
© Economisch Statistische Berichten (ESB), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 14 november 2007

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.