Je leest:

Steeds korter en eenvoudiger?

Steeds korter en eenvoudiger?

De taal van de Troonrede

Auteur: | 1 januari 2008

Hoe klaar moet de taal van de Troonrede zijn? Er zijn verschillende initiatieven geweest om deze toespraak tot de leden van de Staten-Generaal ook duidelijker te maken voor het volk. En inderdaad: de Troonrede wordt steeds korter en eenvoudiger. Volgens sommigen gaat dat nog niet ver genoeg.

De roep om klare taal is weer allerwegen – pardon: overal – te horen. Vooral de taal van de overheid moet eraan geloven. De Nationale Ombudsman, Alex Brenninkmeijer, opende op 22 november samen met taalexperts van enkele ministeries de aanval op omslachtig en bureaucratisch taalgebruik. In het boek Zullen we zwaluwstaarten? Staaltjes van ambtelijke (war)taal roept hij ambtenaren op klare taal te gebruiken in hun nota’s en brieven. “Klare taal is een grondrecht. Klachten van burgers en instellingen over duister en Haags taalgebruik zijn bij mij welkom.” Kamervoorzitter Gerdi Verbeet lijkt gevoelig voor dergelijke initiatieven: “Ik heb zowel bij de aanvaarding van het voorzitterschap als bij mijn eindejaarstoespraak gepleit voor begrijpelijk taalgebruik.”

Al in februari 2007 heeft de ministerraad besloten alle formulieren van de rijksoverheid begrijpelijk te gaan maken (zie voor de activiteiten www.begrijpelijkeformulieren.nl). En de regering- Balkenende IV heeft ook de wens uitgesproken dat niet alleen de overheid in eenvoudig Nederlands gaat communiceren, maar ook bedrijven en instellingen. De letterlijke tekst van het regeerakkoord is: “De overheid bevordert het eenvoudig en zorgvuldig gebruik van het Nederlands als bestuurstaal en cultuur- en omgangstaal (…).”

Klachten

Moet een overheid die klare taal zo serieus zegt te nemen dan niet beginnen bij de eigen toespraken? Om preciezer te zijn bij de belangrijkste toespraak, waaraan althans de meeste ambtelijke energie en media-aandacht geschonken wordt: de Troonrede? In september 2005 klonken er immers klachten. BureauTaal had de Troonrede uitgebreid onderzocht en velde een hard oordeel: de tekst zou voor ruim zeven miljoen volwassen Nederlanders niet of nauwelijks te begrijpen zijn. Dat is zestig procent van alle Nederlanders boven de achttien jaar. Slechts vijftien procent begreep zonder moeite wat de koningin voorlas, meende het bureau.

Dat zijn ernstige klachten, die allerlei vragen oproepen. Schrijver en oud-docent taalbeheersing Rudolf Geel typeerde eerder, in 2003, de Troonrede als “de meest talentloze tekst die een Sonderkommando van hoge ambtenaren op basis van informatie uit verschillende ministeries in elkaar heeft geflanst.” Is het zo slecht gesteld met de taal van de Troonrede? Zit er echt geen verbetering in de tekst sinds het aantreden van Balkenende? Of kunnen we het jaarlijkse gemopper over de taal van de Troonrede afdoen als gebruikelijke columnistenfolklore die evenzeer bij deze dag hoort als de hoedenparade en de Gouden Koets?

Al in november 1936 werd in het vier jaar daarvoor opgerichte maandblad Onze Taal kritiek geleverd op de Troonrede. Oprichter en parlementair journalist C.K. Elout nam de regering toen in bescherming tegen de journalisten, die in zijn ogen zelf veel grotere taalvervuilers waren.

Vanaf de jaren vijftig zijn er geregeld scherpe recensies in Onze Taal te lezen. De klachten betroffen vooral aanwezige germanismen. In oktober 1955 ergerde redacteur Jan Veering zich aan “de overvloed van clichés: van belang, blijft geboden, stemt tot voldoening, het verheugt, vindt plaats, taak vervullen, perspectieven openen, in verband met, contacten leggen, mede.”

Commissie Duidelijke Taal

In de jaren zestig en zeventig nam het gemor over de taal van de overheid en de Troonrede binnen en buiten Onze Taal toe. Kamervoorzitter Anne Vondeling stelde in 1973 de Commissie Duidelijke Taal in, die tot doel had het taalverkeer tussen overheid en burger te verbeteren. Volgens de commissie moest elke overheidsinstelling een ambtenaar aanstellen voor de bewaking van zuiver en zorgvuldig taalgebruik. Vondeling schreef met Onze Taal-redacteur Jan Renkema De Troonrede van Ridderzaal naar huiskamer (1976), waarin de Troonrede van 1975 in begrijpelijk Nederlands herschreven werd. Premier Den Uyl verzette zich echter tegen de herschrijving. Zoals bekend leest de vorstin de Troonrede voor, maar is de premier verantwoordelijk voor de inhoud. De herschreven Troonrede week volgens Den Uyl in betekenis vijf procent af van de oorspronkelijke tekst. Dus door de vereenvoudiging werd de oorspronkelijke tekst geweld aangedaan. Renkema, die later naam maakte met zijn Schrijfwijzer, koos liever voor de begrijpelijkheid van de tekst. “Het gaat toch om de reacties van de lezer en de luisteraar.”

Den Uyl werd opgevolgd door Van Agt en daarna kwam Lubbers, de man van veel woorden. Lubbers was verantwoordelijk voor gemiddeld zeer lange Troonredes – vijf van zijn maar liefst elf Troonredes waren zelfs langer dan 3000 woorden, zo’n 1000 woorden langer dan in de 25 jaar voor hem. Onder de kop ‘Troonrede 1985: broddelwerk’ werd in Onze Taal van september 1986 de Troonrede van het jaar daarvoor vernietigend besproken. De opbouw was onoverzichtelijk, er werden verschillende stijlen door elkaar gebruikt, en de woordkeus, zinsbouw en redeneertrant waren gebrekkig. Een typerend voorbeeld van de beruchte lubberiaanse wolligheid was, aldus de recensent, de zin: “Bij alle verschil in standpunten zijn diepe betrokkenheid bij en ernstige zorg over vrede en veiligheid in de wereld evenals de taak van ons land in dat verband een gemeenschappelijk element.”

Doodsaai

In juni 1987 bood het Genootschap Onze Taal aan om te adviseren bij de totstandkoming van de Troonrede. Na een aanvankelijke afwijzing ging Lubbers later alsnog op het aanbod in, en sinds die tijd levert het genootschap een bijdrage aan de eindredactie van de rede. Die hulp heeft volgens Lubbers vooral gevolgen gehad op twee gebieden: de tekst bevat nu minder taalkundige incorrectheid en leidt minder tot misverstanden. Suggesties tot tekstverfraaiing werden welwillend in overweging genomen, maar “hier telt voor de minister-president het taalgevoel van de koningin zeker zo sterk; zij moet de tekst immers uitspreken”, aldus Lubbers in een artikel over de Troonrede in het boek Schrijfwijsheden (1996). Vóór alles telde voor hem de inhoud, “het feit dat de inhoud politiek-bestuurlijk correct moet zijn prevaleert.” Sinds 1987 komen er verder minder ‘fossiele’ woorden voor in de Troonredes, zoals daarenboven, worden er geen fouten meer gemaakt met koppeltekens (echte minimaregeling/ echte-minimaregeling) en staan de komma’s doorgaans op de juiste plaats.

Toch verstomde de kritiek nooit. “De troonrede is een preek met een buitengewoon hoge redundantie”, aldus literair criticus Rob Schouten in 1996. “Loden volzinnen vol vaagheid”, schreef Onze Taal-medewerker Peter Burger in 1997; “een doodsaaie troonrede”, oordeelde Volkskrant-columnist Marcel van Dam in 2006. En Jan Blokker hekelde in hetzelfde jaar de clichés en jaren-vijftigknusheid ervan.

Balkenende

Toen Balkenende in 2002 als premier aantrad, veranderde de lengte van de Troonrede. De toespraak werd weer zo kort als vóór de periode-Lubbers: hooguit tweeduizend woorden. Ook de zin zinnen zijn gemiddeld steeds korter geworden. Zien we onder Kok een gemiddelde van vijftien woorden, Lubbers’ teksten telden er ruim zeventien, en de redes in de jaren zestig haalden zelfs tegen de twintig woorden per zin. Balkenendes laatste Troonrede haalde een gemiddelde van veertien woorden, een laagterecord. Maar zijn de teksten onder Balkenende ook toonbeelden van begrijpelijke taal? Geenszins, volgens BureauTaal in 2005. Zoals gezegd was de Troonrede voor 60% te hoog gegrepen.

Wat was er loos volgens het bureau? Het ontbrak in de nog altijd lange rede aan tussenkopjes bij de leestekst. Het begrip werd bemoeilijkt door te veel jargon (“zorgstelsel”, “ecosystemen”, “veelplegers”, “regeldruk”). En door abstract taalgebruik. De tekst bevat verder veel weinig voorkomende en dus moeilijkere woorden (“onberoerd”, “waarde hechten aan”, “bindende krachten”). Zinnen zijn vaak kort (wat op zich gunstig is), maar grammaticaal soms moeilijk te doorgronden. Veel uitdrukkingen en figuurlijk taalgebruik maken het taalniveau moeilijker te begrijpen: “verscheidenheid kennen”, “klimaat creëren”, “een zaak zijn van …” Veel lange woorden dragen ten slotte ook niet bij aan het leesgemak: “aanpassingsvermogen”, “crisisbeheersingsoperaties”, “inburgerings- en integratiebeleid”. De conclusie was dat de Troonrede aardig in de pas liep met de manier waarop de overheid communiceerde. Over het algemeen begreep zestig procent van de Nederlanders daar namelijk ook niets van, aldus het bureau. De wetenschappelijke merites van hun onderzoek worden echter sterk betwist (zie bijvoorbeeld het artikel van Carel Jansen en Leo Lentz).

Mooie Alternatieven

Er zitten goede kanten aan deze aandacht voor duidelijke taal. Ja, het helpt om systematisch na te gaan of nodeloos lange en complexe zinnen ingekort kunnen worden, zodat de luisteraars de kleinere eenheden gemakkelijker kunnen begrijpen. En bezuinigen op jargon (“participatie”), wieden in wanstaltig lange en moeilijke woorden – wie zal ertegen zijn? Sympathieke initiatieven als herschrijvingen van de Troonrede zoals Vondeling en Renkema die maakten, leverden mooie alternatieve formuleringen op. En ook de recente herschrijvingen van Peter Veenendaal en Rob Kievit, die voor de Wereldomroep in 2006 en 2007 een versie in alledaags Nederlands hebben gemaakt – door Harmke Pijpers prachtig voorgelezen –, zijn lovenswaardig.

In de Troonrede van 2006 stond:

Voor ons geluk en ons welzijn zijn wij op elkaar aangewezen. Aandacht voor anderen, respect voor andermans inbreng en overtuiging, dat zijn de fundamenten van een levendige buurt, een bloeiende stad, een sterk land.

In de versie van de Wereldomroep werd dat:

Als we het goed willen hebben, hebben we elkaar nodig. Een prettige buurt, een fijne stad, een sterk land; het heeft allemaal te maken met aandacht voor elkaar en begrip voor andere meningen.

Stijl- en andere breuken

Intussen moeten we ook vaststellen dat veel van die herschrijvingen toch ook wat wringen. En dat heeft veel te maken met de bijzondere aard van de Troonrede.

De Troonrede van 2006:

Het is verheugend dat in veel gemeenten initiatieven tot ontplooiing komen om die binding tussen mensen te versterken.

Herschrijving van de Wereldomroep:

In veel plaatsen worden plannen uitgevoerd die mensen dichter bij elkaar brengen. Dat is mooi.

Dit laatste ultrakorte zinnetje en veel andere passages met een groot aantal zinnen van vier tot zes woorden achter elkaar klinken al snel kinderlijk en enigszins belachelijk uit de mond van de vorstin. En in een passage over de Antillen en Aruba is de herziening “De verhoudingen tussen de onderdelen van het koninkrijk gaan volgend jaar op de schop” nogal grimmig – in ieder geval veel grimmiger dan het origineel uit 2007: “De staatkundige verhoudingen worden herzien.”

Verder is “Mensen worden steeds ouder” een lachwekkend dubbelzinnige herschrijving van “We weten dat de gemiddelde leeftijd van onze bevolking stijgt.” Troonrede 2007: “De regering stelt voor de no-claim in de zorgverzekering in 2008 af te schaffen.” Herschrijving: “De no-claimregeling wordt afgeschaft, want die werkte niet goed.” Zo’n openhartige motivatie had de PvdA vast erg leuk gevonden, maar het CDA waarschijnlijk niet. Ook Balkenende zou vast niet met dit soort Wereldomroepherschrijvingen akkoord zijn gegaan: te veel stijl- en andere breuken die de tekst minder geschikt maken voor de Ridderzaalrede.

Balkenendes “campussen voor jongeren die ontsporen” deden weliswaar de wenkbrauwen fronsen, omdat die een poging lijken om ‘heropvoedingskampen’ aan te duiden zonder het te zeggen, maar de laatste jaren lijkt er iets minder te mopperen op de duidelijkheid van de Troonredetaal dan vroeger.

Kloof niet groter

De kloof tussen de taal van de Troonrede en de burger lijkt niet vergroot te zijn. Ook al is de algemene omgangstaal veranderd, zo u wilt geïnformaliseerd, die van de Troonrede is dat ook. Misschien is deze sluipende verbetering tot stand gekomen onder invloed van de professionele tekstschrijvers van Algemene Zaken die eraan bijdragen. De laatste Troonrede, uit 2007, had een positief toongezette opening: “Ons land heeft veel dat hoop geeft en vertrouwen.” Deze toespraak heeft ook het nodige dat hoopvol stemt: een duidelijkere structuur dan de meeste Troonredes, met de zes pijlers waarop het beleid rust en een samenvatting in vier eigenschappen: “perspectief op groei, duurzaamheid, respect en solidariteit”. ?? Trouw?? -columnist Jaap de Berg is niet zonder kritiek, maar blaast overwegend de loftrompet:

Eenvoudige zinnen, met een gemiddelde lengte van veertien woorden. Negen uitschieters maar met meer dan 25. Op de 140 zinnen nog geen veertig bijzinnen (de zogeheten beknopte exemplaren daargelaten), die zelden of nooit de luistervaardigheid ernstig op de proef stelden.

Minder dan twintig lijdende vormen, waarvan trouwens de helft functioneel was. Geen ambtelijke naamwoordstijl, op een of twee gevallen na (…). Vrijwel geen jargon en andere geheimtaal, met uitzondering vermoedelijk van de Europese Raad en de rechtsvorm ‘maatschappelijke onderneming’.

Kortom, een Troonrede die geen utopische eisen stelde aan het begripsvermogen van de toehorende tv-kijkers, wier aandacht geregeld ook door vrouwelijke schedelopsmuk werd getrokken.

Nijntje-taal

Moet het nu allemaal nog eenvoudiger en korter? Sommigen vinden van wel. Aan de andere kant zijn de grenzen aan het inkorten van woorden en zinnen, aan het schrappen van uitdrukkingen nu toch wel bijna bereikt. Schraalheid en kaalslag liggen op de loer. Is een tekst van duizend woorden, met een gemiddelde zinslengte van acht woorden van gemiddeld twee lettergrepen, dan het ideaal? De Troonrede in Nijntje-taal? Een Troonrede is geen bedverhaaltje. Als we één keer per jaar de entourage intact willen houden met optocht en uniformen, ons eigen Ascot op het Binnenhof, dan mag de taal toch ook een iets minder alledaagse toon en kleur hebben?

Ja, graag een goede combinatie van heldere duidelijke woorden, met een enkele laagfrequente uitdrukking (“Dit laat de regering niet onberoerd”). En ja, graag meer frisse beelden, meer flonkerende formuleringen. Een heldere structuur. Maar moet Beatrix dan voortaan zeggen: ‘Het gaat goed met Nederland’? Mag het niet blijven: “Ons land heeft veel dat hoop geeft en vertrouwen”?

Lees ook:

Dit artikel is een publicatie van Genootschap Onze Taal.
© Genootschap Onze Taal, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 01 januari 2008

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.