Je leest:

Stand in de MAND

Stand in de MAND

Auteur: | 19 februari 2009

De Morfologische Atlas van de Nederlandse Dialecten (MAND) heeft een lange traditie. Het onderzoek naar de woordvorming in de Nederlandse en Vlaamse dialecten begon eind jaren ’70 van de vorige eeuw. Afgelopen maand verscheen deel twee van de MAND. Dit deel is door vijf taalkundigen vanuit verschillende invalshoeken geschreven.

Deze maand is deel twee van de Morfologische Atlas van de Nederlandse Dialecten (MAND) verschenen. Daarmee is een lang lopend onderzoek afgesloten naar taalvariatie in de Nederlandse woordvorming of morfologie. “Eigenlijk is de papieren MAND een heel grote reclamefolder voor de online database”, aldus Marc van Oostendorp, één van de auteurs. In die database zijn woordvormingen uit ruim zevenhonderd dialecten in Nederland en Vlaanderen terug te vinden.

Het begon allemaal in het jaar 1978, toen een groepje Nederlandse en Vlaamse taalkundigen bijeenkwam in Rotterdam. De eerste dialectatlas – de Reeks Nederlandse Dialektenatlassen (RND) – naderde zijn voltooiing. De RND kenmerkte zich door een traditionele aanpak. Volgens de jeugdige taalkundigen Goeman, Taeldeman en Van Reenen was de tijd rijp voor een atlas die aansloot bij de moderne taalkundige inzichten. Samen begonnen zij aan wat later omgedoopt zou worden tot het GTRP: het Goeman-Taeldeman-Van Reenen-project.

De vervolgdelen van de MAND en de SAND verschenen in januari 2009.

Database

In Nederland was de financiering eerder rond dan in Vlaanderen. De Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) stelde vanaf de jaren tachtig geld beschikbaar. In Vlaanderen moest men een decennium langer wachten. Om die reden liep het veldwerk uit tot het jaar 1995. Toen ook de Fryske Akademy aanhaakte, was het hele Nederlandse taalgebied in Europa gedekt. In totaal werden in 734 plaatsen interviews afgenomen onder dialectsprekers. De interviews werden uitgeschreven in transcripties. Deze zijn allemaal verwerkt in een grote database. Naast de online database werd er de laatste jaren hard gewerkt aan twee papieren atlassen.

Deel één van de MAND verscheen in 2005, gelijktijdig met deel één van de SAND, de syntactische atlas. En nu is er van beide atlassen ook een deel twee. Terwijl deel I van de MAND met name zelfstandig naamwoorden bespreekt, staan in deel II vooral werkwoorden centraal. Bijvoeglijk naamwoorden worden zowel in deel I (verbuiging) als deel II (trappen van vergelijking) besproken. In deel II vinden we ten slotte nog persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden.

Interpretatie

Wat maakt dit tweede deel van de morfologische atlas interessant? Volgens Van Oostendorp is het vooral de diverse samenstelling van auteurs: “Deel twee van de MAND is vanuit verschillende invalshoeken geschreven. Het laat zien op welke manieren je om kunt gaan met dezelfde data. Taalkundige Piet van Reenen kiest bijvoorbeeld voor een historische invalshoek. Hij vergelijkt het huidige corpus met een corpus van veertiende eeuwse taal. Oele Koornwinder is een moderne linguïst. Hij ontwikkelde computeralgoritmes om patronen in de data te vinden. Ton Goeman zit een beetje tussen beide benaderingen in.”

En Van Oostendorp zelf? “Ik heb vooral gekeken welke problemen je tegenkomt bij het interpreteren van de data. Een voorbeeld kan dit verduidelijken. Zo wordt er in het zuiden van het Nederlandse taalgebied een onderscheid gemaakt tussen twee typen bezittelijk voornaamwoorden. De ene groep vergezelt mannelijke familieleden – ons vader – de andere groep mannelijke woorden – onze knecht. Het verschil tussen die voornaamwoorden zit ‘m in een pietepeuterig e’tje dat de ene keer wel en de andere keer niet voorkomt. De vraag is of de transcripties op dit punt betrouwbaar zijn. Immers, de ene transcribent heeft een beter oor voor dit soort minieme verschillen dan de ander.”

Trillende stembanden

“Overigens kan de e in onze er ook zijn zonder dat je hem hoort. Een z in plaats van een s in onz’ vader suggereert al een aanwezigheid van de e. Het verschil tussen die s en die z is er een van stemhebbendheid. Bij het uitspreken van de s trillen de stembanden niet en spreek je van een stemloze klank. Wanneer de stembanden wel trillen, zoals bij de z, heb je te maken met een stemhebbende klank. Klinkers zijn altijd stemhebbend. Omdat opeenvolgende klanken graag eigenschappen delen, komt voor een klinker altijd een stemhebbende klank. Maar stemhebbendheid kan ook ontstaan wanneer het volgende woord begint met een stemhebbende klank. Zoals de v van vader. Dit laat zien hoe moeilijk het is om de data op de juiste manier te interpreteren. Eigenlijk moet je voor elk dialect op elk detail letten om de juiste beslissing te maken. En dat is bijna onmogelijk.”

Komt er eigenlijk nóg een morfologische atlas? Die kans acht Van Oostendorp zeer klein: “Eigenlijk bestaan er bijna geen morfologen meer, maar er wordt des te meer aan morfologie gedaan. Tegenwoordig zijn het vooral de fonologen – de klankexperts – en de syntactici – de zinsexperts – die de morfologie ‘erbij’ nemen. Natuurlijk zijn er nog wel volgende stappen in het onderzoek denkbaar. Zo zou je vervolgstudies kunnen doen in dezelfde plaatsen of gedetailleerder kunnen kijken naar sommige verschijnselen. Maar eerst gaan we er alles aan doen om de database nog toegankelijker te maken voor de bezoeker. Want daar is het toch allemaal om te doen geweest.”

zie ook:

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 19 februari 2009

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.