Je leest:

Stamcellen en herstel van het beschadigde centrale zenuwstelsel

Stamcellen en herstel van het beschadigde centrale zenuwstelsel

Auteur: | 9 september 2002

Transplantatie van organen als hart en nier is een chirurgisch staaltje dat patiënten met een falend hart of nier kan helpen. Voor de hersenen is transplantatie echter science fiction. De ontdekking dat onze stamcellen in het laboratorium gekweekt kunnen worden, brengt deze mogelijkheid echter dichterbij.

Het centrale zenuwstelsel dat het lichaam en de geest beheert is complex van opbouw en laat zich niet transplanteren. Transplanteren van zenuwcellen ter vervanging van afgestorven of beschadigde zenuwcellen uit de hersenen blijkt echter wel een therapeutische mogelijkheid. Patiënten met de ziekte van Parkinson die zo’n transplantatie met embryonale zenuwcellen hebben ondergaan lijken daar baat bij te hebben. Omdat er echter veel zenuwcellen nodig zijn, blijft het problematisch om aan voldoende donorcellen te komen. De ontdekking dat onze stamcellen, de oercellen uit het embryo van de eerste paar dagen van een zwangerschap, in het laboratorium gekweekt kunnen worden, maakt het wellicht mogelijk grote aantallen cellen te kweken voor transplantatie.

Celtherapie in de hersenen is al een aantal jaren een experimentele behandeling van hersenschade die kleine successen boekt. Patiënten met de ziekte van Parkinson kregen dit type behandeling, en sommigen met succes. De daarvoor benodigde zenuwcellen komen echter uit menselijke embryo’s, en voor een neurotransplantatie is weefsel van een tiental embryo’s nodig. De beschikbaarheid daarvan via abortus is echter beperkt en het is moeilijk om zoveel weefsel op een dag te verzamelen voor de operatie. Het gebruik van het abortusweefsel wordt bovendien door sommigen ook als een ethisch probleem gezien.

Met het bekend worden van de mogelijkheid dat zenuwcellen opgekweekt kunnen worden uit stamcellen gloorde een nieuwe hoop. Stamcellen zijn een soort oercellen die zichzelf kunnen klonen en uit kunnen groeien tot elk celtype van het lichaam (differentiëren). Stamcellen kunnen gemakkelijk gewonnen worden uit het embryo dat zich na zo’n 8-10 dagen na de bevruchting van de menselijke eicel heeft gevormd en zich nog niet in de baarmoederwand heeft genesteld (het pre-implantatie-embryo). In dat stadium is het embryo een blaasje van cellen, met binnenin de embryonale stamcellen. Deze niet gedifferentieerde (pluripotente) stamcellen van één enkel pre-implantatie-embryo zouden dus in principe opgewerkt kunnen worden tot neurotransplantaten van zenuwcellen voor heel veel Parkinson patiënten.

Of ook tot andere typen hersencellen voor weer andere neurodegeneratieve ziektes, of tot hartspiercellen voor celtherapie in een beschadigd hart. De nieuwe hoop is inmiddels ook een hype geworden toen bleek dat naast pluripotente ook multipotente (cellen die kunnen differentiëren tot een beperkt aantal celtypes) stamcellen gekweekt kunnen worden. De multipotente stamcellen zijn ook in de hersenen van volwassenen aanwezig. Deze stamcellen worden als somatische stamcellen of neuroprogenitor cellen aangeduid. Ook deze stamcellen kunnen gebruikt worden voor het kweken van celimplantaten bij het herstellen van hersenschade. Zowel embryonale als somatische stamcellen zouden in de toekomst gebruikt kunnen worden bij celvervangingstherapie in de hersenen.

Hersenherstel door neurotransplantatie met foetale zenuwcellen

Wanneer een enkele zenuwcel in de hersenen afsterft (zie afbeelding 1), kunnen andere zenuwcellen de functie eenvoudig overnemen of voortzetten. Tijdelijk kan een probleem optreden als er wat meer zenuwcellen verloren gaan zoals bij een lichte beroerte (herseninfarct of hersenbloeding). De overblijvende zenuwcellen hebben even tijd nodig om opnieuw met hun axonen en dendrieten, verbindingen te maken. Is de schade groot, dan wordt het effect blijvend. Een beroerte leidt dan tot een verlamming of tot mentale afwijkingen en emotionele stoornissen. Wat er precies gebeurt, hangt af van de plaats van de beschadiging in het zenuwstelsel. Het zenuwstelsel kan niet verloren zenuwcelgroepen spontaan vervangen en dat maakt de hersenen kwetsbaar: een wond geneest er niet!

Afb. 1 Microscopische opname van hersenweefsel waarbij ongeveer 1% van de zenuwcellen zijn aangekleurd. Het laat de complexe vorm van een zenuwcel met zijn vele celuitlopers (neurieten) prachtig zien. De zenuwcel is erg gevoelig voor beschadiging van zijn neurieten (met dank aan Dr. Harry Uijlings, NIH, Amsterdam).

Naast verstoring van de doorbloeding (beroerte, hersentumor) kan verlies van zenuwcellen ook optreden door fysieke beschadiging (ongeval of geweld), door virussen (hersenvliesontsteking) en door neurodegeneratieve hersenziekten als de ziektes van Alzheimer, Parkinson, en Huntington en amyotroof lateraal sclerose (ALS) en multiple sclerose (MS). De precieze oorzaak van de neurodegeneratieve ziektes is niet bekend, wel de gevolgen. In het geval van de ziektes van Parkinson en Huntington en voor MS is duidelijk welke cellen in het zenuwstelsel ten gronde gaan en waar in de hersenen de degeneratie toeslaat. De symptomen van deze ziektes kunnen echter nauwelijks of helemaal niet worden bestreden terwijl de degeneratie maar doorgaat en niet gestopt kan worden.

Tegenwoordig kunnen dokters aangetaste organen, zoals het hart, de lever en de nieren, in zijn geheel vervangen door transplantatie. Echter het centrale zenuwstelsel vervangen is science fiction. Waar moet een donorbrein vandaan komen? Van een donor die hersendood is verklaard? De complexe neuronale bedrading (zie afbeelding 1) binnen de hersenen sterft bovendien snel af zonder goede doorbloeding. Teveel zenuwverbindingen met het lichaam, die allemaal worden verbroken, moeten opnieuw uitgroeien terwijl spontane regeneratie van het zenuwstelsel nu juist niet optreedt. Hersentransplantatie kan dus niet, maar vervangen of aanvullen van zenuwcellen blijkt wel te kunnen. Neurotransplantatie wordt dat genoemd!

Neurotransplantatie is een simpele techniek maar moet wel met precisie worden uitgevoerd (zie afbeelding 2). Cellen worden middels een canule of injectienaald in de hersenen gebracht op een plek waar ze gestorven cellen kunnen vervangen of de functie van aangetaste cellen kunnen overnemen. Injectievolumes zijn enkele microliters (dit is minder dan 0,01 promille van het hersenvolume van een volwassen mens). De hersenen kennen geen gevoelszenuwen dus alleen plaatselijke verdoving op de schedel is daarbij voldoende. Het rechtstandig in- en uitbrengen van een injectienaald geeft bovendien minimale hersenschade, in ieder geval geen schade die gevolgen heeft voor het functioneren van die hersenen (natuurlijk moet er zo geprikt worden dat grote bloedvaten gemeden worden).

Vervangen door neurotransplantatie van zenuwcellen blijkt alleen mogelijk wanneer jonge (embryonale) zenuwcellen als losse cellen in oplossing (celsuspensie) of als weefselfragmentjes worden ingeplant. Met volwassen zenuwcellen lukt dat niet. Het verschil kan vergeleken worden met dat van het verplanten van een oude of een jonge boom. Een volwassen zenuwcel verliest zijn axonen en dendrieten bij het uitnemen en prepareren voor transplantatie en gaat daarbij ten gronde. Een foetale zenuwcel heeft nog nauwelijks celuitlopers en wordt als het ware uitgenomen op het moment dat het in de startblokken staat om verbindingen met andere zenuwcellen te maken voor de vorming van zenuwnetwerken. Bij implantatie gaan er desondanks nog veel foetale zenuwcellen ten gronde, slechts zo’n 5 tot 15% overleeft. De overlevende zenuwcellen groeien wel precies zo uit als ze gedaan zouden hebben in de foetale hersenen, en met de juiste zenuwcel-tot-zenuwcel contacten (synapsen).

Afb. 2 Het principe van neurotransplantatie is eenvoudig. Zenuwcellen die afgestorven of beschadigd zijn worden door hetzelfde type zenuwcel vervangen dat uit het embryonale of foetale brein wordt genomen. De donor is een abortus embryo of foetus. ‘Jonge’ zenuwcellen overleven transplantatie omdat ze nog weinig neurieten hebben gevormd

Neurotransplantatie van foetale zenuwcellen in ratten- en apenexperimenten waarin hersenfuncties door beschadiging van cellen uitvallen, laten zien de geïmplanteerde nieuwe cellen de hersenfunctie kunnen herstellen. Met name was dit frappant in diermodellen voor de ziekte van Parkinson. De experimenteel klinische toepassing van transplanteren van foetaal hersenweefsel bij patiënten met de ziekte van Parkinson stoelt op een simpele gedachte. Bij de ziekte gaat de afgifte van de boodschapperstof dopamine in het striatum van de hersenen (zie afbeelding 3) langzaam achteruit. De zenuwcellen die dit dopamine produceren blijken (om nog steeds onbekende oorzaak) af te sterven, te degenereren. Deze dopaminezenuwcellen liggen in de zogenaamde zwarte kern van de hersenen (substantia nigra) en een bundel axonen van die cellen reikt tot in het striatum voor de afgifte van dopamine.

Essentiële communicatie voor het sturen van de bewegingsorganen gaat daarbij verloren, en een complexe bewegingsstoornis is het gevolg. Het medicijn waar de patiënt voor de behandeling op terugvalt is de chemische voorloper van het dopamine, L-dopa, dat de dopamineproductie in het striatum aanjaagt in de nog resterende zenuwcellen uit het striatum. Echter op den duur werkt dat niet meer of zeer onvoldoende als de degeneratie te groot wordt. Het implanteren van dopamine-producerende zenuwcellen in het striatum zou de oplossing moeten zijn. Met als groot voordeel: een eenmalige behandeling en het reduceren of geheel stoppen van het gebruik van L-dopa (dat ook een serie bijwerkingen kent).

Afb. 3 De ziekte van Parkinson vindt zijn oorsprong in het langzaam wegvallen (degenereren) van de zenuwcellen uit de zwarte kern. Deze zenuwcellen bevatten een pigment waardoor ze in een plakje hersenen zichtbaar zijn. Als deze cellen afsterven verdwijnt de afgifte van dopamine uit hun axonen in het striatum. In het eerste stadium van de degeneratie kan dit dopamine-signaal nog kunstmatig op peil worden gebracht met medicijnen.

Na de eerste neurotransplantatie bij patiënten in 1987 kopten de kranten: ‘Embryohersencellen voor Parkinson’ en ‘Foetus tegen Parkinson’ (zie afbeelding 4). De eerste euforie was groot maar binnen een paar jaar bleek dat het niet het antwoord was voor een therapie bij de ziekte van Parkinson. De transplantaten van embryonale dopaminezenuwcellen waren weliswaar goed zichtbaar op een hersenscan (zie afbeelding 5), maar de resultaten waren wisselend en slechts enkele proefpatiënten ondervonden een belangrijke onderdrukking van hun ziekteverschijnselen. Het duurt wel even voor het effect tot stand komt, want de zenuwcellen hebben tijd nodig uit te groeien en hun functie te ontwikkelen. Een zwangerschap duurt tenslotte ook maanden! Echter door de beperkte celoverleving van het transplantaat was niet van één maar van 6-10 embryo’s de dopaminecellen nodig om dit effect te bereiken. Conclusie: celtherapie in de hersenen kan, maar de procedure moet verder worden verbeterd of er moeten alternatieven gevonden worden voor gemakkelijke bron van de dopaminezenuwcellen.

Afb. 4 Een krantenkop van De Telegraaf uit 1988.

Afb. 5 Een hersenscan van een Parkinson patiënt met een transplantaat van embryonale dopaminezenuwcellen een jaar na de operatie. Het transplantaat is zichtbaar gemaakt middels de fluor-dopa PET-scanmethode. Zo’n transplantaat onderdrukt de symptomen van de ziekte van Parkinson (met dank aan Dr. Olle Lindvall, Afd. Neurologie, Univ. van Lund, Zweden).

Alternatieven voor menselijk foetaal weefsel

Men onderzoekt nog of de overleving van foetale dopaminezenuwcellen kan worden bevorderd door allerlei voorbehandelingen met bekende celoverlevingsfactoren en neurale groeifactoren. In dierexperimenten worden successen tot 50% overleving gemeld. Klinische studies bij Parkinson patiënten zijn reeds gestart. Om het gebruik van abortusweefsel te omzeilen is ook geprobeerd of dierlijke dopaminezenuwcellen bruikbaar zouden zijn. Immers het zwangere dier is een gemakkelijker bron voor grotere aantallen embryonale zenuwcellen. En dat kan ook nog eens optimaal gepland worden. Het varken werd als brondier aangeduid omdat deze dieren ook gefokt werden als mogelijke orgaandonoren voor de mens. Het transplanteren van organen van dier op mens heet xenotransplantatie. Varkenszenuwcellen zien er uit als en gedragen zich als menselijke zenuwcellen na implantatie in de rattenhersenen. Een eerste resultaat van dit type xenotransplantatie werd in 2000 gepubliceerd: milde onderdrukking van de symptomen bij een kleine groep Parkinson patiënten.

Xenotransplantaten worden echter afgestoten als er geen middelen worden gebruikt om het immuunsysteem te onderdrukken. Dat is een groot nadeel. De toepassing van xenotransplantaties staat echter ook onder druk van twee bezwaren, en is op dit moment in Nederland zelfs verboden. Ten eerste is er de kans, hoewel uiterst miniem, dat nieuwe toxische virussen ontstaan door recombinatie van varken- en menselijke virus DNA (dit heet zoönose). De ander is de kritiek van de dierbeschermers die claimen dat een hoop dierenleed wordt gecreëerd door de specifieke kiemvrije omstandigheden waaronder de dieren moeten worden gehouden. Kortom het alternatief voor het gebruik van foetaal hersenweefsel werd hier niet direct gevonden. De pluripotentie van embryonale stamcellen om zich te kunnen differentiëren tot ieder celtype van het lichaam, inclusief zenuwcellen, levert echter het nieuwe alternatief voor het maken van neurotransplantaten.

Embryonale stamcellen als bron voor neurotransplantaten

Humane embryonale stamcellen (hES-cellen) die gemakkelijk vermeerderen (prolifereren) en daarbij oneindig hun eigenschappen behouden, en dus tot grote aantallen te kweken zijn in het laboratorium om vervolgens gedifferentieerd te worden tot alle soorten zenuwcellen is het ideaal dat opdoemt (zie afbeelding 6). Eén pre-implantatie-embryo voor alle patiënten! Voorlopig zijn de meeste experimenten in deze richting nog studies in de muis, en is de sturing over de differentiatie van de embryonale stamcellen te weinig onder controle om pure en specifieke celpopulaties voor celvervanging op te leveren. Zenuwcellen kunnen worden verkregen uit ES-cellen van de muis (mES-cellen), ook dopaminezenuwcellen. Deze cellen overleven transplantatie in het muizenmodel voor de ziekte van Parkinson, maar een effect op het gestoorde bewegingsgedrag werd niet geconstateerd.

Dat bleek wel het geval bij directe transplantatie. Ongedifferentieerde ES-cellen groeien uit tot dopaminezenuwcellen in het striatum van Parkinsonmuizen en herstellen het gestoorde bewegen. Echter rechtstreeks transplanteren van mES-cellen geeft ook wildgroei tot tumoren. Niet een weg dus om te volgen in de mens. Het gebeurt echter niet met mES-cellen die vooraf in kweek gedifferentieerd werden tot dopaminezenuwcellen. Dus, ES-cellen kunnen zich differentiëren tot dopaminezenuwcellen, zowel in vitro als na implantatie in de hersenen. In het Parkinson dierenmodel werkt het echter (nog) niet als een mogelijke therapie. De differentiatie verloopt kennelijk toch weer anders dan in de normale situatie in de zich ontwikkelende hersenen.

Afb. 6 Stamcellen als bron voor het maken van zenuwceltransplantaten. Drie mogelijke wegen zijn aangegeven. Embryonale stamcellen uit het pre-implantatie-embryo kunnen worden gekweekt tot neurale stamcellen, daarna vermenigvuldigt tot grote massa’s cellen (proliferatie) als kluitjes cellen om voor transplantatie omgevormd te worden tot het benodigde type zenuwcellen (differentiatie). Neurale stamcellen zijn ook aanwezig in de hersenen van embryo’s en foetussen, en zelfs in kleinere aantallen in het volwassen brein (somatische stamcellen). Het prolifereren van somatische stamcellen verloopt langzamer en het is nog niet duidelijk of de zenuwcellen die daaruit kunnen worden verkregen net zo werkzaam zijn als die verkregen uit embryonale stamcellen. De voordelen zijn echter groot: geen embryo’s nodig als donor en geen weefselafstotingsreactie die met medicijnen onderdrukt moet worden.

Stamcellen zitten overal

Pluripotente stamcellen zijn niet alleen aanwezig in het pre-implantatie-embryo. Zulke cellen worden ook aangetroffen in testistumoren ( embryonic carcinoma cells, EC-cellen), in de vroege genitaliën van de foetus ( embryonic germ cells , EG-cellen), maar ook in de vele organen van de foetus en volwassene (somatische stamcellen) (zie afbeelding 7). Stamcellen zijn aanwezig in het beenmerg voor de aanmaak van bloedcellen, en in de huid voor het herstel van wonden. Maar ook in de hersenen bevinden zich deze pluripotente somatische stamcellen. De stamcelsoorten hebben niet allemaal dezelfde potente eigenschappen als de ES-cellen. De ongelimiteerde expansie in kweek is niet aanwezig (hoe later gewonnen, hoe moeilijker te vermeerderen), maar wel zijn ze te differentiëren tot zenuwcellen (en tot cellen van andere organen).

Ook de pluripotente stamcellen uit het beenmerg en de huid kunnen dat. Deze zogenaamde transdifferentiatie lijkt dus een algemene eigenschap van de orgaan-specifieke somatische stamcellen, en de omstandigheden waarin ze zich ontwikkelen bepaalt de richting van de differentiatie. Beenmergcellen kunnen dus ook een bron zijn voor het kweken van zenuwcellen, zoals ook somatische hersenstamcellen bloedcellen kunnen vormen!

Afb. 7 Overzicht van de diverse bronnen van stamcellen en gecommitteerde stamcellen (progenitorcellen). Kerntransplantatie is een specifieke methode om lichaamseigen stamcellen te verkrijgen. Hierbij wordt een celkern van een willekeurige cel van de patiënt getransplanteerd in een eicel waarvan de kern is verwijderd. Op deze wijze kan een pre-implantatie-embryo ontstaan met het DNA en dus de genetische eigenschappen van de patiënt.

In de foetale en volwassen hersenen komt ook nog de gecommitteerde stamcel voor, de neuroprogenitorcel of neurale stamcel (NS-cel) (zie afbeelding 8), uiteraard zelf weer afstammend van de ES-cel. Ze zijn multipotent en kunnen zich differentiëren tot de celtypes van het centrale zenuwstelsel. Deze NS-cellen bevinden zich in de randen van de vloeistofholtes van de hersenen, de ventrikels, en zijn via heel specifieke en bewerkelijke methoden in vitro op te kweken tot hoeveelheden nodig voor differentiatie tot bijvoorbeeld dopaminezenuwceltransplantaten (zie afbeelding 5). In tegenstelling tot de dopaminezenuwceltransplantaten uit ES-cellen kunnen deze transplantaten de bewegingsstoornissen in het rattenmodel voor de ziekte van Parkinson wel effectief opheffen. Het lijkt er dus op dat de pre-differentiatie in vivo de cellen toch beter in staat stelt te doen wat we willen, namelijk effectief dopamine genereren in het Parkinson brein. Het huidige onderzoek naar de toepassing van stamcellen als celtherapie voor de ziekte van Parkinson is dan ook teruggeworpen tot onderzoek naar de betere controle over de differentiatie tot beter functionerende dopaminezenuwcellen.

Afb. 8 Somatische stamcellen in de volwassen hersenen. De aanwezigheid van deze cellen werd aangetoond door injecties met stoffen die als marker dienen voor de synthese van DNA. De met een pijl aangeduide cellen in een cellaag van de rattehersenen hebben deze markerstof sterk opgenomen en zijn dus het resultaat van een celdeling. De overige cellen zijn lichtelijk aangekleurd om de cellaag zichtbaar te maken (met dank aan Dr. Paul Lucassen, SILS/UvA, Amsterdam).

Terwijl stamceltherapie voor de ziekte van Parkinson de meeste aandacht trekt zijn er ook voor andere hersenletsels en neurodegeneratieve ziektes ontwikkelingen gaande die de hype van het stamcelonderzoek in de neurowetenschappen veroorzaken. Geïmplanteerde stamcellen zijn namelijk niet alleen in staat in vivo te differentiëren maar kunnen ook migreren naar hun natuurlijke plaats in de hersenen. Het zenuwstelsel is immers nogal complex opgebouwd met verschillende types zenuwcellen die zijn geclusterd of gelaagd en die neuronale circuits vormen met hun zenuwuitlopers en synapsen. Hersenweefselherstel moet vaak heel lokaal en met precisie gebeuren zodat geen verstoring van de organisatie van de hersenen elders gebeurt. Wanneer hES-cellen worden geïmplanteerd in de hersenen van een muizenembryo ontwikkelen deze cellen lustig mee in de vorming van de hersenen van de muis. In volwassenheid van de muis zijn ze op verschillende plaatsen terug te vinden en geheel opgenomen in de normale organisatie van de muizenhersenen.

Ook zijn er in proefdieronderzoek opmerkelijke resultaten bereikt met stamcellen als transplantaat voor het bereiken van remyelinisatie van de hersenen zoals dat bij MS nodig zou zijn. Bij die ziekte verdwijnen de oligodendrocyten, gliacellen die de zenuwuitlopers in het centrale zenuwstelsel van een myelineschede kunnen voorzien voor snelle informatieoverdracht tussen hersencellen. In het dierexperimentele model voor MS, waarbij demyelinisatie wordt nagebootst met radioactieve bestraling in het ruggenmerg gevolgd door toediening van toxines, kan remyelinisatie bewerkstelligd worden door gekweekte foetale oligodendrocyte-gelijkende cellen. Ook toepassing van ES-cellen op de plek van beschadiging (lesie) leidt tot remyelinisatie en herstel van de gedeeltelijke achterpootverlammingen. Hier is dus een hoop geboren voor de therapie van MS. Echter het ziektebeeld van MS is complex en men veronderstelt dat er tevens een auto-immune component aanwezig is. Het gevolg hiervan is dat nieuwe oligodendrocyten dus weer aangevallen kunnen worden door het eigen afweersysteem.

Klinische trials met celtherapie in de hersenen met als basis uit stamcellen verkregen celpreparaten zijn (nog) niet van start gegaan. De bron ES-cellen zou het gemakkelijkst tot resultaat moeten leiden als de in vitro differentiatie optimaal gestuurd kan worden voor het bereiden van specifieke populatie zenuwcellen. Immers voor neurotransplantatie bij de ziekte van parkinson, de ziekte van Huntington, ALS en MS degenereren verschillende neurale celtypen. De bron foetale NS-cellen lijkt al gepredifferentiëerd te zijn, maar de in vitro celkweek is hier niet oneindig en dus is er toch weer veel abortusweefsel nodig. Voor de bron somatische stamcellen uit de hersenen geldt dat maar kleine hoeveelheden gewonnen kunnen worden en dat vermeerdering van de cellen voor het verkrijgen van voldoende celmassa voor transplantatie nog lastiger blijkt. Er zijn dus nog wel wat problemen op te lossen zodat de ontwikkeling van de stamceltherapie in de hersenen voorlopig nog thuishoort in de arena van laboratoriumkweek- en dierexperimenten.

Tot slot

Celtherapie in de hersenen op basis van het gebruik van stamcellen kent vele mogelijkheden en vele wegen, maar heeft de kliniek nog niet bereikt. Zenuwcellen creëren in het laboratorium op basis van ES-cellen uit het pre-implantatie-embryo is mogelijk, maar het produceren van specifieke zenuwcelpopulaties, zoals de dopaminezenuwcellen voor neurotransplantatie in Parkinson patiënten, is niet onder controle. Celzuiveringstechnieken zouden daarbij kunnen helpen. Aan de andere kant is misschien juist een heterogene populatie nodig voor een effectief werkend transplantaat. In het rattenmodel voor de ziekte werkte een dopaminezenuwcelpreparaat uit ES-cellen niet, terwijl dopaminezenuwcellen uit het foetale brein dat juist heel goed doen. Nieuwe bronnen voor het kweken van neurotransplantaten zijn de GS-, EC- en NS-cellen en de somatische stamcellen. In het laboratorium blijken de NS-cellen, hoewel lastig te kweken, goed differentieerbaar te zijn tot verschillende typen neurale cellen en na implantatie ook werkelijk beschadigde functies te kunnen herstellen. Of de somatische stamcel in de hersenen ooit een bron kan zijn voor het kweken van neurotransplantaten is onduidelijk.

Bronnen

A. Björklund and O. Lindvall, Cell replacement therapies for central nervous disorders, Nature Neuroscience 3 (2000) 537-544. G.J. Boer, Een Europese discussie over stamcellen voor therapie, Ned Tijdschr Geneeskd 26 (2002) 1242-1245 G.J. Boer, Neurotransplantatie, Actuele Onderwerpen, 2737 (2001) W.J. Freed, Neural transplantation, The MIT Press, Cambridge (2000) Gezondheidsraad, Stamcellen voor weefselherstel; onderzoek naar therapie met somatische en embryonale stamcellen, Gezondheidsraad, Den Haag, 2002/09. C.G. Gross, Neurogenesis in the adult brain: death or dogma, Nature Reviews Neuroscience 1 (2000) 67-73. R. Livell-Badge, The future for stem cell research, Nature 414 (2001) 88-91. A. McLaren, Ethical and social considerations of stem cell research, Nature 414 (2001) 129-131. S. Temple, The development of neural stem cells, nature 414 (2001) 112-117. I.L. Weissman et al., Stem and progenitor cells: origins, phenotypes, lineage commitments and transdifferentiations, Ann Rev Cell Biol 17 (2001) 387-403.

Dit artikel is een publicatie van Nederlands Instituut voor Biologie (NIBI).
© Nederlands Instituut voor Biologie (NIBI), sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 09 september 2002

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.