Je leest:

Speren van voorouders

Speren van voorouders

In het Duitse Schöningen vonden archeologen in 1995 een houten speer van ongeveer 350.000 jaar oud. Later vonden ze er nog zes. Het zijn de oudste wapens ooit gevonden. De vondst is een bevestiging van de omstreden hypothese dat onze verre voorouders echte jagers zijn geweest.

De mens probeert al jarenlang zicht te krijgen op het leven, het gedrag en de cultuur van zijn primitieve voorouders. Met elke nieuwe archeologische ontdekking wordt stukje voor stukje een complexe puzzel in elkaar gezet. De vondst van 350.000 jaar oude speren brengt ons meer duidelijkheid over de manier waarop de oermens aan zijn eten kwam.

Wanneer we aan de prehistorische mens denken, stellen we ons daarbij heel vaak een primitieve mens voor die met een speer in de hand op jacht gaat naar wolharige mammoeten en holenberen. Toch is lang niet iedereen ervan overtuigd dat de mens in het Vroeg-Paleolithicum een jager was. Misschien was het wel een aaseter. Archeologen zoeken naar aanwijzingen om de zaak te beslechten.

In de bruinkoolgroeven van Schöningen in Duitsland hebben archeologen sedert 1995 zeven speren opgegraven. De speren – van maar liefst 350.000 jaar oud – zijn allemaal gemaakt van sparrenhout. Ze variëren in lengte van 1,82 tot 2,50 meter. Ondanks het verschil in lengte zijn de verschillende speren volgens hetzelfde principe vervaardigd. De stammen zijn aan de basis over een lengte van 25 tot 60 centimeter aangepunt. Omdat hij wist dat de kern van de stam ook het zwakste deel is, maakte de primitieve jager de scherpe punt van de speer juist naast die kern, waar het hout veel harder is. Het zwaartepunt van de speer ligt in het voorste deel en de staart is lang, net als bij olympische werpsperen. Hieruit konden onderzoekers concluderen dat het om werpsperen gaat en niet om lansen of stootsperen.

De bouw van de speren onderstreept het technisch kunnen van de prehistorische mens van 350.000 jaar geleden. Hij reageerde niet impulsief op een bepaalde situatie maar nam de tijd om een geschikte boom te zoeken, een ontwerp te maken en uiteindelijk de boomstam de geschikte vorm te geven. De speren tonen ons de zin voor planning, ontwikkeling en geduld van de oermens.

Jagers

De ontdekking van de speren geeft een nieuwe kijk op het gedrag en de cultuur van onze vroegste voorouder. Al jaren debatteren archeologen over de vraag of de primitieve mens voornamelijk een jager of een aaseter was. Sinds de Tweede Wereldoorlog hebben diverse visies op de rol van de jacht het debat gedomineerd.

In de periode van 1950 tot 1980 had het Man-the-Hunter-scenario de overhand. Archeologen waren ervan overtuigd dat de jacht een noodzakelijke aanpassing was aan de levensomstandigheden van de primitieve mens. Mannen jaagden en brachten de buit naar hun vrouwen. Die hielden zich met de kinderen bezig en die zorgtaak maakte hen afhankelijk van een jagende man. De jacht stond daarmee aan de basis van een belangrijk kenmerk van de sociale organisatie van de huidige mens: dat van de mannelijke kostwinner en de vrouwelijke voedster.

Oudheidkundigen interpreteerden archeologische vondsten vanuit deze hypothese. Ze beschouwden rijke vindplaatsen uit het Paleolithicum, met concentraties van stenen werktuigen en dierlijke overblijfselen, als basiskampen waar mannen de buit heen brachten en die deelden met vrouwen en kinderen. Ook de veel latere grotschilderingen zoals we ze kennen van de grotten in de Dordogne of de in 1995 ontdekte grot Chauvet in de Ardèche (Frankrijk), werden in verband gebracht met de jacht. Het was kunst van, door en voor de jagers.

Discussies

De zeer op de mens gerichte visie dat bijna geen dier stierf zonder menselijk ingrijpen, veranderde in de loop van de jaren zeventig. Archeologen werden zich bewust van het feit dat zijn primitieve voorouder slechts één factor was in een complex systeem.

Vanuit dit idee ontwikkelde zich de aaseet-hypothese. Dit is een theorie die vooral Engelse en Amerikaanse wetenschappers in de jaren tachtig bijna blindelings volgden. Centraal stond de aasetende ‘oermens’, die slechts in bepaalde omstandigheden op kleinere zoogdieren jaagde. Onderzoekers als de Amerikaanse antropoloog Lewis Binford en de Engelse archeoloog Clive Gamble stelden bijvoorbeeld dat het verzamelen van karkassen van dode dieren en het eten van aas een belangrijke rol speelde in de voedselvoorziening tijdens het Vroeg- en Midden-Paleolithicum. Volgens hen komt jacht pas op grote schaal voor bij de moderne mens Homo sapiens. Die verscheen ongeveer 35.000 jaar geleden op het toneel. Voorstanders van de aaseet-hypothese zagen hun theorie bevestigd door het ontbreken van duidelijke jachtwerktuigen zoals speerpunten en pijl en boog.

Toch kwam in de jaren negentig het accent van de discussies, die nu en dan hoog opliepen, weer op de jacht te liggen. Wetenschappers brachten de resultaten van hun onderzoek aan dierlijke resten schoorvoetend in verband met de jacht. Tot de vondst van zeven houten speren de jachthypothese definitief leek te bevestigen.

Overblijfselen

Tussen Hannover en Berlijn, ter hoogte van de voormalige grensovergang bij Helmstedt, ligt een gebied waar al sinds de vorige eeuw bruinkool wordt gewonnen. Over een totale oppervlakte van zes vierkante kilometer maken reusachtige graafmachines enorme putten in het desolate landschap. Dr Hartmut Thieme van het Institut für Denkmalpflege in Hannover startte in 1984 een archeologische verkenning, vóór de mijnwerkers het landschap gingen weggraven. Sinds die tijd konden Thieme en zijn medewerkers talloze belangrijke archeologische vondsten redden van vernietiging door de monstergraafmachines.

De steentijd in Europa KBIN

Het team van Thieme groef allerlei voorwerpen op, voornamelijk uit het Holoceen. Dit meest recente geologische tijdvak omvat ongeveer de laatste 10.000 jaar. Afzettingen uit het Pleistoceen, het ijstijdenvak dat twee miljoen jaar geleden begon en 10.000 jaar geleden eindigde, zijn pas vanaf 1992 grondig onderzocht na het vinden van de eerste vuurstenen werktuigen.

Sindsdien ontdekten de opgravers op meerdere plaatsen in de groeve sporen van menselijke activiteiten. Naast vuurstenen voorwerpen vonden ze vele fossiele overblijfselen van verschillende soorten zoogdieren, zoals beren, neushoorns en paarden. Deze vondsten zetten de archeologen ertoe aan om verder te gaan graven. Heel vaak moesten ze het graafwerk op een bepaalde plaats in één dag voltooien, want de graafmachines stonden ondertussen niet stil.

Uniek

De oudheidkundigen troffen de zoogdierresten en de vuurstenen werktuigen aan in veenrijke afzettingen waarin naast schelpen ook plantenresten en stukken hout zeer goed waren bewaard. Ze vonden er zelfs kleurrijke overblijfselen van insecten. De combinatie van plantaardige en dierlijke fossielen is uniek. Normaal lossen dierlijke overblijfselen zoals botten en kiezen snel op in zure, venige afzettingen.

Het grondwater dat bij Helmstedt van het nabije Harz-gebergte afkomstig is, heeft echter een extreem hoog kalkgehalte. Dat neutraliseert de zure eigenschappen van het venig milieu. Het gevolg is dat zowel het plantaardig als het dierlijk materiaal uitzonderlijk goed is bewaard. Dankzij deze unieke omstandigheden krijgen we nu inzicht in hoe de mens in het Vroeg-Paleolithicum met houten voorwerpen omging. Vóór de vondst van de speren was onze kennis daarover heel beperkt.

Speer van sparrenhout

Tijdens een kleine testopgraving in 1994, toen de graafmachines zich voor korte duur op een andere plaats in de groeve hadden teruggetrokken, vonden de archeologen een tachtig centimeter lange stok van sparrenhout. Hij was aan beide zijden, over een lengte van ruim tien centimeter aangepunt. De spectaculaire vondst maakte zoveel indruk op de firma die de bruinkoolgroeve exploiteert, dat ze ten behoeve van het archeologisch onderzoek besloot ongeveer drieduizend vierkante meter van de groeve van ontginning te vrijwaren. Een gouden greep, zo bleek enkele maanden later. Niet ver van de plaats waar de aangepunte stok lag, vond het team van Thieme in oktober 1995 een houten speer.

De doorsnede van de koolgroeve bij Schöningen toont de vorming van de diverse bodemlagen en de vindplaats van de gevonden speren.

De speer was door de druk van bovenliggende sedimenten en permafrost tijdens de laatste ijstijd op 4 plaatsen gebroken en enigszins vervormd. Hij heeft een lengte van 2,25 meter en een grootste dikte van 4,7 centimeter. Om de speer te maken, gebruikte de paleolithische mens de stam van een spar. Hij velde de boom en ontdeed hem van schors en zijtakken. Vervolgens puntte hij met een vuurstenen voorwerp de speer aan. Het hout vertoont dichte jaarringen, die ongeveer een halve millimeter dik zijn. Daaruit blijkt dat de boom langzaam groeide onder koele omstandigheden.

De speren lagen verspreid in een strook van vijftien bij acht meter tussen honderden kapotgeslagen beenderen, hoofdzakelijk van paarden. Daarnaast vonden de oudheidkundigen ook resten van andere kleine en grote zoogdieren. Tot de kleine zoogdieren behoren onder andere spitsmuizen, bevers, lemmingen en verschillende soorten woelmuizen; tot de grotere zoogdieren twee soorten beren, een vos, een bosolifant, een neushoorn, een edelhert, een ree, een oeros en een bizon.

Naast de duizenden botfragmenten zijn er intussen ook zeventien min of meer complete paardenschedels aangetroffen. De schedels zijn door de druk van het sediment enigszins vervormd maar desondanks zijn het vanuit paleontologisch oogpunt unieke vondsten. Een aantal botfragmenten vertoont snijporen en breuken die op slachtactiviteiten wijzen.

Paleozoölogie

Bij archeologisch onderzoek is de datering van de gevonden voorwerpen van groot belang. Ook bij de speren is het een cruciaal punt dat antwoord kan geven op de vraag hoe lang mensen al in staat zijn om met inzicht en geduld gebruiksvoorwerpen te maken. Er bestaan heel wat methoden om de ouderdom van archeologische vondsten vast te stellen. In het geval van de speren gebeurde dat op basis van de geologische context waarin de vondstlaag was gesitueerd.

Tijdens het Pleistoceen deden zich verschillende ijstijden en tussenijstijden voor. De tussenijstijden kenden op hun beurt belangrijke klimaatsschommelingen met warme en koude fasen. Gedurende die perioden werden sedimentpakketten afgezet. Paleozoölogen bestuderen de evolutie van fossiele dieren die ze in deze lagen aantreffen. Op die manier vonden ze dat de speren afkomstig zijn uit een warmere periode van het Pleistoceen, die bekend staat als het Reinsdorf-Interglaciaal.

De woelrat uit de vondstlaag van de speren is minder ver geëvolueerd dan een exemplaar uit de Belvedèregroeve bij Maastricht. Dit is de plek waar men tot nu toe de oudste aanwijzingen voor de aanwezigheid van de mens in Nederland vond. Bovendien vonden paleontologen in de fauna van het Reinsdorf-Interglaciaal soorten die sindsdien uitgestorven zijn. Een voorbeeld daarvan is de reuzenbever.

De vondsten uit Maastricht zijn ongeveer 250.000 jaar oud. De speren uit Schöningen zijn een interglaciaal ouder en zouden een leeftijd van rond de 350.000 jaar hebben.

Nieuwe hypothese

Een van de gevonden speren in de koolgroeve van Schönongen.

De vondst van de speren wierp nieuw licht op de discussie tussen aanhangers van de twee hypothesen, de mens als aaseter of de mens als jager. De theorie dat de oermens een aaseter was, lijkt door de ontdekkingen in Schöningen veel terrein verloren te hebben. De ‘nieuwe’ visie, die uitgaat van een actieve rol van de mens bij het doden van dieren, de Man-the-Hunter-II-hypothese, kent meer en meer bijval. De speren van Schöningen passen uitstekend in deze visie.

Het is een visie die wortelt in de resultaten van minutieus onderzoek aan dierlijke resten uit het Midden-Paleolithicum uit Wallertheim en Taubach (Duitsland) en Biache-Saint-Vaast en Mauran (Frankrijk). Bij het verwerken van alle gegevens blijken vaak één of twee soorten dieren (beren, neushoorns, bizons, paarden) dominant aanwezig. Bovendien troffen de archeologen veelal jong volwassen dieren aan. Er is duidelijk sprake van een selectie die alleen maar van de primitieve mens kon komen.

In de vondstcomplexen van het Vroeg-Paleolithicum in Europa vonden de onderzoekers geen dominantie van één of twee soorten. Toch leveren verschillende opgravingen duidelijke aanwijzingen voor de jacht. Archeologische opgravingen in Boxgrove (in het zuiden van Engeland) leveren sedert 1995 bijkomende aanwijzingen voor de jachthypothese. Daar vonden opgravers niet alleen een 500.000 jaar oud menselijk scheenbeen, maar ook een schouderblad van een paard met een gat erin. Wetenschappers onderzochten het schouderblad grondig en voerden een aantal experimenten uit. Ze kwamen tot de conclusie dat een soortgelijk gat kan ontstaan door de krachtige impact van een puntig projectiel, bijvoorbeeld wanneer een houten speer het schouderblad met een grote snelheid doorboort. De onderzoekers zagen dit gegeven als een aanwijzing voor actieve jacht.

De jachthypothese vindt ook steun in een andere discipline. De Engelse fysisch-antropologen Leslie Aiello en Peter Wheeler bekijken de zaak vanuit fysiologisch oogpunt. De grootte van de energieverslindende hersenen in relatie tot de geringe omvang van de spijsverteringsorganen geeft volgens hen aan dat hoogwaardig voedsel (vlees) al heel vroeg een belangrijke rol speelde in de evolutie van de mens. Bij de jacht kan hij een actieve rol spelen in het verzamelen van dat voedsel.

De wetenschappers die de primitieve mensen als aaseters omschrijven, zien in de vondst van de speren hun theorie niet onmiddellijk in rook opgaan. Volgens hen gebruikte de mens de speer niet om te jagen of te doden, maar wel als een soort peilstok waarmee hij in de sneeuw op zoek ging naar bevroren karkassen van grote zoogdieren. Toch is het niet aannemelijk dat de uitgebalanceerde werpsperen uit Schöningen slechts als peilstok dienstdeden. De Engelse archeoloog Robin Dennell, een groot voorstander van de jachthypothese, stelde zelfs dat je het beschouwen van de speren als peilstokken kon vergelijken met het gelijkstellen van een drilboor met een presse-papier. De vondsten uit Schöningen benadrukken de technische begaafdheid van onze vroege voorouders. Ze waren in staat om perfecte werpsperen te maken die zonder twijfel bij de jacht zijn gebruikt.

intermezzoExperimenteren met speren

Aan de universiteit van Sheffield maakten archeologen drie replica’s van de speren van Schöningen en onderzochten hoe ver ze deze speren konden gooien. De eerste maakten ze met metalen gereedschap, omdat dit de snelste manier was. De twee andere maakten ze met stenen werktuigen, om een idee te krijgen van de problemen die daaraan verbonden zijn. De speren waren ook van sparrenhout en ze waren even groot als de speren van Schöningen.

De werpers probeerden verschillende manieren om de speren te gooien. De lichtste van de drie speren vloog tot achttien meter ver wanneer ze op dezelfde manier werd gegooid als dat tegenwoordig bij het olympische speerwerpen wordt gedaan, met een aanloop. Ze wierpen ook zonder aanloop, zoals de paleolithische jager het wellicht deed nadat hij een dier in een hinderlaag had gelokt.

Heel vaak landde de speer met de punt naar beneden. Dit bewijst het uitstekend vluchtgedrag van de speren. Bij het moderne speerwerpen is een worp trouwens alleen geldig als de speer met de punt naar beneden landt.

Dit artikel is een publicatie van Natuurwetenschap & Techniek.
© Natuurwetenschap & Techniek, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 10 april 2004

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.