Je leest:

Simone van Neerven: “Ik zou meer met bèta’s willen samenwerken”

Simone van Neerven: “Ik zou meer met bèta’s willen samenwerken”

Auteur: | 28 juni 2004

Hoe voelt wiskunde? Het gebeurt niet vaak dat wiskundigen praten over de emoties die hun vak bij hen oproept. Evelien Bus ging er in haar afstudeerscriptie naar op zoek. Door interviews met vakgenoten onderzocht zij de beleving van de wiskunde.

Simone van Neerven: “Uiteindelijk waren de mensen op de vloer blij met mijn oplossing. Daar doe ik het voor. Ik wil aan het einde van de dag, wanneer ik in de spiegel kijk, tegen mezelf kunnen zeggen: dit heb ik vandaag aan toegevoegde waarde geleverd.”

“Mijn ouders zeiden op de basisschool tegen mij: ‘Ga jij maar naar de havo’. Ik was het daar niet mee eens. Mijn oudere broer ging naar het gymnasium en dat wilde ik ook. Maar als twaalfjarige heb je weinig te zeggen. Ik ging naar de havo en ging zonder te werken steeds nèt over.

Toen we een vakkenpakket moesten samenstellen, zei de decaan tegen mij: ‘Kies maar wiskunde A, dat is al moeilijk genoeg voor jou’. Dat heb ik toen maar gedaan. Na de havo ben ik naar het vwo gegaan. In 5 vwo had ik opeens een negen voor wiskunde op mijn rapport. Toen besloot ik dat ik toch wiskunde B erbij wilde doen. In 6 vwo heb ik toen wiskunde B bijgespijkerd. Ik was heel gedreven, werkte nachten door. Ik wilde laten zien dat ik zo’n moeilijk vak aankon. En ik vond het ook gewoon heel leuk om te doen."

“Na het vwo wilde ik in Amsterdam gaan studeren. Via mijn broertje had ik al gezien hoe leuk het daar was. Op een open dag van de universiteit trok de opleiding wiskunde me wel. Ze hadden er een praktijkgerichte afstudeerrichting die me aansprak, namelijk bedrijfs- en industriële statistiek. Het sprak me ook aan dat het een kleinschalige opleiding was. Ik verwachtte dat je er goed contact met de docenten zou hebben. Bovendien vond ik het stoer om een studie te gaan doen die niet iedereen aankan.

Mijn ouders en mijn vrienden hielden hun hart vast. Ik was namelijk geslaagd met een vijf voor wiskunde b. Maar ik wist dat dat kwam omdat ik teveel tegelijkertijd had gedaan. Eigenlijk maakten hun reacties me alleen maar meer gedreven om te laten zien dat ik het wel kon.

Aangekomen in Amsterdam, besloot ik om lid te worden van een studentenvereniging. Dat bleek nogal wat tijd te kosten. Na een groentijd van twee maanden ging ik naar mijn eerste college toe. Toen had ik de boot al gemist. Van de meeste colleges begreep ik helemaal niets. Voor de tentamens haalde ik vaak een twee. Uiteindelijk heb ik in dat jaar met hangen en wurgen de voor mijn beurs vereiste tien studiepunten gehaald.

Mijn studiegenoten vonden het maar raar dat ik lid was geworden van een studentenvereniging en zochten niet echt contact. Ik was zelf ook in niemand echt geïnteresseerd. Ik vond het ‘nerdgehalte’ erg hoog. Bijna alle studenten woonden nog bij hun ouders. Ze kwamen om negen uur aan, stapten direct de collegebanken in, aten ’s middags netjes hun boterhammen op en gingen om vijf uur weer naar huis. Ze leken een afgevlakt leven te leiden, je zag ze nooit gelukkig of ongelukkig zijn. Ze leken ook een beetje los te staan van wat er in het dagelijks leven gebeurt. Op de middelbare school had je een groepje hele populaire mensen, je had een grote groep van go with the flow en je had een groepje uitzonderingen. Wiskundestudenten horen bij dat groepje uitzonderingen.

Ook het merendeel van de docenten vond ik ver van de werkelijke wereld staan. Sommige professoren stonden met hun rug naar de klas toe uit te leggen. Aan het einde van de zin gingen ze steeds zachter praten. Ik was dan helemaal ‘los’, had totaal geen connectie met wat zo iemand vertelde. Ik ben ook wel eens met docenten een discussie aangegaan, waarbij we volslagen langs elkaar heen praatten. Ik dacht dan al gauw: laat maar, ik ga het niet nog een keer proberen.

In mijn tweede studiejaar verbeterde mijn studietempo enigszins, omdat ik goed bevriend raakte met drie studiegenoten. We vormden een team, maakten samen opgaven en gingen ook wel eens met zijn vieren de kroeg in.

De studie kwam me niet aangewaaid. Ik heb veel moeite moeten doen om de theoretische vakken te begrijpen. Een opgave lukte vrijwel nooit bij de eerste poging. Die theoretische vakken zeiden me ook niet veel. Ik wil weten waarom ik iets leer. Maar sommige docenten legden in hun colleges geen enkel verband met de werkelijkheid. Ik heb er toen veel voordeel van gehad dat ik een doorzetter ben.

Om de studiebeurs niet terug te hoeven betalen moest je eenentwintig punten halen. Die heb ik in mijn tweede jaar net gehaald. Toen had ik dus nog steeds mijn propaedeuse niet. Het werd tijd om eens echt te gaan werken, om erachter te komen of ik de studie wel aankon.

In mijn derde en vierde jaar heb ik vervolgens een enorm productieve periode gehad. De studentenvereniging vroeg minder energie, want ik had mijn vrienden daar gevonden. Samen met mijn drie studiegenoten haalde ik vak na vak. Ik werd actief in facultaire commissies. En volgde bijvakken bij psychologie, scheikunde en wetenschapsjournalistiek. Alles wat ik in die tijd aanraakte, veranderde in goud. Het was heerlijk om af en toe gewoon succes te hebben bij het doen van wiskunde. Niets leukers dan een opgave in één keer te kunnen oplossen. Dan kreeg ik het gevoel on top of the hill te staan, de hele wereld aan te kunnen.

Hoe praktischer een vak, des te meer het me beviel. We hebben bijvoorbeeld een keer de pickwickfabriek in Joure bezocht om te kijken hoe de theezakjes daar afgesteld werden. Als wiskundige kun je daar het werk voor de man op de vloer makkelijker maken. Dat geeft me echt een kick. In mijn afstudeerfase heb ik dan ook gekozen voor een praktische stage, bij DAF. Ik heb even getwijfeld of ik na de studie wilde promoveren, maar uiteindelijk leek het me beter het bedrijfsleven in te gaan. Praktisch werk ligt me het meest. Bovendien was ik bang dat ik me in het wiskundewereldje sociaal niet op mijn gemak zou gaan voelen.

Ik ben bij TPG gaan werken. Daar heb ik bijvoorbeeld helpen uitzoeken of het niet goedkoper is om post naar het buitenland geheel of gedeeltelijk machinaal te sorteren in plaats van met de hand. Ik heb toen een paar nachten meegedraaid met het sorteringsproces. Geweldig! Dan zie je pas echt wat er gebeurt. Uiteindelijk waren de mensen op de vloer blij met mijn oplossing. Daar doe ik het voor. Ik wil aan het einde van de dag, wanneer ik in de spiegel kijk, tegen mezelf kunnen zeggen: ‘Dit heb ik vandaag aan toegevoegde waarde geleverd’.

Momenteel werk ik bij de technische dienst van KLM. Hoewel bij KLM nogal wat wiskundigen en econometristen werken, zitten er weinig in mijn directe omgeving. Ik zou meer met bèta’s willen samenwerken. Die denken vaak gestructureerd, snel en analytisch. Ik kan helemaal kriegel worden van mensen die met hun vragen en opmerkingen continu van de kern van de zaak afdwalen."

Over Simone van Neerven

Simone van Neerven studeerde wiskunde aan de Universiteit van Amsterdam en specialiseerde zich in bedrijfs- en industriele statistiek. In 1999 studeerde ze af met haar stage bij DAF Trucks in Eindhoven en ging vervolgens aan de slag als intern adviseur bij TPG (het oude PTT Post). Na anderhalf jaar stapte ze over naar KLM. Daar is ze bezig met het introduceren van Six Sigma bij de Technische Dienst van KLM. Six Sigma is een ‘leadership development’ programma, waarvan een van de aspecten is dat gebruik wordt gemaakt van wiskunde en statistiek om de juiste beslissingen te nemen.

Wiskundig curriculum vitae

1994-1999: studie bedrijfs- en industri¨ele statistiek aan de Universiteit van Amsterdam

1999-2001: intern adviseur op de afdeling kwantitatieve ondersteuning bij TPG

2001-2003: medewerker bij de technische dienst van de KLM

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 28 juni 2004

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.