Je leest:

Schooltaal of thuistaal: wat leren jonge kinderen thuis?

Schooltaal of thuistaal: wat leren jonge kinderen thuis?

Auteur:

Veel Nederlandse ouders leren hun kind Nederlands. Die taal wordt ook op school gebruikt. Toch gaat het ene kind naar het vwo en het andere naar het vmbo, ook al zijn ze even intelligent. Dat komt doordat er verschillen zijn in de taal die kinderen thuis leren.

In Nederland zijn alle onderwijsniveaus toegankelijk voor iedereen. Als je goed kunt leren, dan kun je naar havo of vwo en daarna naar het HBO of de universiteit. Of je ouders nu achter de lopende band staan in een fabriek of directeur zijn van diezelfde fabriek. Toch kunnen veel kinderen met laagopgeleide ouders – ouders die maximaal een vbo-opleiding hebben afgerond – niet zo goed meekomen op school. Die kinderen hebben thuis wel Nederlands geleerd, maar hebben desondanks een taalachterstand. Ze kunnen prima over koetjes en kalfjes praten. Maar met een gesprek over bijvoorbeeld biologie of geschiedenis hebben ze veel meer moeite.

Schooltaal en thuistaal

De taal die je thuis met je vrienden of je ouders gebruikt om over alledaagse dingen te praten noemen we wel thuistaal. De taal van de school heet ook wel schooltaal. Dit is vooral geschreven taal, maar je gebruikt het ook tijdens de les op school. Schooltaal verschilt op een aantal punten van thuistaal. De woorden die mensen in schooltaal gebruiken zijn bijvoorbeeld vaak moeilijker dan die in thuistaal. Bovendien hebben woorden in schooltaal vaak een specifieke betekenis. Zo is een cel in alledaagse taal een ruimte in een gevangenis, terwijl het in de biologie juist een deeltje is van het menselijk lichaam. Ook zinnen zijn in schooltaal vaak moeilijker en langer dan in thuistaal. Een ander belangrijk verschil is dat mensen in schooltaal vaak praten over lastigere onderwerpen dan in thuistaal. Bovendien is het onderwerp meestal niet direct zichtbaar. Zo’n gesprek is daarom lastiger dan een gesprek in de thuistaal.

Taalaanbod thuis

Zoals gezegd leren veel Nederlandse kinderen thuis al Nederlands, vooral van hun ouders. Om kinderen daarbij te helpen, passen ouders hun taalgebruik aan het niveau van het kind aan. Niet alle ouders doen dat even veel en op dezelfde manier. Sommige ouders gebruiken korte zinnetjes en makkelijke woorden als ze tegen hun kind praten. Zij praten ook vooral over het hier en nu. Andere ouders doen dat juist niet. Zij praten met hun kind over dingen die langer geleden zijn gebeurd, zoals toen ze naar de dierentuin zijn geweest. Of ze redeneren samen met hun kind over hoe dingen werken. Dit zijn allemaal kenmerken van schooltaal en vaardigheden die kinderen op school nodig hebben. Niet duidelijk is of die ouders altijd kenmerken van schooltaal gebruiken in hun taalaanbod. Het is mogelijk dat ze dat bijvoorbeeld alleen doen tijdens het voorlezen van prentenboekjes.

Wetenschappers denken dat vooral kinderen met hoger opgeleide ouders thuis al kennis maken met schooltaal. Op school kunnen zij zich dan gelijk richten op de inhoud van de lessen. Ze denken dat dat bij kinderen met laagopgeleide ouders veel minder het geval is. Die kinderen moeten op school dan eerst de schooltaal leren voor ze de inhoud van de lessen kunnen begrijpen. Dat kost hen al zo veel moeite dat ze niet genoeg leren van de lessen zelf.

Taalaanbod in vier Nederlandse gezinnen

In dit onderzoek is gekeken naar de vraag of er inderdaad verschillen zijn tussen moeders in de manier waarop en de mate waarin ze kenmerken van schooltaal gebruiken. Daarvoor is onderzoek gedaan bij vier Nederlandse gezinnen met een kind dat net of bijna drie jaar oud was. Bij die gezinnen zijn er video-opnames gemaakt van moeders terwijl ze met hun kind praatten. In twee gezinnen hadden de moeders een laag opleidingsniveau, in de andere twee een hoger opleidingsniveau.

Verder is onderzocht of moeders bij bepaalde activiteiten meer kenmerken van schooltaal gebruiken dan bij andere activiteiten. Daarom zijn er opnames gemaakt bij zes verschillende activiteiten, zoals samen tafel dekken en daarna eten, het maken van figuurtjes met blokken en het praten over een praatplaat, een plaat waarop allerlei dingen te zien zijn. De opdrachten waren verspreid over twee verschillende dagen, zodat het niet te vermoeiend was voor de kinderen. De opnames bij de verschillende gezinnen duurden in totaal gemiddeld 49 minuten.

Alles wat de moeders en de kinderen zeiden bij de activiteiten is uitgeschreven. Taalkundigen noemen dat transcriberen. Ook alle versprekingen en foutjes worden daarbij precies opgeschreven. Hieronder kun je lezen hoe je zo’n transcript maakt.

Resultaten en conclusie

Alle moeders gebruikten soms kenmerken van schooltaal in hun taalaanbod. De hoogopgeleide moeders deden dat wel meer dan de laagopgeleide moeders. Ze gebruikten langere zinnen en meer verschillende woorden. En ze praatten vooral ook meer over het waarom van dingen. Zie bijvoorbeeld de stukjes hieronder, waarin twee moeders praten over een kraam van een groenteman op de praatplaat. Daar is een omgevallen kist met appels te zien. De eerste moeder liet haar kind nadenken waarom dat gebeurde en legde dat zelf uit. De tweede moeder liet haar kind alleen zeggen dat de kist omviel en ging toen verder met het opnoemen van allerlei soorten fruit.

Kinderen met hoogopgeleide moeders maken dus thuis al meer kennis met schooltaal en met meer verschillende kenmerken daarvan dan kinderen met laagopgeleide moeders. Toch gebruiken ook laagopgeleide moeders soms kenmerken van schooltaal in hun taalaanbod. Alle moeders deden dat vooral als zij samen met hun kind praatten over de praatplaat. Samen praten over zo’n praatplaat is voor kinderen dus een goede voorbereiding op de vaardigheden en de taal die ze op school nodig hebben. Althans, als ze niet alleen benoemen wat ze zien, maar ook nadenken over waarom dingen op de plaat gebeuren. Daarbij hebben ze dan wel hulp nodig van hun moeder, die er al meer ervaring mee heeft. Het zou daarom goed zijn om moeders, en dan vooral laagopgeleide moeders, te stimuleren samen met hun kind te praten over praatplaten. Daarop moeten dan veel verschillende dingen te zien zijn. Zo is er voor elk kind wel iets leuks en steeds iets nieuws om over te praten.

Bron:

  • Geke Hootsen: Schooltaal thuis: een meervoudige casestudy naar het taalaanbod van moeders in interactie met hun driejarig kind. Scriptie Universiteit van Tilburg.

zie ook:

Dit artikel is een publicatie van Universiteit van Tilburg (UvT).
© Universiteit van Tilburg (UvT), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 05 oktober 2007

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

LEES EN DRAAG BIJ AAN DE DISCUSSIE