Je leest:

Schieten op de boosdoener

Schieten op de boosdoener

Auteur: | 8 december 2009

Angiogeneseremmers – stoffen die de groei van nieuwe bloedvaten tegengaan – bieden niet het verwachte succes bij de behandeling van hersentumoren. Promovendus Joost Verhoeff weet nu hoe dat komt: sommige tumorcellen verschuilen zich op een plek waar medicijnen ze niet kunnen bereiken.

Tumoren hebben nieuwe bloedvaten nodig, anders kunnen ze niet groeien en zich ook niet uitzaaien. Ziedaar een mooie manier om de gezwellen te dwarsbomen. Jaren geleden al dachten onderzoekers dat het afremmen van bloedvatgroei een effectieve therapie is tegen allerlei soorten kanker. Er kwamen medicijnen op de markt die de boodschapperstof VEGF wegvangen. Via VEGF laten weefsels aan bloedvatcellen weten dat het tijd is om nieuwe vaten te maken. Ook tumorcellen scheiden grote hoeveelheden uit van deze boodschapperstof, net als weefsel dat door bestraling beschadigd is geraakt. Als je de communicatie tussen kanker- en bloedvatcellen verstoort door de boodschapper ertussenuit te halen, zou een tumor dus verstoken blijven van bloed en niet verder kunnen groeien.

Inmiddels is de angiogeneseremmer Avastin in de VS al in gebruik tegen uitgezaaide dikkedarmkanker, en tegen vormen van long- en borstkanker. En in mei van dit jaar keurde de Amerikaanse Food and Drug Administration (FDA) Avastin ook goed voor patiënten met een recidief (teruggekeerd) kwaadaardig glioom, een tumor die uit hersenweefsel is ontstaan. Maar of dat laatste nu wel zo veel zoden aan de dijk zet, waagt radiotherapeut in opleiding Joost Verhoeff te betwijfelen. Voor zijn proefschrift deed hij onderzoek naar het gebruik van angiogeneseremmers bij patiënten met een recidief kwaadaardig glioom.

Tumoren scheiden stoffen af die de groei van bloedvaten bevorderen. VEGF is hiervan een goed voorbeeld. Kan het remmen van VEGF kanker bestrijden?
Bergers G, et al. Nat Rev Cancer 2002;3:401-10

Dijkdoorbraak

Jaarlijks wordt bij zo’n achthonderd mensen in Nederland een kwaadaardig glioom gevonden. Omdat de hersentumor het omliggende weefsel ingroeit, is hij lastig te bestrijden zonder het gezonde hersenweefsel te beschadigen. Als je geen behandeling toepast, overlijden de meeste patiënten binnen twee maanden. Wordt de tumor door een neurochirurg verwijderd, dan leven patiënten gemiddeld nog een half jaar. De overleving verdubbelt als je daar dertig bestralingsbehandelingen aan toevoegt. Zelfs met chemotherapie erbij leven de sterkste patiënten gemiddeld slechts 14,6 maanden. Maar uiteindelijk keert ook bij hen de tumor terug. Dan rest er weinig meer dan het beste te hopen van experimentele behandelingen.

In het AMC bestudeerde Verhoeff de effecten van angiogeneseremmers op deze laatste groep patiënten. In eerste instantie leken de effecten spectaculair. ‘We zagen op MRI-scans de omvang van de tumor flink afnemen. Dan ga je echt denken dat je mensen aan het genezen bent.’ Maar de beelden bleken bedrieglijk. De gemiddelde overleving van de patiënten verbeterde niet. Sterker nog, de tumor lijkt wel kleiner te zijn geworden, maar is dat niet.

Verhoeff legt uit hoe dat komt: ‘Je zou de bloed-hersenbarrière met een dijk kunnen vergelijken. Deze voorkomt dat allerlei stoffen vanuit de bloedvaten in het hersenweefsel terechtkomen. Een hersentumor – zelf een zeer vaatrijk geheel – veroorzaakt een dijkdoorbraak. Je ziet op de MRI talloze lekkages aan de bloedvaten. Via deze lekkages verzamelt zich veel vocht in en rond de tumor, en dat is wat je op de scans ziet. Angiogeneseremmers leggen als het ware zandzakken op de dijk om hem te versterken. Daardoor verdwijnen de vaatlekkages, neemt de vochtophoping af en lijkt het alsof de tumor slinkt. Ook de klachten verminderen omdat er minder vocht op de hersenen drukt. Maar na verloop van tijd zal de dijk toch weer doorbreken en ben je weer terug bij af.’

Angiogeneseremmers kunnen bij hersentumoren alleen goed werken in combinatie met bestraling.
Dina Wakulchik, Wikimedia Commons

Deze waarneming verklaart ook waarom bestraling in combinatie met chemotherapie tot nu toe het beste werkt. ‘Tijdens het bestralen schiet je als het ware gaten in de dijk, zodat de toegediende medicijnen kunnen uitlekken naar de tumor.’ Volgens die redenering zouden angiogeneseremmers, die de dijk versterken, alleen maar goed tegen gliomen kunnen werken als je daarnaast ook bestraalt. In de VS is dat onlangs geprobeerd bij zeventig patiënten. Voorlopige resultaten laten zien dat de overlevingsduur zonder klachten langer wordt, terwijl de totale overleving hetzelfde blijft. ‘Op zich is dat winst. Niet in de lengte, maar wel in de kwaliteit van leven’, stelt Verhoeff.

Guerillastrijders

Je zou natuurlijk betere resultaten willen, zoals een slinkende tumor. Waarom dat niet lukt, kon Verhoeff wel raden na het bestuderen van dynamische MRI-beelden en de hersenen van overleden patiënten. Daaruit blijkt dat er, naast de bulk van de tumor (die prima te behandelen is) nog invasieve glioomcellen zijn die zich als een soort guerillastrijders schuilhouden in het gezonde weefsel, actief op zoek naar bloedvaten voor hun levensonderhoud. Ze zitten achter de bloed-hersenbarrière, onbereikbaar voor medicijnen, en zijn er verantwoordelijk voor dat er na verloop van tijd op een heel andere plek een nieuwe tumor opduikt. ‘Er zijn middelen die de barrière tijdelijk kunnen openen, want je kunt natuurlijk niet alle hersengebieden langdurig bestralen. Dat geeft op lange termijn vervelende bijwerkingen. Ook zijn er middelen die ervoor zorgen dat de tumorcellen minder goed bewegen en minder invasief worden. Die stoffen moeten echter nog uitgebreid bij proefdieren getest worden.’

Kortom, angiogeneseremmers verdienen zeker een plek in de behandeling van gliomen, maar ze zullen de tumoren niet bestrijden. Nu is aangetoond dat ze veilig te gebruiken zijn bij patiënten met een recidief glioom, zullen ze ook ingezet worden bij mensen met een eerste glioom. Een studie daarnaar is inmiddels gestart in het AMC.

Op MRI-beelden is de bulk van een hersentumor (wit) goed zichtbaar. Losse tumorcellen die zich schuilhouden achter de bloed-hersenbarrière zijn dat niet. Die cellen kunnen later op een heel andere plek een nieuwe tumor vormen.
Christaras A, Wikimedia Commons

Kankerstamcellen

Grotere verwachtingen heeft Verhoeff van de aanpak van kankerstamcellen. Het bestaan hiervan is nog maar recent aangetoond. Vóór deze ontdekking was de gedachte dat alle tumorcellen dezelfde eigenschappen hebben, dat ze zich allemaal tot in het oneindige kunnen delen en onsterfelijk zijn. Maar er blijken grofweg twee typen te bestaan: een bulk van cellen die niet het eeuwige leven heeft en zich niet ongebreideld kan delen en de kankerstamcellen, die deze eigenschappen wel hebben. Als je die stamcellen bestrijdt, stopt de tumor met groeien.

Verhoeff: ‘Er zijn aanwijzingen dat stamcellen van gliomen beschermd worden door bloedvatcellen, net als de neuronale stamcellen. Uit mijn onderzoek is duidelijk geworden dat een kankerstamcel beter kan overleven als er direct contact is met een bloedvatcel. Hopelijk lukt het ons in de toekomst om het contact te verstoren. Misschien is Avastin hierbij al een stap in de goede richting.’

Zie ook

Kanker (Kennislink dossier) Uithongeren verzwakt niet (AMC Magazine) Tumoren in ademnood (Cicero)

Dit artikel is een publicatie van AMC Magazine.
© AMC Magazine, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 08 december 2009

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.