Je leest:

Ruim driehonderd jaar bleef Nederland de baas

Ruim driehonderd jaar bleef Nederland de baas

Auteur: | 7 juli 2009

Wie aan de VOC denkt, denkt aan onze koloniale geschiedenis. Meer dan driehonderd jaar lang maakte Nederland de dienst uit in Indië. Hoe kon een handjevol Hollanders eeuwenlang zo’n onmetelijk eilandenrijk onder de duim houden?

“Dispereert niet, ontsiet uwe vyanden niet, daer en is ter werelt niet dat ons can hinderen… daer can in Indiën wat groots verricht worden!" Aan het woord is Jan Pieterszoon Coen, de vierde gouverneur-generaal van de in 1602 opgerichte Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC). In zijn in 1618 geschreven brief verzocht Coen de algemene leiding van de Compagnie om eigenhandig te mogen optreden. Hij wilde de handelsstad Jacatra op Java ombouwen tot een Nederlands fort. Dat zou ingaan tégen de belangen van de Inlandse bevolking. Met lede ogen moesten de bewoners van Jacatra vervolgens toezien hoe de pakhuizen van de VOC langzaam het karakter kregen van versterkte vestingen. Daar zat méér achter dan alleen het onderhouden van handelsbetrekkingen tussen Nederland en Indië.

Slot van de bekende brief van Jan Pieterszoon Coen met de veel geciteerde zinsnede “Dispereert niet…”

De tegenacties lieten niet lang op zich wachten. De rijksbestuurder van Bantam, prins Ranamanggala. kwam in 1619 in opstand tegen Coen. Hij spoorde de regent van Jacatra aan om samen met de Engelsen het Nederlandse fort Batavia in Jacatra aan te vallen. In een daarop volgende strafexpeditie maakte Coen de stad met de grond gelijk. Op de puinhopen liet hij Batavia bouwen: een Nederlandse stad in Indië, compleet met ringwallen en grachten. Een tijd van koloniale onderdrukking was aangebroken.

Onderdrukking

Coens politiek wekte grote weerstand op bij zijn voorganger Laurens Reaal. Deze probeerde de leiding van de compagnie – de ‘Heeren Zeventien’ – ervan te overtuigen dat Coens voorstellen onmenselijk waren en de Compagnie geen goed zouden doen. " We kunnen niet verwachten dat lieden die Indië kennen daarheen zullen gaan om zich te laten gebruiken als beulen en bewakers van een kudde slaven", argumenteerde Reaal. “Door het vermoorden en martelen van de bevolking zullen we Nederland berucht maken als de wreedste natie ter wereld. De Indiërs zullen doodhongeren en aan dode mensen zal weinig zijn te verdienen.” Reaals bezwaren werden weggewimpeld. De Heeren Zeventien beslisten dat Coens politiek de meest winstgevende was en moest worden doorgevoerd.

Jan Pieterszoon Coen, goeverneur-generaal van Indië van 1619-1623 en van 1627-1629.

Nadat Coen de macht van de Compagnie had laten voelen trok hij op tegen de Banda-eilanden (Molukken). Volgens de Heeren Zeventien hadden de eilandbewoners zich te houden aan een nootmuskaatcontract uit 1609. De Bandanezen voelden daar weinig voor. Andere Europese kooplui boden méér voor hun noten. Volgens goed handelsbeginsel verkochten zij aan de meestbiedenden. In dit geval de Engelsen en de Portugezen. De Compagnie vond dat zij voor hun ‘verraderlijkheid’ moesten worden gestraft. Coen vatte het bevel letterlijk op. Hij liet de hele bevolking op de Banda-eilanden uitroeien: 15.000 mannen, vrouwen en kinderen. Omdat er geen Bandanezen meer waren werd een nieuwe bevolking op de eilanden geplaatst. Ze bestond uit Chinezen, vrijgelaten slaven en oud-soldaten. Zij kregen dezelfde opdracht als de uitgemoorde Bandanezen: nootmuskaat te leveren aan de VOC tegen een door de VOC vast te stellen prijs.

Coens optreden in de Indische archipel luidde een nieuw tijdperk in. Vóór Coens gouverneur-generaalschap waren de Heeren Zeventien van mening dat landen veroveren en vreemde volkeren overheersen geen zin had. Dat kostte niet alleen tijd, maar ook geld. Coen bewees dat oorlog voeren óók tot winst kon lelden. En als het overheersen van een volk de inkoopprijzen van specerijen zou drukken lagen de zaken natuurlijk anders. De kooplieden van de VOC kregen nu vrij spel. Van nuchtere handelaars veranderden ze in niets en niemand ontziende veroveraars. Hun zucht naar winstgevende contracten werd groter dan hun afkeer van inmenging in binnenlandse aangelegenheden, Er ontstond een succesformule. Zo gauw een inlandse vorst hulp van de VOC verlangde bij een opvolgingskwestie kréég hij die. Maar daarná volgde de afrekening: voortaan mocht hij alleen handel drijven met de VOC. Als hij daartegen in verzet kwam, werd hij beschuldigd van ‘contractbreuk’. Dat leverde hem onmiddellijk een oorlogsverklaring van de VOC op. De ene vorst na de andere delfde het onderspit. Het eind van het liedje was dat de VOC heer en meester werd in hun land. Als alles weer rustig was geworden werden de monopoliebepalingen opnieuw verscherpt.

Bevrijdingsoorlogen

Vooral op Java hebben grote opstanden en bevrijdingsoorlogen gewoed. Ze waren bijna succesvol. In 1674 begon de Madoerese prins Troenodjojo een opstand. Later volgde de Balinese ex-slaaf Soerapati (1700) en de Javaanse prins Diponegoro (1825). Diponegoro kreeg op een gegeven moment nagenoeg geheel Java onder controle. De Nederlandse regering dacht er serieus over de archipel op te geven. Maar Diponegoro werd op tijd door verraad uitgeschakeld. In 1830 kwam hij in Magelang (Midden-java) onder bescherming van de witte vlag voor een gesprek met de Nederlandse opperbevelhebber op Java, generaal De Kock. Deze nam tegen alle geldende regels in Diponegoro gevangen. Diponegoro werd berecht en verbannen. De opstand zakte in elkaar. In het Indonesië van nu wordt Diponegoro als nationale vrijheidsheld vereerd.

Diponegoro.

Hoe hebben we Indië zo lang onder controle weten te houden? Dat was zeker geen kwestie van machtsoverwicht. In de hele archipel woonden slechts 200.000 Europeanen tegenover 60 miljoen ‘Inlanders’ en een miljoen ‘Vreemde Oosterlingen’ (Chinezen, Arabieren en Brits-Indiërs). Het was veel meer een kwestie van het juiste gebruik van de macht. Zolang de Inlandse vorsten en bestuurders in de waan werden gelaten van hun ‘oppermacht’ lieten zij de Nederlanders hun gang gaan. Mits zij maar van tijd tot tijd met eerbewijzen werden overstelpt. In de tijd van de Compagnie had men geleerd van de gevolgen die veronachtzaming van de omgangsvormen aan de Javaanse hoven kon krijgen. Gustaaf Willem Baron van Imhoff máákte zulke fouten. Onder zijn gouverneur-generaalschap (1743-1750) werd een verdrag gesloten met het Javaanse rijk Mataram. Daardoor ontstond een netelige opvolgingskwestie. De broer van de Soesoehoenan (keizer van Soerakarta) gaf de gouverneur-generaal daarop in het openbaar een ernstige berisping. Het wankele machtsevenwicht was daardoor verstoord. Dit leidde tot een successie-oorlog, die de Compagnie veel schade berokkende. Ook de bemoeienissen van Van Imhoff met de troonsopvolging van Bantam leidden tot een opstand, die pas onder zijn opvolger kon worden bedwongen. Zo mislukten veel van de maatregelen van Van Imhoff. Ze moesten later weer te niet worden gedaan.

Controle

In de tijd na de Compagnie – de VOC hield eind 1799 op te bestaan en bezittingen en schulden waren in 1798 aan de Nederlandse Staat vervallen – werd het bestuur over de nieuwe kolonie geregeld. Er werd een systeem uitgedacht waarbij Nederlands en inlands bestuur zoveel mogelijk parallel liepen. Vooral na de bestuurshervorming in 1925 was daardoor een overzichtelijke en gemakkelijk te controleren situatie ontstaan. Onder de gouverneurs in de gouvernementen stonden residenten, assistent-residenten, controleurs en aspirant-controleurs. Zij hielden toezicht op inlandse bestuurders van gelijke rang en functie. Namens de inlandse vorsten regeerden regenten (toemenggoeng boepatihs), assistent-regenten (patihs), districtshoofden (wedonos), en onder-districtshoofden (assistent-wedonos).

In veel gebieden was de bevolking ‘in het genot’ gelaten van eigen rechtspleging en zelfbestuur. Maar zelfs bij eenvoudige dorpsverkiezingen ontbrak een Nederlandse controleur niet. Als hij met de Inlandse wedono naar zo’n verkiezing ging werd hij met veel plichtplegingen ontvangen door het oude desahoofd (dorpshoofd). Die riep met een korte wenk enige leden van het desabestuur bijeen en gaf hun de rijpaarden over van beide bestuursambtenaren en hun gevolg. Vervolgens leidde hij zijn gasten naar een klein graspleintje voor zijn woning. Daar stonden een tafeltje en een paar stoelen gereed voor de controleur en de wedono. Iets terzijde was een lage schrijftafel voor de dorpsschrijver opgesteld. Deze hurkte op een matje achter de schrijftafel. Aan de overzijde van het graspleintje zat de mannelijke bevolking in deemoedige houding gehurkt op de grond. Als de verkiezing achter de rug was mompelde de controleur op zichtbare wijze iets tot de wedono, die het weer doorgaf aan het oude desahoofd. Deze voldeed gaarne aan het verzoek van de controleur om zijn instemming met de keuze aan de desalieden over te brengen. Ook spoorde de controleur het nieuwe desahoofd aan zijn ambt met waardigheid te bekleden. Dan zou hij eens de zilveren ‘ster van trouwen verdienste’ opgespeld kunnen krijgen. Zo bleef de bevolking tot in de laagste regionen overtuigd van het Nederlandse gezag.

De schaduw van de Nederlandse vlag.

Onze voorouders waren trots op de ‘rust en orde’ die zij in hun koloniale rijk hadden gevestigd. Het boek Indië uit 1928 (uitgave N.V, Droste cacao en chocoladefabrieken) geeft een mooi voorbeeld van het koloniaal denken in die tijd: “Onze eeuwenlange ervaring en onze vaste wil om eerlijke en betrouwbare leiders te zijn vormen een hecht fundament waarop ons koloniaal rijk is opgetrokken. Of wij dan nooit gefaald hebben in ons koloniaal beheer? Welzeker. Men leze er onze geschiedenisboeken maar op na. Dan blijkt wel dat noch onze regering, noch onze geschiedenisschrijvers er ooit voor zijn teruggeschrokken om waar nodig de vinger op de wonde plek te leggen. Hierdoor hebben we bereikt dat zowel intellectuelen als eenvoudige dorpelingen van het binnenland zich gelukkig en tevreden voelden onder de schaduw van de Nederlandse vlag!”

“Ziet, wij nuchtere Nederlanders…” (Citaat uit Indië)

De geschiedenis heeft anders geleerd. Protocol en eerbetoon aan de Javaanse vorsten waren niet meer genoeg om het overwicht te behouden. In 1912 ontstond een religieuze anti-Nederlandse beweging (Sarekat Islam). Echte nationalistische leiders kwamen naar voren die de diep gewortelde anti-Nederlandse gevoelens in juiste banen probeerden te leiden. Een golf van arrestaties en verbanningen maakte in 1920 een einde aan de beweging. Op gelijke wijze werd een – voorlopig – einde gemaakt aan het ‘Merdeka’ (vrijheid) van Soekarno’s in 1927 opgerichte Partai Nasional Indonesia. Soekarno werd gearresteerd en naar Flores verbannen. Zo overtuigd van haar eigen macht was het Nederlands bestuur dat gouverneur-generaal De Jonge in 1935 opmerkte: “Als ik met nationalisten praat, begin ik altijd met de zin: Wij Nederlanders zijn hier al 300 jaar geweest en we zullen nóg minstens 300 jaar blijven. Daarna kunnen we praten.”

Profetie

De inval van Japan in 1942 gaf de doorslag. Niet alleen steunden de Japanners nationalistische bewegingen, maar ze beantwoordden onbewust ook aan de wijdverspreide ‘Djojobojo-profetie’. Volgens deze profetie zou een witte buffel komen om over Java te regeren. Deze zou lange tijd aanblijven maar uiteindelijk worden opgevolgd door een gele aap. De gele aap zou slechts aan de macht zijn voor zolang een maïsplant leeft. Dan, na een periode van chaos, zou Java weer door Javanen worden geregeerd. De profetie voorspelde ook de komst van een Messias: een Ratoe Adil (rechtvaardige heerser). Voor de Indonesiërs symboliseerde de witte buffel de Nederlanders en de gele aap de Japanners. In Soekarno zagen zij de Ratoe Adil.

De Djojobojo-profetie is uitgekomen. Na de Japanse nederlaag brak werkelijk een periode van chaos aan. Na de oorlog was voor koloniale mogendheden geen plaats meer. Onder druk erkende de Nederlandse regering de op 17 augustus 1945 uitgeroepen ‘Republik Indonesia’. Maar met twee verrassingsaanvallen op de jonge republiek werd getracht de klok terug te draaien. ‘Politionele acties’ werden de aanvallen genoemd. De rest van de wereld reageerde furieus. Na de tweede politiële actie dreigden de Verenigde Staten de naoorlogse Marshall-hulp aan Nederland te staken. Nederland moest toen wel onderhandelen. Op 27 december 1949 werd de overdracht getekend. Het Koninkrijk der Nederlanden erkende de soevereiniteit en droeg de Indonesische archipel ‘onvoorwaardelijk en onherroepelijk’ over aan de Republiek Indonesië.

Eén uitzondering werd gemaakt: Nieuw-Guinea. Het sleepte ons land in 1962 nogmaals een koloniale oorlog in. Wéér waren het de Verenigde Staten die Nederland tot toegeven dwongen. Op 1 oktober 1962 werd de laatste Nederlandse vlag gestreken in Hollandia, de hoofdstad van Nieuw-Guinea. Het was toen 366 jaar, 3 maanden en 3 dagen nadat de kooplui van de VOC de eerste Nederlandse vlag op Indische bodem hadden geplant.

Dit artikel is een publicatie van Astronet.
© Astronet, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 07 juli 2009

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.