Je leest:

‘Rood staan is geen schuld’

‘Rood staan is geen schuld’

Hoe professionals geldproblemen bij jongeren kunnen voorkomen

Jongeren komen steeds vaker in geldproblemen. Dat is te voorkomen. Jongeren kúnnen en willen daarbij geholpen worden, liefst door de professionals die ze iedere dag tegenkomen. En als preventie lukt, is dat ook in het belang van de professionals. Een leraar Engels: ‘Ik kan me nu meer richten op het werk waarvoor ik eigenlijk heb gekozen.’

‘Twee jaar geleden was ik mentor van een meisje. Ik was dat maar heel kort. Dat meisje is gestopt met haar studie om een halfjaar de tijd te nemen haar schulden af te lossen. Ik heb haar daarna niet meer teruggezien.’ Het is een van de citaten uit de vele interviews die we hielden met professionals die met jongeren werken. De afgelopen drie jaar brachten we de financiële situatie van jongeren in kaart. Door een combinatie van kwantitatief en kwalitatief onderzoek én met interventies gericht op financiële bewustwording, probeerden we inzicht te krijgen in hoe jongeren zich financieel gezond kunnen gedragen (zie kader onderaan).

De belangrijkste uitkomst is dat jongeren vaak over onvoldoende financieel bewustzijn beschikken én dat zij bij het verkrijgen van dat bewustzijn ondersteuning wensen. Daarbij kijken ze nadrukkelijk naar de professionals die ze in hun dagelijks leven toch al tegenkomen. Dan gaat het dus niet zozeer om de financieel onderlegde hulpverleners van de kredietbank, maar juist om docenten, woonbegeleiders en cliëntmanagers.

Medium
Van de werkende jongeren heeft 40 procent een schuld van gemiddeld 900 euro.
Niko Vermeer

Een satéprikker

De afgelopen jaren zijn er in Nederland vele artikelen en boeken geschreven over de toename van schulden bij jongeren (KBU 2007; CentiQ 2008; Noorda en Pehlivan 2009; Nibud 2008, 2009, 2010). Van de werkende jongeren heeft 40 procent een schuld van gemiddeld 900 euro. Een derde van de jongeren die nog bij hun ouders wonen, heeft een schuld van 750 euro.

Uit ons eigen onderzoek blijkt dat professionals in hun dagelijks werk regelmatig te maken krijgen met jongeren met schulden. Wel is de diversiteit groot: op het vmbo maken leerlingen schulden door mobiele telefoons en games op internet, maar zijn de bedragen nog niet zo fors. Risicojongeren bij het Veiligheidshuis kampen weliswaar met een combinatie van problemen, maar vaak ook met schulden, bijvoorbeeld door boetes. Bij studenten gaat het vooral om schulden bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), de voormalige IB-groep. Op het ROC vonden we dat een derde van de jongeren een vergroot risico loopt om in de problemen te komen; 5 procent heeft al met problematische schulden te maken. Leerlingen komen bijvoorbeeld in de problemen doordat ze de telefoonrekening of de zorgverzekering niet betalen, onterecht studiefinanciering ontvangen en rood staan. ‘Heel veel jongeren die op kamers wonen, sluiten een lening af omdat ze anders gewoon niet rondkomen. Ze hebben de verzekering, de huur, het schoolgeld (…)’, aldus een ROC-leerling.

Wat vooral opvalt, is dat financiële problemen zich zelden alleen manifesteren. Ze hangen vaak samen met problemen op school, met gezondheid en gedrag. In de woorden van een ROC-directeur: ‘De omgang van de jongeren met geld zit als een satéprikker door alle leerlingenproblematiek heen.’

Medium
Studenten zitten vaak met een studieschuld. Hoewel hun (arbeidsmarkt)perspectieven doorgaans goed zijn, kregen in 2007 toch 75.000 ex-studenten een bezoek van een deurwaarder omdat zij niet aan hun verplichtingen voldeden (Kluwer 2008).
Bert Beelen

Weinig bewustzijn

Schuldhulpverlening staat hoog op de beleidsagenda. Vorige maand nog werd er een wetsvoorstel naar de Tweede Kamer gestuurd dat gemeenten verplicht om mensen met schulden voortaan sneller, uiterlijk binnen vier weken, te helpen daaruit te komen. Het versneld oplossen van de schulden van jongeren (en ook van volwassenen trouwens) is volgens ons echter niet de belangrijkste uitdaging. Belangrijker is het om te voorkomen dat jongeren in financiële problemen raken. Net als kinderen leren om hun tanden te poetsen, moeten ze ook leren gezond met geld om te gaan.

Neem het voorbeeld van ROC-jongeren. Maar liefst 56 procent van hen geeft van zichzelf aan soms of vaker niet goed met geld om te gaan; 18 procent van deze groep zegt nooit goed met geld te kunnen omgaan. Veel jongeren blijken zelfs niet te weten wat ‘rood staan’ en ‘schulden hebben’ betekent. ‘Wat rood staan is?’ vraagt een ROC-student zich af, ‘dat vind ik moeilijk om uit te leggen (…). Geen benul hebben van wat je uitgeeft. En op het eind van de maand op je rekening kijken en dan 100 euro in de min staan. Of zoiets.’ Andere ROC-jongeren zien rood staan expliciet niet als het aangaan van een schuld: ‘Ik zie rood staan niet als een lening’, zegt een van de studenten. ‘Maar openstaande rekeningen of ongeopende post, dat soort dingen, ja, dat wel.’ Hierbij past het beeld dat het hebben van schulden de jongeren doorgaans geen kopzorgen geeft – 85 procent van de ROC-jongeren zit er niet over in.

Wat doen professionals?

Professionals die met jongeren met schulden te maken hebben, blijken nauwelijks aandacht te besteden aan financiële bewustwording (Verhagen 2008). Ook de professionals waarmee wij in ons eigen onderzoek optrokken, deden dat in de beginfase (nog) nauwelijks. Sommigen wijzen op de verantwoordelijkheid van de ouders; anderen voelen zich onzeker over hun eigen financiële vaardigheden en dus over hun competenties de jongeren gezond financieel gedrag aan te leren.

Het verweer van professionals om zich niet met de financiële problemen van jongeren te bemoeien, is meestal dat hun primaire taak ligt op het gebied van onderwijs, welzijn of zorg. ‘Ik ben docent en geen financieel specialist’, is een stelling die nogal wat leerkrachten delen. Ook professionals die werken met risicojongeren of met jongeren met een verstandelijke beperking zien financiën niet als onderdeel van hun primaire taak. Ze verwijzen jongeren die schulden hebben weliswaar soms door naar de schuldhulpverlening, maar in het voorkomen daarvan zien zij voor zichzelf geen rol weggelegd.

Small
Stuart Pilbrow

Een autoriteit

Wat kunnen professionals dan doen? De eerste stap is dat ze erkennen dat ze niet langer de financiële situatie van jongeren kunnen veronachtzamen, ook al is de financiële hulp misschien niet hun eerste taak. Geld speelt een belangrijke rol in het leven van jongeren. Jongeren van nu geven meer uit dan jongeren vroeger deden, en ze willen dat ook graag doen. Ze willen echter óók worden begeleid bij het (leren) nemen van financiële verantwoordelijkheid. Anders dan vaak wordt gedacht, is hun docent of begeleider voor hen een autoriteit van wie ze op financieel vlak kunnen en willen leren:

  • 93 procent van de ROC-studenten zegt er behoefte aan te hebben dat docenten en ouders meer aandacht besteden aan het leren omgaan met geld;
  • 73 procent van de hbo-studenten stelt dat de hogeschool onvoldoende doet om het financieel bewustzijn van studenten te vergroten;
  • jongeren met een verstandelijke beperking geven aan dat zij hun begeleider zien als de belangrijkste persoon bij financiële vraagstukken;
  • 76 procent van de vmbo-jongeren wil meer hulp bij de voorbereidingen op hun financiële toekomst.

De tweede stap is dat professionals nadenken over hoe ze het beste vorm kunnen geven aan schuldpreventie. Bij de Utrechtse instellingen is sinds twee jaar een groot aantal schuldpreventieactiviteiten geïntroduceerd. Bij het ROC Midden-Nederland bijvoorbeeld hebben docenten in hun reguliere lessen en bij de loopbaanbegeleiding aandacht besteed aan financiële issues, zijn er ‘geldweken’ georganiseerd, is er een financieel spreekuur ingesteld voor (risico)studenten en heeft het thema ‘financiën’ een plek gekregen in het interne zorgoverleg. Ook bij het Veiligheidshuis, Abrona, Hogeschool Utrecht en de vmbo’s zijn de professionals met schuldpreventieactiviteiten gestart, toegespitst op de behoeften en leefwereld van de jongeren in de eigen organisaties.

Herhalen, oefenen, doen

Wat levert het onderzoek op voor professionals die met jongeren werken? Om te beginnen hebben zij, anders dan ze vaak denken, geen nieuwe financiële competenties nodig. Het is net als met kinderen leren tanden poetsen: dat kan ook zonder extra kennis. Wel zijn agogische vaardigheden vereist, maar daarover beschikken de professionals al. Zo vonden wij dat professionals in de gehandicaptenzorg de financiële bewustwording van jongeren kunnen vergroten met de agogische vaardigheden die ze bij hun andere werkzaamheden mede inzetten: ‘herhalen, oefenen, doen’.

Verder is het belangrijk om adequaat aan te sluiten bij de leefwereld van de doelgroep. Dit betekent dat financiële educatie meestal beter niet kan gaan over ‘sparen’, ‘zuinigheid’ en ‘verstandig omgaan met geld’, maar over thema’s waarmee jongeren dagelijks te maken hebben. ‘Over scooters, prada’s, mobieltjes, werken en boetes dus’, weet een jongerenwerker. Aansluiten bij de leefwereld van jongeren impliceert bovendien andere didactische keuzes. Op dit moment is financiële educatie meestal gericht op financiële kennisvergroting over sparen, lenen, financiële producten of de werking van de economie en de financiële markt. Wij vonden echter dat vaardigheidscursussen, weerbaarheidssessies of motivatietrainingen vaak beter werken dan informatieoverdracht. Voor zover informatieoverdracht wél zinvol is, is het beter herkenbare voorbeelden te kiezen waarmee jongeren zich kunnen identificeren: Hoe zeg je nee tegen een abonnement? Wat kost een scooter rijden eigenlijk? Wat verdien je als je je mbo hebt afgerond?

Juist niet-financieel gespecialiseerde professionals zijn volgens ons in staat de juiste snaar bij jongeren te raken. Docenten, woonbegeleiders en cliëntmanagers kennen hun jongeren van haver tot gort en weten beter dan bijvoorbeeld schuldhulpverleners hoe met hen te werken. Bovendien zijn ze in staat belangrijke verschillen tussen groepen en individuen te signaleren.

De winst

Jongeren die hebben geleerd gezond met geld om te gaan, zullen minder snel in financiële problemen raken. Professionals die het bewustzijn van jongeren bevorderen, vergroten dus de kansen van jongeren op een gezonde ontwikkeling naar volwassenheid.

Behalve jongeren te leren gezond met geld om te gaan, kunnen professionals ook vroegtijdig geldproblemen zien aankomen. Als het lukt om te voorkomen dat jongeren in de schulden raken, bespaart dit niet alleen persoonlijk leed – variërend van de pijn om af te lossen tot schooluitval en carrières van (kleine) criminaliteit – maar ook reparatiekosten achteraf. Het voorkomen van schulden levert de maatschappij en organisaties uiteindelijk meer tijd en geld op dan het kost.

Professionals hebben er in hun werk zelfs direct baat bij. Jongeren met schulden hebben doorgaans geen rust en dat heeft ook zijn weerslag op hun omgeving. Een docent zegt daarover: ‘Toen ik over het schuldpreventieproject hoorde, dacht ik aanvankelijk: Ik kwam hier toch werken om Engels te geven? Het afgelopen jaar heb ik echter gemerkt dat het instellen van een financieel spreekuur en het bespreken van geldzaken in de klas mij ook ruimte biedt. Ik kan me nu meer richten op het werk waarvoor ik eigenlijk heb gekozen.’ Kortom: een organisatie die aandacht besteedt aan financiële preventie kan wellicht grotere problemen voorkomen, geeft jongeren de nodige rust, en daardoor kan de organisatie zich weer beter op de kerntaken richten: doceren, begeleiden, coachen, empoweren.

Onderzoek én activiteiten

De afgelopen drie jaar deden wij in Utrecht een grootschalig praktijkgericht onderzoek naar het financieel bewustzijn van jongeren. Daarnaast voerden we activiteiten uit die jongeren een gezonde kijk op geldzaken moesten helpen geven.

Het onderzoek vond plaats onder een brede groep jongeren: middelbare scholieren, ROC-leerlingen, hogeschoolstudenten, jongeren met een verstandelijke beperking en risicojongeren die in aanraking zijn gekomen met het Veiligheidshuis, een samenwerkingsverband van organisaties in de justitie- en zorgketen. Ook interviewden we professionals die met de jongeren werken, zoals docenten, schoolmaatschappelijk werkers, loopbaanbegeleiders, zorgverleners, jeugdreclasseringsmedewerkers en casemanagers. We hielden vier grootschalige enquêtes onder vmbo-jongeren (N=292), ROC-leerlingen (N=826 (nulmeting); N=854 (tussenmeting) en hbo-studenten (N=949). Per groep hielden we bovendien ongeveer twintig interviews én twintig interviews met de professionals die met hen werken. Tot slot interviewden we jongeren met een verstandelijke beperking en hun professionals, alsmede professionals die werken met jongeren die in aanraking zijn gekomen met het Veiligheidshuis (bijvoorbeeld jeugdreclasseringsmedewerkers).

Daarnaast ontplooiden we schuldpreventieactiviteiten bij vijf instellingen in de provincie Utrecht: het ROC Midden-Nederland, de Kredietbank Utrecht, de verstandelijkgehandicaptenorganisatie Abrona, de Hogeschool Utrecht, het Veiligheidshuis Utrecht en bij een aantal gerechtsdeurwaarders en vmbo-scholen in de regio. Zo organiseerden we financiële educatie voor vmbo-studenten, een financieel spreekuur voor ROC-studenten, adviezen aan medewerkers van het Veiligheidshuis en trainingen voor professionals die werken met jongeren met een verstandelijke beperking. De bedoeling van het combineren van onderzoek met activiteiten is om resultaten en succesfactoren van schuldpreventie zichtbaar te maken, om zo de kwaliteit van de schuldpreventie (verder) te verbeteren.

Literatuur

  • CentiQ, Financieel inzicht 8- tot 18-jarigen in Nederland. Den Haag: CentiQ, 2008
  • KBU, Handboek ‘Jongeren en schulden’. Utrecht: Kredietbank Utrecht, 2007
  • Kluwer, Studieschuld verdubbeld. Informatieserie voor studerenden, Kluwer, 14-08-2008,
  • Nibud, Financieel gedrag van jongeren. Utrecht: Nibud, 2008
  • Nibud, Nibud scholierenonderzoek. Utrecht: Nibud, 2009
  • Nibud, Jongeren en schulden. Nieuwsbrief maart 2010. Utrecht: Nibud/MOgroep, 2010
  • Noorda, J. en T. Pehlivan, Kredietcrisis onder risicojongeren. Een andere kijk op schulden en huisvestingsproblemen. Den Haag: SDU, 2009
  • Verhagen, S., Participatie en maatschappelijke ontwikkeling. Lectorale rede. Utrecht: Hogeschool Utrecht, 2008

Stijn Verhagen is lector participatie en maatschappelijke ontwikkeling bij de Hogeschool Utrecht. Pim van Heijst, Kitty Jurrius, Pauline Calkoen en Eelco Koot zijn kenniskringlid bij dit lectoraat.

Dit artikel is een publicatie van TSS - Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken.
© TSS - Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 01 juli 2010

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

LEES EN DRAAG BIJ AAN DE DISCUSSIE