Je leest:

Roken tijdens zwangerschap vergroot gedragsproblemen kind

Roken tijdens zwangerschap vergroot gedragsproblemen kind

Auteur: | 4 maart 2008

Kinderen die tijdens de zwangerschap zijn blootgesteld aan nicotine, hebben ernstige moeite om hun gedrag aan te passen aan de omstandigheden als er emotie in het spel is. Hoe meer de moeder rookte tijdens de zwangerschap, hoe meer antisociale gedragsproblemen het kind blijkt te hebben. Door problemen tijdig te onderkennen kun je een kind misschien wel beschermen tegen ergere stoornissen. En daarbij geldt: geen enkel kind is gelijk.

“Kinderen die tijdens de zwangerschap zijn blootgesteld aan nicotine, hebben ernstige moeite om hun gedrag aan te passen aan de omstandigheden als er emotie in het spel is”, stelt Hanna Swaab in de oratie die ze op 4 maart uitsprak.

Deze kinderen blijken meer antisociale gedragsproblemen te hebben in het dagelijks leven, recht evenredig met de mate waarin de moeder rookte tijdens de zwangerschap. Het zogenoemde ‘cool executief functioneren’, waarbij geen emoties betrokken zijn, is bij deze kinderen niet verstoord, het ‘hot executief functioneren’ – als wel emoties in het geding zijn – wel. Binnen haar onderzoeksgroep wil Swaab de in meerdere opzichten maatschappelijk relevante relatie tussen roken tijdens de zwangerschap en het risico op antisociaal gedrag tijdens de ontwikkeling, verder bestuderen. Het is slechts een van de resultaten binnen haar onderzoeksgroep die Swaab in haar oratie ‘Kansen van de kindertijd’ noemt.

Hoe meer de moeder rookte tijdens de zwangerschap, hoe meer gedragsproblemen het kind blijkt te hebben (Foto: Stiftung Kindergesundheit)

Ontwikkelingsachterstand

Als een kind wordt geboren, ligt er een pakket aan verwachtingen klaar ten aanzien van de wijze waarop dat kind zich ontwikkelt. Opvoeders, ouders en leerkrachten baseren hun verwachtingen op wat zij weten van gemiddelde, niet problematische kinderen en adolescenten. Maar soms wijkt de ontwikkeling van een kind af van het gemiddelde; het is mogelijk dat zich bijvoorbeeld al op heel jonge leeftijd ontwikkelingsachterstanden in de motoriek of in de taal manifesteren.

De neuropedagogiek is een van de theoretische referentiekaders voor de verklaring en de aanpak van ontwikkelingsproblemen. Swaab omschrijft de neuropedagogiek als het wetenschapsdomein dat zich bezighoudt met de relatie tussen het gedrag en het functioneren van de zich ontwikkelende hersenen, en de invloed van omgevingsfactoren hierop, tijdens de kindertijd en in de adolescentie. Hierbij gaat het om hoe gedragsmogelijkheden en -beperkingen samenhangen met de al dan niet afwijkend ontwikkelde hersenfuncties en wat die samenhang betekent voor de opvoedende omgeving. Daarbij komt de bestudering van mogelijkheden tot beïnvloeding van de al dan niet verstoorde relatie tussen de hersenen en het gedrag.

Onder dit model ligt de aanname dat het gedrag van kinderen en adolescenten door de hersenen wordt aangestuurd, een veronderstelling die niemand zal bestrijden. Het hersen-gedragmodel wordt volgens Swaab dan ook steeds vaker toegepast in de klinische praktijk, zeker nu er steeds meer wetenschappelijke kennis beschikbaar komt over de hersen-gedragrelaties bij opgroeiende kinderen.

Het gedrag van kinderen wordt door hun hersenen aangestuurd. Dat klinkt logisch, maar dit inzicht wordt nog niet zo lang in de klinische praktijk toegepast.

Genen in interactie met de omgeving

De groei en ontwikkeling van de hersenen zijn het resultaat van genetische programmering, maar continue interactie met de omgeving is nodig om aanpassing mogelijk te maken. De diagnosticus moet weten op welk moment in de ontwikkeling welk gedrag gemiddeld mogelijk is en wanneer er sprake is van een afwijkende ontwikkeling. Er is dus kennis nodig van de normale ontwikkeling van de hersenen, maar ook van de invloed van ziekten en aandoeningen.

Swaab benadrukt het belang van de individuele profielen van kinderen en adolescenten ten opzichte van de classificatie op basis van het medisch denkmodel. Dit model beoogt ‘stoornissen’ of ‘syndromen’ te onderkennen. Dit betekent dat men symptomen of gedragskenmerken in hun samenhang beschrijft. Een bekend classificatiesysteem is de DSM (Diagnostic and Statistic Manual). De beschrijving van syndromen is ontstaan op grond van consensus en de systemen beogen een hoge betrouwbaarheid.

Maar de classificaties zijn vaak al zo ingeburgerd dat hulpvragende ouders met schijnbaar gemak deze classificaties hanteren. Ouders vragen: heeft mijn kind misschien ADHD of PDD (de verzamelnaam voor stoornissen in het autistisch spectrum)? En niet: waarom is mijn kind op school zo afgeleid of waarom heeft mijn kind zo weinig vriendschappen? Diagnostiek met bijvoorbeeld de DSM, heeft als voordeel dat problemen op dezelfde wijze worden benoemd, wat de herkenbaarheid en communicatie erover vergemakkelijkt. Als kinderen voldoen aan de criteria maakt dat bovendien de weg vrij naar allerlei (gesubsidieerde) voorzieningen in de zorg.

Als een kind een duidelijke diagnose krijgt (“Het is ADHD”) dan helpt dat ouders om hulp te regelen. Maar soms is er geen pasklare diagnose voor een probleem, bijvoorbeeld omdat een ontwikkelingsprobleem zich in elke levensfase anders manifesteert.

Geen enkel kind is gemiddeld

Soms echter passen de problemen niet goed bij de criteria en kan er niet worden geclassificeerd. Zo kunnen ontwikkelingsproblemen zich op verschillende leeftijden anders manifesteren, afhankelijk van het ontwikkelingsstadium en het beloop, terwijl de DSM-criteria vooral onafhankelijk van de leeftijd zijn geformuleerd, wat tot diagnostische verwarring kan leiden. Kortom, een classificatie volgens een van de systemen is belangrijk, maar vooral gericht op de kenmerken die door de groep als geheel worden gedeeld en die richting geven aan de behandeling.

Juist bij het opstellen van een theorie van het individuele geval om tot een adequaat behandelplan op maat te komen, in het bijzonder als de problematiek complex is of niet precies past bij een bepaalde categorie, kunnen de verschillende diagnostische methoden elkaar in de klinische praktijk zinvol aanvullen. Met haar groep wil Swaab graag een bijdrage leveren aan de funderende wetenschappelijke kennis.

Geen enkel kind is gemiddeld, besluit Swaab haar oratie. Ieder kind heeft een eigen profiel van sterke en zwakke kanten. Het tijdig onderkennen van een afwijkende ontwikkeling en het tijdig in beeld brengen van risicofactoren en beschermende factoren creëert een kans om gericht in te grijpen en het kind waar mogelijk te beschermen tegen een ernstig ontwikkelingsbeloop.

Prof.dr. J.T. (Hanna) Swaab-Barneveld bekleedt sinds 1 oktober 2004 de leerstoel Pedagogische wetenschappen, in het bijzonder orthopedagogiek met betrekking tot diagnostiek, in het bijzonder neuropedagogisch assessment. In haar oratie geeft ze een beknopt overzicht van de stand van zaken in haar vakgebied en de rol van haar onderzoeksgroep daarin.

Dit artikel is een publicatie van Universiteit Leiden.
© Universiteit Leiden, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 04 maart 2008

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.