Robot: ja. Zombie: nee

Enge, nét niet menselijke robots: zombies uit de ‘uncanny valley’ of gewoon slecht ontwerp?

Een robot die erg op een mens lijkt, maar net niet genoeg, vinden we eng. Of althans, zo luidt de populaire ‘uncanny valley’ theorie. Maar klopt dit wel? Voordat robotbouwers meteen in de schroevedraaier klimmen om minder menselijke robots te knutselen, moet er eerst gedegen wetenschappelijk onderzoek worden gedaan – onderzoek dat nu nog ontbreekt.

door

Op het eerste gezicht lijkt het logisch: hoe menselijker de robot, hoe gemakkelijker we die robot accepteren en ermee omgaan. Maar stel je eens een prothese van een hand voor. Hij is erg goed nagemaakt: de kleur klopt, er zitten haartjes op en hij heeft zelfs vingerafdrukken. Zodra je deze kunsthand aanraakt staat je echter een onplezierige verrassing te wachten. De hand voelt koud en rubberachtig. Je schrikt en vindt de hand maar een eng ding.

Het is juist deze reactie die Masahiro Mori al in 1970 op het idee bracht dat voor robots niet automatisch geldt dat menselijker ook beter is. Integendeel: robots die het nét niet hebben, zijn veel enger dan hun soortgenoten die slechts in de verte iets mensachtigs hebben. Dit fenomeen noemde hij de uncanny valley.

Medium

Fervent aanhanger

Informaticus Karl MacDorman is een fervent aanhanger van deze theorie. Hij werkte zowel aan de Indiana University als aan de Osaka University in Japan aan onderzoek om te ontdekken hoe de uncanny valley ontstaat en wat we er mee kunnen. De robots van zijn Osaka-collega Hiroshi Ishiguro komen daarbij goed van pas. Ishiguro is af en toe even wereldberoemd omdat ‘zijn’ robots erg goed – maar net niet goed genoeg – op mensen lijken.

Waarom is net-niet eigenlijk zo eng?

Wat maakt dit robotkind zo uncanny? Volgens MacDorman komt dat dit bijna-menselijke ons doet denken aan een lijk of een zombie. Het enge, lugubere gevoel dat we krijgen als we naar de Repliee R-1 kijken, komt omdat het ons – onbewust – herinnert aan de dood.

Om dit te testen bedacht MacDorman een ingewikkeld experiment waarbij hij mensen verschillende afbeeldingen liet zien. Tussen die afbeeldingen zat voor de ene helft van zijn proefkonijnen een foto van een Japanse vrouw (een echte). De andere helft zag een plaatje van een van Ishiguro’s robots (de experimental image). Na een korte afleiding, toetste MacDorman of ze nu ook inderdaad onbewust aan de dood hadden gedacht.

Large

De resultaten waren tweeledig. Zo waren de proefpersonen wel patriotistischer geworden en vielen ze meer voor een charismatische leider – uit eerder onderzoek blijkt dat mensen die aan de dood herinnert worden ook zo reageren. Maar wanneer MacDorman op een directere manier probeerde vast te stellen dat zijn deelnemers doodsgedachten hadden gehad – hij liet ze woorden als COFF_ _ afmaken om te kijken of ze voor COFFIN of COFFEE zouden kiezen – vond hij weinig resultaat. Toch concludeert MacDorman aan het eind dat het zo moet zitten: de uncanny valley bestaat, omdat we de net-niet-robots met zombies en dood associeren.

Small

Flauwekul

De Amerikaanse roboticus David Hanson vindt dit flauwekul. Als hij naar enge robots kijkt, ziet hij een gebrek aan esthetiek: de robots zijn niet mooi en niet goed genoeg gemaakt. Hanson haalt zijn inspiratie uit de kunst. Daar zien we volgens hem voortdurend voorbeelden van net-niet-menselijkheid, die toch niets lugubers hebben. Voor tekenfilmfiguren geldt hetzelfde. Disney’s Pocahontas is ook net niet menselijk, en toch eerder lief dan eng.

De uncanny valley bestaat niet?

Hanson denkt dat de uncanny valley helemaal niet bestaat, of exacter: dat de vorm van de Mori’s grafiek afhangt van de voorbeelden die je kiest. Natuurlijk, een zombie is eng, en een gezond persoon niet, maar dat hoeft niet altijd persé te gelden. Dat blijkt ook uit zijn onderzoek. Door verschillende voorbeelden te gebruiken kon hij de uncanny valley repliceren, omkeren of zelfs een continuum van creëren, waarbij het niet uitmaakte hoe menselijk het voorbeeld was, het bleef allemaal even eng. Zelfs echte mensen bleken in uncanny te kunnen zijn: Michael Jackson bijvoorbeeld scoorde maar iets hoger dan een bewegend lijk.

Large

Om te kijken of dit ‘esthetische principe’ ook in het echt werkte, bouwde Hanson samen met zijn collega’s een robot die qua mensachtigheid niet onderdoet voor Ishiguro’s Repliee. De robot lijkt op de overleden sciencefictionschrijver Philip K. Dick, die onder andere Bladerunner bedacht. Tijdens een grote wedstrijd in 2005 maakte de robot zijn entree bij het bezoekend publiek, dat overwegend positief op hem reageerde (volgens Hanson), ondanks het feit dat de achterkant van zijn hoofd ontbreekt en in plaats daarvan al z’n robotische ingewanden laat zien. Uit een onderzoek met andere ‘esthetische robots’ bleek de overgrote meerderheid van de proefpersonen de robot aansprekend (73%) en levendig (85%) vonden. Niemand vond de robots verontrustend.

Medium

Matig onderzoek, mager bewijs

Wie moeten we nu geloven? Is er een uncanny valley of hangt dat vooral af van de vraag hoe goed en mooi een robot ontworpen is? Feit is dat het wetenschappelijk bewijs voor beide stellingen mager is. Zowel MacDorman als Hanson negeerden in hun onderzoeken een paar belangrijke spelregels. Zo gebruikten ze maar een kleine groep mensen als proefkonijn en publiceerden ze de resultaten niet in een vakblad. Dat betekent dat ze niet onder de loep zijn genomen door vakgenoten en dat hun onderzoek en conclusies niet extra zijn gecontroleerd.

Verwarring voor robotbouwers, maar een kans voor gedragswetenschappers

Eigenlijk weten we dus nog steeds heel weinig over de uncanny valley. Sterker nog, we weten niet eens zeker of hij wel bestaat. Wat moeten de robotbouwers van de toekomst nou doen? MacDorman adviseert logischerwijs om robots niet al te menselijk te maken, om aan de ‘veilige kant’ van de vallei te blijven. Hanson raadt ontwerpers aan om dat juist niet te doen, maar in plaats daarvan de nadruk te leggen op het maken van een mooie, goed vormgegeven en zeer menselijke robot.

Small
Small

Toch is er een nut voor de net-niet-robots van Hanson en Ishiguro en MacDorman.De heren zijn het er namelijk over eens dat de robots (enge én mooie) kunnen helpen belangrijke vragen over de mens te beantwoorden. Bijvoorbeeld: wat is menselijkheid eigenlijk? Waar zit hem de kneep? En ook voor de niet enge robot is een gedragswetenschap-pelijk nut. Ze kunnen namelijk volgens de onderzoekers prima helpen bij het bestuderen van interactie, omdat je de communicatie van een robot voor 100% kunt sturen en beheersen. Zo kun je precies kijken wat die communicatie met een proefpersoon doet. Uncanny of niet: mensachtige robots blijven nog wel even belangrijk.

Meer op Kennislink:

Delfste Denise loopt als een mens
Dossier Robotica
Robotaap speelt met je