Je leest:

‘Radicalisme is het zout in de samenleving’

‘Radicalisme is het zout in de samenleving’

Auteur: | 1 februari 2008

Rik Coolsaet is hoogleraar Internationale politiek aan de universiteit van Gent en één van de smaakmakers van het ‘Belgische Clingendael’ in Brussel. Hij wil tegenover de paniek die over de wereld raasde sinds 9/11 eerst en vooral de stem van de rede versterken. Als spin in het web van Europese terrorisme-experts, vertelt hij over de laatste inzichten rond contraterrorisme, het nut van radicalisme en de verschillen tussen Nederland en België. ‘Nederland komt in het reine met zijn recent hysterisch verleden.’

Het fenomeen of de impact van het internationaal terrorisme werd na 9/11 overdreven, zo schreef u. Kinderziekten bijvoorbeeld, eisen jaarlijks heel wat meer slachtoffers dan terreurdaden (elf miljoen tegenover enkele honderden). Ziet u die overdrijving nog steeds?

‘Jazeker. Als je het vergelijkt met de tijd waarin ik het boek ‘De mythe Al-Qaeda’ schreef, is de frequentie van internationaal terrorisme nog meer verminderd. Er vinden wereldwijd pakweg een paar honderd aanslagen plaats, die gelieerd zijn aan internationaal terrorisme en dus aan mensen die grenzen overschrijden om in een ander land een aanslag te gaan plegen. Maar internationaal terrorisme is dus zeker geen fundamentele bedreiging voor samenlevingen; wel vormt het binnenlands terrorisme een bedreiging voor landen als Pakistan, Afghanistan en Irak. Daar zie je dus juist een toename van het aantal aanslagen. Maar de existentiële vrees die we in het westen hebben voor het terrorisme is fysiek, objectief, numeriek overdreven. Je loopt een groter risico om met je auto in de Belgische Ardennen te botsen op een hert, dan slachtoffer van een aanslag te worden in de Lage Landen.’

Coolsaet: “Je loopt een groter risico om met je auto in de Belgische Ardennen te botsen op een hert, dan slachtoffer van een aanslag te worden in de Lage Landen.”
Project 404, Flickr

Sommige politici of opiniemakers zullen vinden dat je met zo’n uitspraak de angst van ‘de mensen’ bagatelliseert.

‘Nee, ik zeg alleen dat de angst niet in overeenstemming is met de werkelijkheid. Mijn publicaties en openbare optredens zijn er dan ook op gericht om die angst te relativeren, maar níet te bagatelliseren. Want dat de angst bestaat en reëel is, is precies de reden waarom ik erover schrijf; De vraag is hoe je die angst beantwoordt: met een heel arsenaal van maatregelen of doe je een beroep op het feit dat de mens vatbaar is voor ratio, voor rationele argumenten. Die laatste weg is sinds 2001 de mijne: het in perspectief plaatsen van het fenomeen, opdat mensen minder bang zouden zijn. De spiegel van de werkelijkheid tegenover de angst.’

Wat de tendens betreft, het aantal terroristische aanslagen nam verder af. Wat kunnen we hieruit leren?

‘Het aantal aanslagen neemt af, maar het aantal slachtoffers per aanslag nam relatief toe. Maar dat is nu ook weer niet van die orde dat je kunt spreken van een nieuwe golf van ‘catastrofaal terrorisme’, een term die in de wetenschappelijke literatuur opdook na 9/11. Daaronder begreep men dat dankzij mondialisering internationale netwerken als Al-Qaeda zich zouden toeleggen op de productie van ABC-wapens (nucleair, bacterieel, chemisch, hvs) en er dus een nieuw tijdperk van terrorisme was aangebroken. Zwaar overdreven. Het blijkt absoluut niet zo eenvoudig om dat soort wapens te produceren. En als je bijvoorbeeld kijkt naar het laatste rapport over terrorisme in de EU van Europol, met het overzicht van 2007, dan zie je dat het aantal aanslagen in Europa wel is verhoogd tegenover 2006. Maar ruim negentig procent ervan bestaat uit heel kleinschalige acties als brandstichtingen van de Baskische ETA. Heeft dus niets te maken met catastrofaal terrorisme door jihadi’s. Ik wil de uitdaging van het terrorisme ook niet onderschatten, maar we moeten goed beseffen dat terrorisme altijd heeft bestaan en helaas zal blijven opduiken. Wat we moeten doen is het fenomeen in perspectief plaatsen en het plaatsen naast andere risico’s die inherent zijn aan het leven.’

Uit dat Europol-rapport blijkt ook dat van de honderden aanslagen in 2007 er slechts 4 gerelateerd zijn aan ‘islamisme’.

‘Van de ruim 700 acties, was 91 procent gerelateerd aan separatisten van de ETA, en bij de overige 9 procent ging het om dierenrechtenactivisten van het Animal Liberation Front, en enkele jihadi’s. Ook het aantal in 2007 gearresteerde jihadi’s is achteruit gegaan. De publieke opinie associeert terrorisme nog steeds met moslims, terwijl dat slechts om een minimaal aantal gaat. Aan de andere kant wil dat niet zeggen dat sommige moslimextremisten niet uit zijn op zo grootschalig mogelijke terreurdaden. Daarvoor moet je inlichtingen-, en politiediensten de mogelijkheid geven om die te verhinderen. Waar ze tot nu toe goed in geslaagd zijn in de Lage Landen. Maar nogmaals, het is geen kwestie van onderschatten, maar zeker ook niet overschatten.’

“Ruim negentig procent van de aanslagen in Europa bestaat uit heel kleinschalige acties als brandstichtingen van de Baskische ETA.” Foto: ETA graffiti in Noord-Spanje.
Dr John 2005

Radicalisme is OK

Deskundigen vrezen een self fullfilling prophecy: als je je beleid teveel focust op één specifieke groep – lees moslims – dan loop je het risico het tegenovergestelde te bereiken van wat je wil, dus verdere radicalisering van individuen of kleine groepen.

‘Ja, maar het probleem is dat je deze stelling niet kunt bewijzen. Eenvoudigweg omdat er geen wetenschappelijk onderzoek naar is gedaan. Daarom pleiten we als groep Europese experts voor dit soort onderzoek over gewelddadig radicalisme. Dus onderzoek of bepaalde initiatieven van de overheid bijdragen aan radicalisering en terrorisme. Een andere aanname die onderzocht moet worden, is dat radicalisering zou toenemen. Je kan wel dat gevoel hebben, maar niemand weet het écht zeker.’

Een andere belangrijke conclusie van deze groep experts is opvallend: radicalisme as such is niet slecht, het dient een politiek, maatschappelijk doel. Zie bijvoorbeeld mei ‘68. Menig Nederlands politicus zal dit niet graag horen…

‘Radicalisering heeft een negatieve bijklank gekregen. Maar als ik de terrorisme-experts bij onze politie hoor spreken – heel concreet de gerechtelijk directeur bij de Belgische federale politie Glenn Audenaert – dan valt bijna alles onder het recht op vrijheid van meningsuiting. Dus ook radicale uitspraken over interpretatie van religie of van politiek ideologieën. Dat is grondwettelijk verankerd en gelukkig maar! Wat niet kan is het legitimeren van geweld. Daar ligt de grens. Je hebt, ook als radicaal, instrumenten om voor je idealen te strijden binnen de grenzen van een democratische rechtsstaat.

Demonstratie tegen terrorisme in Mumbai.
Bird Eye

In de geschiedenis van Nederland of België was er niets veranderd zonder radicale mensen. Dus radicalisme en radicalisering zijn heel legitieme stromingen in een samenleving. Radicalen zijn zelfs het zout in onze samenleving. Maar té veel zout is niet goed voor het lichaam. Niet acceptabel in een liberale democratie zijn acties die buiten de wet vallen. Wij benadrukken dat die radicalen die bereid zijn te doden om verandering teweeg te brengen, altijd een heel kleine minderheid zijn geweest. Dat is in de geschiedenis altijd zo geweest. We moeten dan ook niet de fout maken om de daden van die minieme minderheid te projecteren op de groep waarvoor die geweldpleger zegt op te komen.’

Bovendien zeggen experts dat het altijd individuen in een groep zijn, die er voor zorgen dat radicalisme doorschiet naar geweld…

‘Ja, religie of ideologie worden gebruikt om terreurdaden te rechtvaardigen, maar zijn op zichzelf niet de bron ervan. In alle radicaliseringprocessen – religieus of politiek – zie je dat mensen vertrekken van een zelfde grondoorzaak: een terecht of subjectief gevoel dat een relatief grote groep binnen een samenleving onrechtvaardig behandeld wordt. Een heel kleine groep gaat proberen om via terreur iets aan die ongelijkheid te doen. In het proces van individuele radicalisering, zie je dat niet iedereen binnen een groep van radicalen bereid is geweld te gebruiken. Zij dit dat wel doen gaan vaak ‘leentjebuur spelen’ in hun religie of ideologie, om zichzelf een ‘cognitief frame’ te verschaffen en hun daden te rechtvaardigen. In Nederland bleek dat uit de analyses van Maurits Berger (Clingendael) en Ruud Peters (Universiteit van Amsterdam) over Mohammed Bouyeri, die een brief prikte op het lijk van Theo van Gogh. Dat was een ‘knip-en-plak-islam’. Hij haalde uit islam die elementen die zouden rechtvaardigen dat hij iemand als van Gogh vermoordde.’

Rik Coolsaet is docent internationale politiek aan de universiteit Gent. Daarnaast is hij directeur van het departement ‘Veiligheid & Global Governance’ op het Koninklijk Instituut voor Internationale Betrekkingen (Egmont) in Brussel.

Oranje vs Rode Duivels

Clingendael-expert Edwin Bakker vindt dat de vraag ‘is radicalisme wel zo slecht?’ relevant is, maar in Nederland ook gevoelig ligt. Als een rechtbank een van terrorisme verdachte persoon vrijspreekt in de Hofstad-zaak, pleiten politici meteen voor het verstrengen van de wet.

‘Daar zie je een verschil tussen Nederland en België. Hetzelfde wat Bakker zegt, wordt hier ook gezegd door Audenaert, één van de hoogste politiemensen. Ik denk dat in België, de ambtenarij een dempende invloed heeft uitgeoefend, en nog steeds, zodat het debat over islam en radicalisering niet de hysterische richting is opgegaan zoals we in Nederland hebben gezien. Het ambtelijk apparaat, met name politiediensten, heeft de zaken in perspectief geplaatst. Met name omdat ze er al veel langer mee vertrouwd waren, al sinds midden jaren tachtig. De Nederlandse overheden zagen het als een nieuw fenomeen, en dan raak je sneller onder stress.’

België heeft zijn ‘terroristische trauma’s’ al veel eerder gehad: de brutale aanslagen van de Bende van Nijvel en de CCC, allerlei moorden in de sfeer van politiek en georganiseerde misdaad. Nederland leek tot begin van deze eeuw nog een keurig aangeharkte modelstaat en schrok ruw wakker met de moorden op Fortuyn en Van Gogh en de aanslagen van 9/11?

‘Mja. Het verschil is ook dat onze politiediensten en veiligheidsdiensten al sinds de jaren tachtig met terrorisme geconfronteerd werden. In 1986 had je een aantal islamitisch geïnspireerde aanslagen in Parijs, met sporen richting Brussel. Toen is de nationale politie – toen nog de Rijkswacht – op eigen initiatief een onderzoek gestart naar religieus geïnspireerd terrorisme. Politiemensen gingen studeren en op het terrein onderzoek doen en hebben dit thema sindsdien niet meer losgelaten. Nederland heeft dit thema pas ontdekt na 9/11 en eigenlijk pas na de moord op Van Gogh. Nederland heeft dan wat aan overreactie gedaan, en dat is niet gebeurd in België.’

Dezelfde Audenaert zegt dat terwijl in 1995 het eerste grote terrorismeproces, gelieerd aan de Algerijnse GIA, in Brussel plaatsvond, men in Den Haag zei dat radicalisering in Nederland niet bestond. Hoe kan het dat Nederlanders dachten dat mondiale fenomenen aan hen voorbij gaan, terwijl ze zoveel meer wetenschappelijk onderzoek dan Belgen doen?

‘Tja. Ik heb daar geen goede verklaring voor. Ik denk dat je pas een fenomeen kunt inschatten als je er keihard mee geconfronteerd wordt. En tot die tijd zie je bepaalde signalen eenvoudigweg niet. En als je niet zoekt, vindt je ook niets. De eerste belangrijke, Belgische rechtspraak gebeurde inderdaad in 1995 rond het netwerk-Zaoui. Het was eigenlijk het gevolg van negen jaar durend onderzoek, dat eerst te maken had met aan Teheran gelieerd terrorisme en dan zich later afsplitste naar het fundamentalistische GIA en de oorlog in Algerije. Hetgeen men had geleerd van het eerste onderzoek, bleek vervolgens nuttig voor dat GIA-onderzoek.’

Intussen zijn er in België acht terroristische netwerken opgerold en een zestigtal mensen veroordeeld. In Nederland zie je aan de lopende band vrijspraken. Blijkbaar is de rechterlijke macht lang niet altijd overtuigd van het feit dat er strafrechtelijke overtredingen worden gepleegd door radicale moslims? Zegt dat iets over ervaring met dit soort onderzoek?

Hofstadproces.

‘Ja, ik denk het wel. Ik zie dat het aantal vrijspraken in België relatief klein is. De meeste verdachten die naar een rechtbank worden doorgestuurd, worden op basis van het politiedossier ook bijna allemaal veroordeeld. In Nederland, de Verenigde Staten en Groot-Brittannië is dat niet het geval. Verdachten komen daar in meerderheid vrij omdat er niets strafbaars kan worden bewezen. Er is ook een verschil in de manier waarop er aan rechtspraak wordt gedaan. In de Hofstadzaak werden verdachten en getuigen uitvoerig ondervraagd door de rechter over de rol van de islam. In België was dat nooit het geval bij terrorismeprocessen. De tenlastelegging is er veel strakker en duidelijker omschreven, op basis van de vraag of een verdachte nu wel of niet een misdrijf heeft gepleegd. De hele discussie rond religieuze legitimering heeft bij alle terrorismeprocessen in België nooit een rol gespeeld zoals in Nederland.’

Tegelijkertijd vindt men bij het Amsterdamse advocatenkantoor dat in Nederland veel terrorismeverdachten verdedigt, dat het strafrecht in Nederland de jongste jaren revolutionaire en draconische veranderingen heeft ondergaan. Maar ondanks de strenge wetgeving en vergaande opsporingsbevoegdheden slagen politie en justitie er amper in om terrorismedossiers tot een ‘goed’ einde te brengen? Een paradox?

‘Ja, en de paradox is des te paradoxaler omdat de basis van de antiterrorismewetgeving in Nederland en België hetzelfde Europese kaderbesluit van eind 2001 is. Ik constateer dat in Nederland juristen veel meer uitgesproken kritiek hebben op een mogelijke ‘big brother staat’ door de antiterrorismewetgeving.

In België zijn het de politiediensten zélf die heel duidelijk stellen dat alles wat zij doen in het kader van strijd tegen terrorisme door de rechtelijke macht moet worden geverifieerd. Dat de bezorgdheid in Nederland groter is, komt volgens mij omdat het in België de opsporingsdiensten zélf zijn die waarschuwen dat we niet te ver moeten gaan. Weer een citaat van Audenaert: ‘Als de democratie bedreigd wordt, moet je niet minder maar meer democratie hebben’. Dat betekent dat ook het werk van politie aan kritiek onderhevig moet kunnen zijn. Opsporingsdiensten vragen om juridische en andere controle om te vermijden dat er een ‘staat in de staat’ gecreëerd wordt. Als politiediensten en inlichtingendiensten zelf vragen dat bijzondere opsporingsmethoden worden ingebed in een structuur van controle, dan is er dus minder reden tot scherpe bezorgdheid vanuit de samenleving, zoals in Nederland.’

Ook daar helpt het recente verleden België een handje: de voormalige rijkswacht was zo’n ‘staat in de staat’, zo bleek ondermeer bij de zaak-Dutroux.

‘Ja. In het recent verschenen boek ‘Jihadi Terrorism and the Radicalisation challenge in Europe’ dat ik samenstelde, beschrijft Audenaert hoe de zaak-Dutroux voor de politiediensten uiteindelijk een ‘geluk bij een ongeluk’ bleek. Die zaak heeft hen gedwongen om hun manier van werken in de samenleving te herzien en heeft ook geleid tot de fameuze politiehervorming van eind jaren negentig. En blijkbaar met succes.’

Hollandse hysterie

U spreekt over hysterische klimaat in Nederland. Doelt u dan op uitspraken als die van huidig minister van Buitenlandse zaken Maxime Verhagen: ‘Beter 10 mensen onschuldig in de cel dan één terrorist op vrije voeten’. Zou een Belgische politicus zoiets zeggen?

‘Ik weet niet of Verhagen het exact zo gezegd heeft, maar ik kan niet anders dan de verschillen tussen België en Nederland vaststellen. En heeft alles te maken met de Nederlandse overreactie op het hele radicaliseringsverhaal.’

In een eerder interview zei u zelf dat het verhitte politieke debat in Nederland wel eens een tegenovergesteld, ongewenst effect zou kunnen hebben. Komt u daar nu op terug?

‘Nee, voor mij is het nog altijd een open vraag of het polariserende politieke discours na 9/11 de radicalisering in Nederland heeft aangejaagd. Zeker meer dan in België, waar het debat veel gematigder verliep en niet uit de bocht is gegaan. Ik heb het gevoel van wel, maar ik kan het kwantitatief niet hard maken. Tegelijk moet ik erbij zeggen dat het hysterische en polariserende debat rond etnisch en culturele minderheden, ertoe heeft geleid dat die minderheden in Nederland zich meer assertief zijn gaan opstellen. Ze zijn in die zin meer Nederlanders geworden dan minderheden in België, Belgen zijn geworden. Dat is dus een positieve keerzijde die je intussen kunt vaststellen. Sinds die eerdere uitspraak van mij over de hysterie in Nederland, heb ik nu het gevoel dat Nederland de kaap heeft genomen, dat het polariserende discours wat afneemt en dat het anti islamverhaal à la Wilders veel minder scoort. Zie ook de gematigde reacties van zowel etnisch, culturele minderheden als van autochtonen op de film van Wilders.

Het voorstel overigens van minister Hirsch Ballin om het woord ‘allochtonen’ af te schaffen, vind ik een schoolvoorbeeld van hoe de Nederlandse politiek probeert om het gepolariseerde discours achter zich te laten. Een commissie van wijzen die in opdracht van de Vlaamse overheid een rapport schreef over gedeelde waarden in de samenleving, deed ook precies dit voorstel. De reactie van CDA en PvdA in de Tweede Kamer om het woord ‘allochtonen’ te blijven gebruiken omdat het ‘zo ingeburgerd’ is, vind ik dan ook zeer spijtig. Het voorstel van de minister van Justitie, vond ik in ieder geval een teken van het feit dat Nederland zijn ‘recent hysterisch verleden’ achter zich aan het laten is. Men komt in het reine met het hitserige allochtonendebat. In het jaarrapport 2007 van het Sociaal Cultureel Planbureau las ik een mooie conclusie: ‘De Nederlander is minder angstig geworden en staat meer open voor zijn medeburger van allochtone afkomst’. Nog steeds 40 procent van de Nederlanders vind dat Nederland te vol is, maar dat is toch al tien procent minder dan vijf jaar geleden. In die zin ben ik er vrij gerust op dat Nederland in rustiger vaarwater aan het komen is.’

Obama spreekt moslimgemeenschap in Cairo toe.

Tot slot. U schreef eerder dat we niet op de goede weg zijn als het gaat om het bestrijding van terrorisme, volgens u ‘een symptoom van scheefgegroeide mondiale verhoudingen’. Hoe staan we er nu voor?

‘Ja, de verhoudingen zijn nog steeds behoorlijk scheef. Maar wat er wel veranderd is dat men niet langer vermijdt om over die grondoorzaken van terrorisme te spreken, ook niet in de Verenigde Staten. Ook daar beseft men dat het terrorismeverhaal niet eindigt door een mondiale klopjacht op stoute mannen. Men beseft daar nu langzamerhand ook dat je terrorisme alleen kunt overwinnen via een gemeenschap en niet via een staatsapparaat. De handreiking die men daar nu doet naar de moslimgemeenschap, toont aan dat men de lessen aan het trekken is van het afglijden naar de contraproductieve aanpak die we de laatste jaren hebben gezien. Als terrorisme mede voortvloeit uit een gevoel van onrechtvaardigheid, dan moet je ook iets doen aan de onrechtvaardigheid waaraan die kleine groep extremisten zijn hele verhaal ophangt.’

Verwacht u met Obama als presidentskandidaat een einde van het Amerikaanse vijanddenken?

‘Het grote voordeel van Obama zou zijn – wat je ook denkt over de man – dat je gezien zijn vader niet kunt volhouden dat hij een onderdeel is van een joods-christelijke samenzwering tegen de moslims! Ik meen het serieus: voor het imago van de VS in de moslimwereld is Obama een godsgeschenk. En dus ook voor de rest van de wereld.’

Lees ook:

Dit artikel is een publicatie van Crimelink.
© Crimelink, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 01 februari 2008

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.