Je leest:

“Radicalisering breed aanpakken”

“Radicalisering breed aanpakken”

Sterk politiek wantrouwen en een orthodoxe geloofsinvulling blijken samen het risico op radicalisering te vergroten, zo blijkt uit onderzoek onder meer dan 300 Amsterdamse moslims. 1 op de 50 blijkt hier gevoelig voor. Door discriminatie tegen te gaan en het sociaal isolement van veel moslims te doorbreken kan dit mogelijk voorkomen worden, aldus de onderzoekers.

In het onderzoeksrapport ‘Processen van radicalisering. Waarom sommige Amsterdamse moslims radicaal worden’ stellen UvA-onderzoekers Jean Tillie en Marieke Slootman dat 2% van de Amsterdamse moslims gevoelig is voor radicalisering. De onderzoekers pleiten voor zowel een repressieve als een preventieve aanpak om de radicalisering te bestrijden.

De gemeente Amsterdam gaf in 2005 de opdracht voor het onderzoek aan het Instituut voor Migratie en Etnische Studies (IMES) van de Universiteit van Amsterdam. De onderzoekers, dr. Jean Tillie en ir. Marieke Slootman, spraken met meer dan 300 moslims, onder wie twaalf jonge moslims die het radicaliseringsproces hebben doorlopen.

Een combinatie van orthodoxie en politieke onvrede maakt vooral jongere moslims ontvankelijk voor radicalisering.

Uit het onderzoek komt naar voren dat moslims een verhoogde kans hebben om te radicaliseren als zij er enerzijds een orthodoxe geloofsinvulling op nahouden, en anderzijds een sterk politiek wantrouwen koesteren. Orthodoxie leidt echter niet automatisch tot politieke onvrede, en andersom, aldus Tillie en Slootman. Het is de combinatie van beide factoren die moslims ontvankelijk maakt voor radicalisering. Zo’n 2% van de Amsterdamse moslimgemeenschap voldoet aan deze kenmerken, voornamelijk jongeren tussen 16 en 18 jaar met een middelbare opleiding.

Om radicalisering te voorkomen moet volgens de IMES-onderzoekers het maatschappelijke en politieke vertrouwen onder moslims vergroot worden, bijvoorbeeld door discriminatie en een negatieve bejegening van de islam tegen te gaan. Ook het sociaal isolement van veel moslims moet doorbroken worden, en daarbij zien Tillie en Slootman een belangrijke rol weggelegd voor moskeebesturen en allochtone organisaties. Radicaliserende jongeren zouden niet buitengesloten moeten worden, maar juist actief moeten worden ondersteund om verdere radicalisering tegen te gaan.

Dit artikel is een publicatie van Universiteit van Amsterdam (UvA).
© Universiteit van Amsterdam (UvA), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 19 oktober 2006

NEMO Kennislink Agenda

NEMO Kennislink vertoont op deze plaats normaal gesproken wetenschappelijke activiteiten uit heel Nederland. Door de maatregelen tegen het nieuwe coronavirus zal daarvan een groot gedeelte worden afgelast. Omdat we geen achterhaalde informatie willen verspreiden, laten we voorlopig geen activiteiten zien.
NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.