Je leest:

Publiek niet op de hoogte van aanwezigheid camera’s

Publiek niet op de hoogte van aanwezigheid camera’s

Cameratoezicht in de openbare ruimte leidt nauwelijks tot minder criminaliteit, en het publiek voelt zich er niet veiliger door. Een van de redenen daarvoor is dat mensen zich nauwelijks bewust zijn van de aanwezigheid van camera’s.

In de Haagse Spuistraat hangen al jaren camera’s. De aanwezigheid van cameratoezicht wordt met borden aangegeven. Maar weten voorbijgangers ook dat ze in beeld zijn? Studenten van de Universiteit Leiden gingen de straat op. Ze stelden vast dat ruim 70 procent van de voorbijgangers niet weet of er camera’s hangen.

Cameratoezicht werkt niet goed

Het gebruik van cameratoezicht heeft zowel in het buitenland als in Nederland een hoge vlucht genomen. Het doel van cameratoezicht is het beperken van overlast en criminaliteit en het bevorderen van het gevoel van veiligheid. De kosten van cameratoezicht zijn niet gering, en het heeft als nadeel dat het de privacy van mensen kan aantasten. Bovendien wordt de effectiviteit van cameratoezicht in twijfel getrokken. Uit overzichtsstudies in het buitenland blijkt dat cameratoezicht tot een criminaliteitsdaling van slechts 4 procent leidt. Uit ander onderzoek komt naar voren dat cameratoezicht er evenmin voor zorgt dat het publiek zich veiliger voelt.

Omdat effectief cameratoezicht vereist dat mensen weten dat er camera’s zijn (aan verborgen camera’s heb je niets als je een misdrijf wilt voorkomen) onderzocht een groep studenten Criminologie van de Universiteit Leiden in hoeverre het publiek (als mogelijke dader of als mogelijk slachtoffer) op de hoogte is van de aanwezigheid van camera’s.

Bekendheid van belang

Cameratoezicht wordt vrijwel altijd om twee redenen ingevoerd. In de eerste plaats hoopt de overheid dat het mensen er van weerhoudt om misdrijven te plegen. Cameratoezicht vergroot immers de kans dat een misdrijf gezien wordt, en dus de kans om vervolgens gearresteerd te worden. In de tweede plaats hoopt de overheid dat mensen zich door de aanwezigheid van camera’s veiliger voelen, ongeacht of er ook daadwerkelijk minder criminaliteit plaatsvindt. Het zal duidelijk zijn dat cameratoezicht alleen kan bijdragen aan de vermindering van criminaliteit als zowel mogelijke daders als mogelijke slachtoffers weten dat er cameratoezicht is. Cameratoezicht kan dus pas effectief zijn als mensen zich van de aanwezigheid van camera’s bewust zijn.

Straatinterviews in de Haagse Spuistraat

Om na te gaan in hoeverre het publiek bekend is met de aanwezigheid van camera’s hielden de studenten interviews met voorbijgangers in de Spuistraat in Den Haag, een winkelstraat waar geen auto’s zijn toegestaan. In de Spuistraat vindt sinds 2002 cameratoezicht plaats, als onderdeel van een omvangrijk systeem van cameratoezicht in grote delen van de Haagse binnenstad. De interviews werden op doordeweekse dagen, op koopavonden en op zaterdagen gehouden. Er werd steeds op exact dezelfde locatie geïnterviewd. De locatie is zo gekozen dat de voorbijgangers gedurende het interview geen camera konden zien, maar in elk geval camera’s gepasseerd moesten zijn en hadden kunnen zien voordat zij geïnterviewd werden. Voor het interview is gebruik gemaakt van een enquêteformulier met zes vragen. Een van de vragen was “Weet u of er camera’s hangen in deze straat, dus niet in de winkels maar in de straat zelf?”. De mogelijke antwoorden waren “Ja, ik weet dat ze er hangen”, “Ja, ik weet dat ze er niet hangen”, en “Nee, ik weet niet of ze er hangen”.

Geen flauw idee

De resultaten waren opmerkelijk. Van de voorbijgangers in de Haagse Spuistraat wist 71 procent niet of er camera’s hingen. Dat is wel erg veel, zeker wanneer in aanmerking wordt genomen dat de camera’s zichtbaar zijn opgehangen, dat met borden wordt aangegeven dat er cameratoezicht plaatsvindt, en dat de camera’s er al jarenlang hangen. Opmerkelijk is ook dat de overige 29 procent alle bevestigend (en dus correct) antwoordden: er was niemand die zeker meende te weten dat er geen camera’s hingen.

Iets meer mannen dan vrouwen zijn op de hoogte van de aanwezigheid van camera’s. Jongeren tussen de 12 en 20 jaar en mensen tussen de 31 en 40 jaar zijn het best op de hoogte, en bezoeker op doordeweekse dagen en koopavonden zijn beter op de hoogte dan die op zaterdagen. Naarmate mensen dichter bij de Spuistraat wonen en naarmate mensen de straat vaker bezoeken, zijn ze zich meer bewust van de aanwezigheid van camera’s.

Aandacht trekken

Van de bezoekers van de Haagse Spuistraat, waar al vier jaar cameratoezicht plaatsvindt, weet 71 procent niet of er camera’s zijn. Er is geen reden om te denken dat dit elders anders zal zijn, maar dat moet wel worden onderzocht. Het is namelijk verontrustend dat een grote meerderheid van het publiek niet op de hoogte is van de aanwezigheid van camera’s is, als men zich realiseert dat camerabewustzijn bij het publiek een voorwaarde is voor de effectiviteit van cameratoezicht. Bovendien is het goed denkbaar dat ook degenen die op de hoogte zijn van de aanwezigheid van camera’s zich dat niet voortdurend realiseren. Het percentage mensen dat zich daadwerkelijk realiseert ‘in beeld te zijn’ is waarschijnlijk nog aanzienlijk lager dan 29 procent. Cameratoezicht wordt dus niet optimaal benut, en zonder cameratoezicht nadrukkelijker onder de aandacht van het publiek te brengen kunnen de doelen van cameratoezicht (bevorderen van objectieve en subjectieve veiligheid) nooit bereikt worden.

Hoe het camerabewustzijn van het publiek het beste vergroot kan worden, is vooralsnog de vraag. Er kunnen meer en grotere borden worden geplaatst of opgehangen. In de media zou meer aandacht besteed kunnen worden aan cameratoezicht. Wellicht kunnen ook andere dan de gebruikelijke methoden toegepast worden om het publiek bewust te maken van cameratoezicht. Er kan bijvoorbeeld met behulp van omroepinstallaties worden omgeroepen dat er camera’s hangen. Een andere mogelijkheid is dat er bij het betreden van het gebied waar cameratoezicht plaatsvindt, monitoren geplaatst worden waarop voorbijgangers zichzelf kunnen zien. Deze methode van aandacht trekken werkt misschien beter, en wordt al op diverse plaatsen in winkels en in het openbaar vervoer gebruikt.

Samen met hun begeleider van het Nederlandse Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR) schreven de studenten een artikel over dit onderzoek in het Tijdschrift voor Veiligheid (2006, jaargang 5, aflevering 3, bladzijden 38–49).

Dit artikel is een publicatie van Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR).
© Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 27 september 2006

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

LEES EN DRAAG BIJ AAN DE DISCUSSIE