Je leest:

Pril sekseverschil in ruimtelijk inzicht

Pril sekseverschil in ruimtelijk inzicht

Auteur:

Een jongetjesbaby van 3-5 maanden kan al beter in gedachten een blokje roteren dan een meisje van dezelfde leeftijd. Dat sekseverschil heeft echter niets te maken met onze prehistorische voorouders: het idee dat jongens en mannen beter scoren op ruimtelijk inzicht doordat hun voorvaderen deze vaardigheid nodig hadden bij de jacht is onzin, menen de onderzoekers. Zij denken dat hormonen en vooral een andere opvoeding vanaf de prilste jeugd het verschil maken.

Bij baby’s van drie tot vijf maanden is al een sekseverschil te zien in ruimtelijk inzicht. Jongetjes bleken beter te scoren op een primitieve test waarbij twee- of driedimensionale objecten in gedachten geroteerd moeten worden. Dat ontdekten twee onderzoeksduo’s – David Moore en Scott Johnson, en Paul Quinn en Lynn Liben – onafhankelijk van elkaar. Het is voor het eerst dat wetenschappers bij zulke jonge kinderen bewijs vinden voor dit bekende man-vrouwverschil.

Moore en Johnson gebruikten in hun onderzoek een filmpje waarin deze blokjes voortdurend roteerden. Dit blokje wordt vaak gebruikt in tests voor ruimtelijk inzicht. Het staat ook wel bekend als Shepard-Metzler object. (Bron afbeelding: Moore & Johson (2008). Mental rotation in human infants: a sex difference. Psychological Science)

Moore en Johnson lieten 20 jongetjes- en 20 meisjesbaby’s een aantal videofilmpjes zien van telkens hetzelfde roterende blokje. Na een tijdje raakten de baby’s aan dat blokje gewend en vonden ze het niet meer zo interessant om naar te kijken. Op dat moment begon voor de onderzoekers het echte experiment. Tussen de filmpjes van het bekende blokje door stopten ze namelijk een filmpje dat er hetzelfde uitzag, maar waarop het blokje een gespiegelde versie was van het origineel.

Zouden de baby’s al een basaal ruimtelijk inzicht hebben, dan zou dat hun aandacht moeten trekken – iets wat baby’s laten zien door er langer naar te kijken. En dat gebeurde ook, maar alleen bij de jongetjes. De meisjes bleven even geïnteresseerd in elk filmpje. Het vergelijkbare onderzoek van Quinn en Liben – ze gebruikten geen filmpje maar een afbeelding van het cijfer één – liet hetzelfde patroon zien.

Meisjes (females) keken even lang naar het vertrouwde (familiar) filmpje als naar het nieuwe (novel) filmpje met het gespiegelde blokje. Bij de jongetjes (males) is er wel een verschil te zien. Het sterretje geeft aan dat de kans dat dit verschil op toeval berust, kleiner is dan 0,1%. (Bron afbeelding: Moore & Johson (2008). Mental rotation in human infants: a sex difference. Psychological Science)

Die noeste mammoetjager heeft er weinig mee te maken

Het is verleidelijk om nu meteen te concluderen dat jongetjes geboren worden met een beter ruimtelijk inzicht, omdat hun voorvaderen die in vroeger tijden nodig hadden voor de jacht. Moore en Johson wijzen zo’n evolutionaire verklaring voor het gevonden sekseverschil echter beslist van de hand, omdat hiervoor geen enkel bewijs is. Eerder onderzoek van Lickliter en Berry toonde zelfs aan dat hoe iemands ‘evolutionaire bagage’ tot uiting komt, zelfs bij piepjonge kinderen al afhangt van hun omgeving en hormonen.

Het zijn die twee factoren die zowel Moore en Johson als Quinn en Liben zien als mogelijke verklaring voor het verschil in ruimtelijk inzicht. Zo staan jongetjesbaby’s in de baarmoeder bloot aan een hogere dosis mannelijke geslachtshormonen, wat de opbouw van hun hersenen zou kunnen veranderen. Later in hun leven blijken vrouwen op bepaalde momenten van hun menstruele cyclus beter en dan weer juist slechter de zijn in mentale rotatietests. Aangezien de hormoonspiegel tijdens die cyclus behoorlijk schommelt, zou dat de reden kunnen zijn voor de wisselende testscores. Quinn en Liben wijzer er echter op dat er op dit gebied ook veel onderzoeken zijn waarin hormonen geen effect op het ruimtelijk inzicht hadden, en dat de resultaten elkaar dus tegenspreken.

Ons verleden als mammoetjagers heeft volgens de onderzoekers maar weinig invloed op de man-vrouwverschillen in ruimtelijk inzicht. Het is namelijk niet zo dat elk gen dat je bezit ook zomaar tot uiting komt in je lijf of gedrag: allerlei omgevingsfactoren hebben daar enorme invloed op. En daarnaast is het nog maar zeer de vraag of we ooit wel echt op mammoeten hebben gejaagd. Volgens veel wetenschappers waren onze voorouders eerder verzamelaars of aaseters.

Jongetjes- en meisjesbaby’s groeien niet op in dezelfde wereld

Over de invloed van ervaringen en opvoeding op ruimtelijk inzicht is veel minder discussie. Zo blijkt dat volwassen vrouwen na een klein beetje oefening niet meer voor mannen onderdoen in het mentaal roteren van een blokje. En als het geen blokje is dat de vrouw in gedachten moet draaien maar een mensachtig poppetje, dan is er om te beginnen al geen sekseverschil te ontdekken.

Het klinkt wat vreemd om een jongetjes-meisjesverschil bij zulke kleine baby’s al toe te schrijven aan hun ervaringen en opvoeding: ze hebben immers nog niet zoveel meegemaakt. Toch ontdekten de Amerikaanse wetenschapper Donovan en haar collega’s dat kinderen van zes maanden oud al heel anders worden behandeld door hun omgeving. Moeders reageren bijvoorbeeld heel anders op de emoties van een (niet hun eigen) meisjesbaby als ze wordt gezegd dat het een jongetje is.

We hebben hele stellige ideeën over wat jongetjesachtig is en wat meer past bij meisjes. Zo staan op deze foto twee meisjes en één jongetje. Of toch niet? De fotograaf noemde de foto ‘My three daughters’ – en hij zal het wel weten.

Donovan en co benadrukken daarmee dat de verschillende behandeling níet komt door verschillend gedrag van jongetjes en meisjes. De ouders reageren anders vanuit hun eigen ideeën en vooroordelen over het geslacht van de baby. Zowel Moore en Johson als Quinn en Liben zijn nu vooral benieuwd welke factor de grootste rol speelt bij het sekseverschil in ruimtelijk inzicht: hormonen of opvoeding.

Moore (Pitzer College en Claremont Graduate University) en Johnson (UCLA) publiceerden hun artikel in het vakblad Psychological Science onder de titel ‘Mental rotation in human infants: a sex difference’. Quinn (University of Delaware) en Liben (Pennsylvania State University) publiceerden in hetzelfde vakblad onder de titel ‘A sex difference in mental rotation in young infants’.

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 17 december 2008

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

LEES EN DRAAG BIJ AAN DE DISCUSSIE