Je leest:

Populisme in Nederland

Populisme in Nederland

Het morren van ‘stoute kinderen’

Auteur: | 18 maart 2011

Nederland kent geen populistische traditie. Na de vestiging van het liberale stelsel in het midden van de negentiende eeuw bleef inmenging van het volk afgeschermd. Er bestond geen juryrechtspraak, er waren geen gekozen bestuurders en er ontwikkelde zich nauwelijks een op personen gebaseerde politiek. Het populisme dat het afgelopen decennium zo gegroeid is, put echter uit een andere traditie: die van het meerderheidsdenken, waarvan Troelstra en Kuyper de stamvaders zijn.

Je kunt tegenwoordig geen krant openslaan zonder het woord populisme tegen te komen. In analyses van de hedendaagse politiek in Nederland is het een van de meest gebruikte begrippen. Dat is nieuw. Ook in de jaren negentig kwam het al wel regelmatig in de dagbladen voor, maar toen nog vooral om verschijnselen in bijvoorbeeld Latijns-Amerika, voormalige Sovjetrepublieken of Oost-Europa aan te duiden. VVD-er Frits Bolkestein werd wel eens voor populist uitgemaakt, maar dat was omdat hij volgens zijn tegenstanders het thema van buitenlanders en islam aansneed om kiezerswinst te behalen.

Foto Pim Fortuyn, 2 dagen voor zijn dood (vermoord op 6 mei 2002)

Populisme in een precieze betekenis was dat zeker niet. Dat kwam pas met Pim Fortuyn die meteen een populist genoemd werd. De ‘Fortuynrevolte’ betekende een enorme schok voor de Nederlandse politiek, natuurlijk door de moord op de leider maar zeker ook door de omvang van de beweging. In één keer kwam er een partij met zesentwintig zetels in de Kamer en vertrok een hele generatie parlementaire leiders van wat toen ineens ‘oude politiek’ heette.

Dit was ongekend, iets totaal nieuws, zo was de eerste reactie. En op het eerste gezicht was dat ook zo. Alleen al de onbeholpen reacties van de gevestigde politiek maakten duidelijk dat politici geconfronteerd werden met iets onbekends.

Inderdaad moet populisme in de Nederlandse naoorlogse geschiedenis met een lampje gezocht worden. In de jaren zestig was de voormalige Boerenpartij populistisch, maar veel verder kom je niet. De linkse vernieuwing van de politiek uit die tijd was veel te blijmoedig en opereerde te weinig vanuit de gedachte dat het gewone volk het beter zag dan de elite om hiervoor te kwalificeren. VVD-er Hans Wiegel bedreef populaire, maar geen populistische politiek. Tot de komst van Fortuyn maakte het taboe op populisme (dat na de oorlog was ontstaan doordat fascisten en nationaalsocialisten populisten waren geweest) een doorbraak van populisme onmogelijk.

Géén volkssoevereiniteit

Al sinds het begin van de negentiende eeuw bestaat er een niet-populistische traditie in de gevestigde Nederlandse politiek. Nadat de Franse inval in 1795 een einde maakte aan de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, was er een kortstondige heftige politieke uitbarsting onder de nieuwe, op volkssoevereiniteit gebaseerde, Bataafse Republiek.

Rijksmuseum Amsterdam

Mede als reactie hierop was de politiek van het koninkrijk vanaf 1813-1815 geheel en al van bovenaf gedacht. Géén inspraak van het volk – volkssoevereiniteit werd niet in de grondwet opgenomen – en een heel bestuurlijke opvatting van politiek. Onrust was lastig: koning Willem I betitelde oppositie als méchants enfants, stoute kinderen, niet een manier om politiek meningsverschil serieus te nemen.

Dit gebeurde na de Grondwetsherziening van 1848 natuurlijk wel, maar steeds binnen een strak bestuurlijk kader met een volksinvloed die nogal ingekaderd bleef. Dat had zo z’n voordelen. Er was een relatief liberaal regime met een brede elite, en onvrede kon geleidelijk een plaats vinden in de politiek.

Ondertussen heerste er wat de politicoloog Hans Daalder in de jaren zestig een ‘regentenmentaliteit’ zou noemen (die trouwens weinig van doen had met de regenten uit de Republiek). Geen volksinspraak via juryrechtspraak, geen gekozen bestuurders, en tot 1917-1919 beperkt kiesrecht. Daartegenover ook een over het algemeen weinig op persoonlijke aantrekkelijkheid of charisma gebaseerde politiek, een weinig mobiliserend parlement dat vooral een bestuurlijke uitstraling had, en afstandelijke bestuurders.

Praatjesmakers in het parlement

Zo bezien heeft Nederland dus tot Fortuyn vrijwel geen populisme gekend, maar er is een andere kant. Enkele malen is er heftig populistisch verzet geweest tegen de bestaande politiek en dat verzet heeft ook veel effect gehad. De duidelijkste voorbeelden daarvan zijn in de jaren 1930 en aan het einde van de negentiende eeuw te vinden. De Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) verzette zich tussen de Eerste en de Tweede Wereldoorlog, net als de communisten, tegen de ‘elite’ van praatjesmakers in de politiek. Ze waren overtuigd dat die elite er alles aan deed om het gewone volk buiten de politiek te houden. De bezem erdoor, dat is wat er moest gebeuren!

Hendrikus Colijn afgebeeld als de stuurman van Nederland op een verkiezingsaffiche uit 1925.

De regeringsleider van die jaren, Hendrikus Colijn, was een tegenstander van het Duitse nationaalsocialisme maar niet ongevoelig voor het autoritaire en activistische Italiaanse fascisme. Evenals de NSB moest hij weinig hebben van het ‘praatcollege’ zoals hij de Tweede Kamer noemde, en riep hij op tot aanpakken. “Laten we ophouden met praten, laten we de regeltjes aan de kant zetten en de problemen oplossen!” Rita Verdonk plachte het te zeggen en liet zich in haar politieke reclame en retoriek inspireren door het beroemde verkiezingsaffiche van Colijn als ’s Lands Stuurman.

Maar Colijn was veel te veel bestuurder en lid van een gevestigde partij, de orthodox-protestantse Antirevolutionaire Partij (ARP) van dominee Abraham Kuyper, om voluit populist te kunnen zijn. In het midden van de jaren dertig was de NSB even een hype maar bleef, evenals de communistische partij, een minderheid die zich tegen het establishment keerde maar buitenstaander bleef.

Stem van het gewone volk

Er is iets voor te zeggen om de grootste golf van populisme in de moderne Nederlandse politiek te zoeken aan het einde van de negentiende eeuw. Het liberalisme van Thorbecke, schrijver van de grondwet in 1848, had staat en samenleving van elkaar willen scheiden. Politiek moest niet meer doen dan kaders stellen voor de vrije maatschappij en omgekeerd moest die maatschappij de politiek overlaten aan de heren in Den Haag die eens in de vier jaar gekozen werden zonder landelijke campagnes of politieke partijen in onze zin.

De nieuwe politieke partijen aan het einde van die eeuw waren sociale bewegingen die vanuit de maatschappij opereerden en staat en maatschappij juist wel met elkaar wilden verbinden. Hierin liepen de socialisten Ferdinand Domela Nieuwenhuis en later Pieter Jelles Troelstra voorop maar ook de ARP van Kuyper, die als de eerste moderne partij wordt beschouwd. Zij waren ‘democraten’, in de zin dat ze voor uitbreiding van kiesrecht waren, maar ook in de zin dat ze het gewone volk een stem wilden geven.

Kuyper sprak van de orthodox-protestantse ‘kleine luyden’, het gewone volk dat de ruggengraat van de natie zou vormen. Het was tenminste voor een deel een retorische constructie, maar een klassiek populistisch thema was het ook met het tamboereren op de verwaarlozing van de verlangens van de kleine man. Ook verder voldeed hij aan vrijwel alle kenmerken die aan populisten worden toegeschreven, zij het dat die bij hem verbonden waren met een principiële neocalvinistische wereldvisie en een overtuigd geloof. De socialisten keerden zich zo mogelijk nog sterker tegen de liberale ‘elite’; ook in hun geval was dit verbonden met een principiële ideologie, maar populisme hoorde er als vanzelfsprekend bij.

In het geval van Kuyper zou je kunnen zeggen dat populisme hem onderscheidde van de eerdere orthodox-protestantse voorman Willem Groen van Prinsterer. Hij bleef in opvatting van hoe je politiek moest bedrijven dicht bij Thorbecke, met wie hij ook bevriend was geweest. Ontegenzeggelijk was Kuyper ook meer democraat dan Groen, als daarmee bedoeld wordt dat de stem van het gewone volk gehoord moet worden en dat de politicus zich ook tot dat volk moet richten. Groen schreef onleesbare betogen en wilde geen organisaties oprichten, Kuyper was journalist en stampte de ene organisatie na de andere uit de grond.

Democratie: twee gezichten

Het interessante en tegelijk misschien ook wel verontrustende is dat daarmee in deze cruciale beginfase democratie en populisme dus onontwarbaar samenhingen. Het vertegenwoordigende stelsel zoals wij dat nu kennen gaat in feite terug op twee tradities, die van de beperkte vertegenwoordiging met rechtsstaat die het liberalisme voorstond, en die van ‘democratie’ in de zin van directe volksinspraak die via de socialisten terugvoert naar de Franse Revolutie in 1789 maar via de protestanten ook een andere wortel heeft. Wat men rond 1900 aanduidde als democratie, zou tegenwoordig vaak als populisme worden omschreven. Het is ook geen wonder dat het moderne begrip populisme toen is ontstaan, overigens niet in Nederland, maar wel in een aantal andere landen.

Politicoloog Margaret Canovan schrijft in een artikel over ‘The Two Faces of Democracy’: het bestuur, het regelen van de dingen enerzijds, en anderzijds de droom, het verlangen naar een nieuwe, perfecte wereld. Populisme hoort dan bij de droom. Een tweede tegenstelling die is ingebakken in het moderne concept van democratie is misschien wel tragischer. Onze democratie is eigenlijk een liberale democratie, een combinatie van rechtsstaat en bescherming van minderheden enerzijds met meerderheidsdenken en het volk beslist anderzijds.

Na de Tweede Wereldoorlog was er een tijdlang weinig twijfel aan de manier waarop de parlementaire democratie moest worden geïnterpreteerd en leek de spanning tussen rechtsstaat en meerderheid verdwenen. Inmiddels is duidelijk dat die spanning er nog steeds is, en ook tot het wezen van de moderne democratie behoort. Het is daarmee ook logisch dat er telkens kritiek op de democratie zal zijn. Dat er kritiek is op de bestuurders of ‘regenten’ is dus niets bijzonders. Outsiders zullen insiders in de democratie altijd zelfgenoegzaamheid (kleven aan het pluche) verwijten, en insiders zullen outsiders ook bijna altijd gebrek aan fatsoen en onrust stoken verwijten.

Wilders

Wel wordt de zaak nu mede door de toon van de kritiek op scherp gezet. Het is mede de toon die van outsiders succesvolle populisten maakt. Geert Wilders en de zijnen kenmerken zich daarbij, anders dan bijvoorbeeld Fortuyn, door hun boosheid.

Als de camera uit staat kan Wilders een aimabele man zijn, maar als die draait, staat zijn gezicht op onweer. Door de uitzonderlijkheid daarvan in Nederland en van zijn compromisloze polarisatie gaat er wel erg veel aandacht uit naar de vorm van het commentaar, dat alleen al om die reden veel succes heeft.

Het ook internationaal gezien relatief grote succes van populisme kan deels verklaard worden uit de onwennigheid van de Nederlandse politiek tegenover het verschijnsel, deels uit de neiging van de Nederlandse samenleving om een tijd eensgezind in de ene richting te lopen, maar dan plotseling een andere richting in te slaan (zoals aan het einde van de jaren zestig), deels uit de radicale teloorgang van de oude grote partijen en de parallelle opkomst van de zwevende kiezer. Deze zaken versterken het effect van het populisme.

Als antwoord erop voldoet de reflex van pacificatie in de Nederlandse consensusdemocratie niet, en in het algemeen kan de spanning in de democratie daarmee toch niet worden opgelost. Als de democratie alle kaarten zet op behoud van de rechtsstaat, dreigt ze wensen onder de bevolking te veronachtzamen en roept ze het verwijt van regentenmentaliteit over zich af; als ze daarentegen alleen wil inzetten op wat de meerderheid wenst, dreigt dictatuur van die meerderheid en heeft populisme vrij spel. Tussen regentenmentaliteit en populisme is het lastig laveren, maar toch is dat wat de moderne democratie moet doen.

Over de auteur Henk te Velde is hoogleraar Vaderlandse Geschiedenis aan de Universiteit Leiden. In 2010 verscheen van hem Van regentenmentaliteit tot populisme. Politieke tradities in Nederland (Bert Bakker)

Verder lezen Jeroen Koch, Abraham Kuyper. Een biografie (Boom, 2006) Piet de Rooy, Republiek van rivaliteiten. Nederland sinds 1813 (Mets en Schilt, 2005) Henk te Velde, Stijlen van leiderschap. Persoon en politiek van Thorbecke tot Den Uyl (Wereldbibliotheek, 2002)

Dit artikel is een publicatie van Geschiedenis Magazine.
© Geschiedenis Magazine, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 18 maart 2011

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.