Je leest:

Politiek zonder grote woorden

Politiek zonder grote woorden

Waarom de Nederlandse politiek weinig meeslepende redenaars heeft voortgebracht

Auteur:

Het is weer Prinsjesdag. De besprekingen in de Tweede Kamer krijgen daarna altijd veel aandacht op tv. Nederlandse politici zijn echter zelden meeslepende redenaars. Dit is altijd zo geweest.

Er bestaat een cliché dat Nederlanders niet kunnen spreken. Kijk eens naar de Britten of de Fransen: wat kunnen die een rede afsteken! In de zomer van 2014 maakte de speech van Frans Timmermans bij de Verenigde naties over MH17 veel indruk, maar die was dan ook niet in het Nederlands. Kan zoiets ook in de Tweede Kamer?

Aan het einde van de achttiende eeuw zou dat geen vraag zijn geweest. Natuurlijk kon een Nederlandse volksvertegenwoordiger spreken, daarvoor was hij er toch? Vanaf 1796 kwam enkele jaren lang de Nationale Vergadering bijeen in wat nu de Oude Zaal van de Tweede Kamer heet. Voor het eerst werd in een formeel instituut in het openbaar over politiek gesproken. De mensen verdrongen zich op de kleine publieke tribune.

Rp p ob 86.665
Zitting van de Eerste Nationale Vergadering in Den Haag, 1796-1797. Gezicht in de vergaderzaal (voormalige danszaal van het Stadhouderlijke Paleis) met de leden. Links vooraan een spreker op het spreekgestoelte, op de achtergrond de volle publieke tribune.

In Leiden werd een leerstoel ‘Nederduitsche welsprekendheid’ gevestigd. De verwachting was dat de Nederlanders zich zouden spiegelen aan de machtige redenaars in de revolutionaire Franse Assemblée Nationale, die met zijn retorisch geweld de enorme zaal met zijn gigantische publieke tribunes bespeelden.

Achter gesloten deuren

Het zou anders lopen. De politieke opwinding verdween naarmate de Fransen een grotere rol opeisten in Nederland. Toen Nederland in 1813 weer onafhankelijk werd, was de animo voor meeslepende publieke politiek verdwenen. Het nieuwe staatsbestel, dat na samenvoeging met België in 1815 werd voltooid, bestond uit onderdelen die in de Bataafse tijd (1795-1801) waren ontworpen: een grondwet, een tweekamerstelsel en een constitutionele monarchie.

Maar de Noord-Nederlanders wilden binnen dat systeem hun aloude stijl van politiek bedrijven voortzetten. Rustig overleg en compromissen sluiten uit het zicht van het publiek, zoals dat in de oude Staten-Generaal was gegaan. Daarbij hoorde geen publieke welsprekendheid, zoals de Belgen die onder Franse invloed kenden, maar behoedzaam manoeuvreren zonder grote woorden. Thorbeckes grondwetsherziening van 1848 bracht wel een scherper debat, maar nog steeds uitsluitend voor de heren onder elkaar in Den Haag. Openbaarheid betekende vooral dat je achteraf in de krant kon nalezen wat er gezegd was in de Kamer.

Bevestigt deze ontwikkeling nu het gebrek aan spreekvaardigheid van de Nederlanders? Het is maar hoe je het bekijkt. Want op hetzelfde moment dat er in de formele politiek zo weinig moeite werd gedaan om een publiek te boeien, stroomden mensen massaal toe wanneer grote kanselredenaars aan het woord kwamen. De eerste helft van de negentiende eeuw was een hoogtepunt van domineeswelsprekendheid, die ook klonk bij publieke herdenkingen. Dit zijn de Nederlanders naderhand echter geheel vergeten, toen die vorm van welsprekendheid als bombastische overdrijving werd beschouwd en uit de mode raakte.

Politiek elitezaak

Le repr%c3%a9sentant du peuple fran%c3%a7ois en fonction2
Ontwerp kostuum voor de Franse volksvertegenwoordiger door Jacques-Louis David uit 1794. De Franse en Engelse parlementaire traditie is theatraler dan de Nederlandse.

Het ontbreken van politieke retorica heeft vooral te maken met de Nederlandse opvatting van politiek, waarin lange tijd vooral besturen en overleggen centraal stonden, niet het bespelen van het publiek. Heel anders was het in Frankrijk, waar eind achttiende eeuw tijdens de revolutie een traditie van publieksgerichte welsprekendheid ontstond inclusief machtige gebaren, galmende stemmen en meeslepend pathos.

Zelfs toen er na de revolutie eenzelfde soort politiek systeem werd ingevoerd als in Nederland, bleef de grote aandacht voor welsprekendheid bestaan. Als politicus moest je retorisch begaafd zijn, anders redde je het niet. In de adellijke salons waren de politiek en vooral de redenaars het gesprek van de dag, en dat gesprek bepaalde wie succesvol was. De Franse tweede Kamer, toen Chambre des députés geheten, was niet zozeer een bestuurlijk lichaam, maar de plek van het gepassioneerde debat, waar een deftig publiek van smulde.

In Nederland zei Thorbecke dat de publieke zaak publiekelijk behandeld moest worden. Voor de Parijse elite betekende dit allereerst dat je op de tribune mee kon genieten van grote redevoeringen en duels met woorden. Het ging soms meer om spektakel dan om zorgvuldige redenering, maar een goede redenaar moest zich ook in een inhoudelijk debat op het scherpst van de snede staande weten te houden.

Zowel het Franse als het Nederlandse politieke systeem was gemodelleerd naar de prestigieuze Britse Houses of Parliament. Hier werd al eeuwen gedebatteerd, maar wel in relatieve beslotenheid. Pas in de tijd van de Franse revolutie werd het Britse systeem officieel openbaar – nog steeds schoorvoetender dan in Frankrijk.

Rumoerige verkiezingsbijeenkomsten

Ng 1978 78
Dr. Herman Schaepman tijdens de verdediging van zijn voorstel voor de grondwetsherziening in de Tweede Kamer (1887).

Dit alles speelde zich af in een wereld met beperkt kiesrecht, waar de massa nog niet van doorslaggevend belang was. Maar de in die tijd gevormde traditie werkte ook daarna door. In de Franse democratie zou grote parlementaire welsprekendheid voor politiek leiders de norm blijven. Ondertussen kwam ook in de Nederlandse politiek vanaf het einde van de negentiende eeuw volksredenaars op. In de Kamer bleef, uitzonderingen daargelaten, rust de norm, maar op verkiezingsbijeenkomsten kon het er heftig aan toe gaan.

In de tijd van verzuiling (de samenleving verdeeld in afgescheiden groepen van verschillend geloof of politieke overtuiging, red.) werden van de leiders bezielende speeches in eigen kring verwacht. Tot ver in de twintigste eeuw bezigden Nederlandse politici de ‘licht galmende preektoon’ van een predikant, zoals die ook bij bijvoorbeeld de sociaaldemocraat Joop den Uyl (1919-1987) nog merkbaar was.

De Kamer zelf bleef het domein van afstandelijke uitwisseling. Kamerleden konden elkaar scherp bejegenen, maar het echte rumoer kwam van outsiders zoals NSB’ers en communisten, die vooral genegeerd werden. Na de Tweede Wereldoorlog (1940-1945) ging men zich wel zorgen maken over de toegankelijkheid van het Kamerdebat, maar dat leidde hooguit tot didactische overwegingen: ‘Laten we het wat beter uitleggen’.

Moreel leiderschap zoek

Is het erg dat de Tweede Kamer maar zelden meeslepende redenaars heeft gekend en dat zelfs ad rem kunnen debatteren voor premiers en ministers lange tijd geen noodzaak was? Politiek dient toch om dingen te regelen en zorgvuldig het landsbelang in de gaten te houden? Vermaak is toch bijzaak? Zo kun je het bekijken, maar zo’n redenering is wel gebaseerd op de gedachte dat de Kamer het volk niet rechtstreeks hoeft te vertegenwoordigen.

Lange tijd had Nederland politieke partijen en zuilen om de belangen van de kiezers te behartigen, maar de laatste zijn allang weg en de eerste hebben amper nog een maatschappelijke betekenis. Alle ogen zijn nu dus gericht op de regering en de Kamer. Dan doet het er opeens veel meer toe hoe hier gesproken wordt. Het hoeft nog steeds niet technisch perfect te zijn, maar de verkiezingsdebatten en de grote Kamerdebatten laten al wel zien dat een vlotte spreekstijl tegenwoordig een vereiste is voor politiek leiderschap.

Ng 1978 81
Twee schetsen van de Minister van Staat en Binnenlandse zaken Mr. J. Heemskerck Azn.. Onderdeel van een groep schetsen van de bespreking in de Tweede Kamer van de grondwetsherziening van 1887.

Dit is een recente ontwikkeling, maar die heeft meteen effect. Je kunt je nu al bijna geen leider van een grote partij meer voorstellen die het op dat vlak slecht zou doen. Spreekvaardigheid is echter meer een kwestie van techniek en talent dan van moreel leiderschap. Dit laatste is enigszins zoekgeraakt na het verdwijnen van de verzuiling en na het afnemen van het ontzag voor politici.

Wim Kok (geb. 1938) kon nog met een wat vaderlijke uitstraling politiek gezag behouden. Die stijl is misschien uit de tijd, maar de behoefte aan politici die een moreel appèl kunnen doen is er nog wel. Niet met ideologische beschouwingen, maar wel met een persoonlijk getint verhaal dat het publiek meeneemt, omdat het erin kan geloven.

In de Britse en Franse politiek van de negentiende eeuw gold niet de handige of spitsvondige debatkunst als het hoogst haalbare, maar het vermogen het publiek te ‘bewegen’. Dit is tegenwoordig, net als toen, een kunst die weinigen in de Nederlandse politiek gegeven is. Het is een politieke kracht die gevaarlijk kan zijn, maar ook een die grote positieve effecten kan hebben.

Bron

Dit artikel verscheen, in iets langere versie, in Geschiedenis Magazine, nummer 6 uit 2016. De auteur Henk te Velde is hoogleraar Nederlandse geschiedenis aan de Universiteit Leiden.

Dit artikel is een publicatie van Geschiedenis Magazine.
© Geschiedenis Magazine, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 19 september 2017

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

LEES EN DRAAG BIJ AAN DE DISCUSSIE