Je leest:

Poep onder de loep

Poep onder de loep

Auteur: | 5 oktober 2009

Er is niets viezers dan op straat lopen, en dan ineens ’flats!’. Je maakt een enorme glijer over verse hondenpoep. Tegenwoordig moeten hondenbaasjes de poep opruimen, want het is vies en onhygiënisch. Maar wist je dat in de middeleeuwen mensen ook op straat poepten? Gewoon, waar iedereen bij was? Dat vinden we nu vies, maar in de veertiende eeuw was dat vrij normaal.

Door de regen spoelde de poep uiteindelijk de gracht in. Toen het bevolkingsaantal in de steden in de vijftiende eeuw toenam werd de stank bijna ondragelijk. Bovendien was de lokale bierproductie aangewezen op het water uit de grachten. Dat zou de smaak van het bier vast niet ten goede zijn gekomen. Daarom beval het stadsbestuur van onder andere de gemeente Delft dat ieder huis in de stad een beerput moest aanleggen.

Een beerput was een kelder of put die achter de huizen werd aangelegd. Beerputten waren niet alleen de voorlopers van onze huidige wc, zij werden ook gebruikt om huishoudelijk afval in te gooien. Aan de bovenkant was de beerput voorzien van een gewelfje, waardoor het geheel eruit zag als een soort bijenkorf. De beerput werd ingegraven zodat het gewelf net onder de grond zat. Aan de zijkant of aan de bovenkant was een stortkoker gemetseld waar de poep en het huishoudelijk afval doorheen kon vallen of glijden.

Archeologen onderzoeken een opgegraven beerput aan de Doelenstraat in Alkmaar.

Schatgraven

Voor archeologen zijn beerputten ware schatkamers. Er komen vaak de mooiste vondsten uit, zoals kannetjes, kruikjes, borden, schoenen, lepels, en kandelaren. Nog belangrijker is de archeologische waarde. Beerputten kunnen ons namelijk veel dingen vertellen over de vroegere gebruikers. In sommige gevallen kunnen wetenschappers uit beerputten afleiden of de eigenaren rijk waren, en wat hun sociale status was. Ook komt het geregeld voor dat we aanwijzingen vinden van wat hun beroep was, of de staat van hun gezondheid… Vaak kan zelfs het eetpatroon worden achterhaald. Het onderzoeken van beerputten om eetpatronen te achterhalen is het werk van archeobotanici. Dat is een term voor wetenschappers die gebruik maken van hun kennis van planten voor de archeologie.

Een doorsnede van een 18de-eeuwse beerput, opgegraven op het Waterlooplein in Amsterdam. Onderin de put zijn heel duidelijk restanten te zien van serviesgoed en andere gebruiksvoorwerpen.
Bureau Monumenten en Archeologie Amsterdam, via CC 1

Archeobotanici nemen op de opgraving een monster van de ‘beer’ (poep) om het vervolgens in een laboratorium onder een microscoop eens van dichterbij te bekijken. Maar stinkt dat niet enorm, zo’n beerput? “Nee hoor,” lacht Henk van Haaster, archeobotanisch specialist van het bedrijf Biax, “het eigenlijke ‘beer’ is allang vergaan. Alleen dingen als zaadjes, botjes en kleine plantenresten vinden we terug. Het voelt wel heel smerig en glibberig aan. Het is net als bosgrond of paardenpoep, dat kan zelfs best lekker ruiken.”

Resultaten

Eenmaal in het laboratorium wordt het beermonster gezeefd en gespoeld met water om al de aarde te verwijderen. Het resultaat wordt in een klein schaaltje met water gedaan en onder de microscoop nauwkeurig uitgeplozen totdat er geen andere (zaden)soorten meer gevonden worden.

Veel voorkomende vruchten zijn bijvoorbeeld appels en peren, druiven, wilde aardbeien, frambozen, bessen, pruimen en kersen. Ook hazelnoten en walnoten komen regelmatig voor. Vruchten die wij tegenwoordig niet of nauwelijks meer eten zoals zwarte moerbeien en mispels komen op deze manier ook boven water. Waren deze vruchten in de middeleeuwen alleen voor consumptie bedoeld of hadden ze ook andere doeleinden?

“Er zijn veel kruidenboeken uit de middeleeuwen bekend waarin staat welke vrucht waarvoor gebruikt werd, zoals het Cruijdeboeck van Rembert Dodoens (Rembertus Dodonaeus) uit 1554.”, vertelt Van Haaster. “Daar staat in wat er met elke soort gedaan werd, compleet met geneeskundige theoriëen. Over elke plant is wel een medicinale toepassing geschreven, maar of ze er werkelijk voor gebruikt werden is de vraag. Waarschijnlijk werden de meeste vruchten gewoon gegeten.”

Naast zaden van vruchten komen in beerputten zaden van diverse soorten onkruid voor. Hebben deze onkruiden dan ook een medicinale werking? “Volgens Rembert Dodoens vast wel”, glimlacht van Haaster. “Maar het vreemde is dat veel van deze onkruiden ronduit giftig zijn, zoals de Bolderik. We hebben ons lang afgevraagd hoe dit soort onkruiden in beerputten terecht zijn gekomen. Uit historische bronnen hebben we ontdekt dat deze onkruiden veelal akkeronkruiden betroffen en dus op het land groeiden tussen het graan. Zij werden bij het oogsten meegenomen, belandden uiteindelijk in het brood dat de mensen aten en zodoende in de beerput. Arme mensen lagen ’s nachts vast krom van de pijn in hun buik.”

Rijk of arm?

De aanwezigheid van bepaalde zaden in beerputten kunnen een aanwijzing zijn voor rijkdom of armoede. Vroeger aten rijke mensen voedsel dat schaars was, uit verre landen geïmporteerd werd, of simpelweg duur was. Denk hierbij aan granaatappels en pompoenen. Of specerijen zoals peper en kaneel. Klinkt logisch, toch is het moeilijk om ‘rijk’ of ‘arm’ aan een beerput toe te dichten. Net als wij tegenwoordig met het kerstdiner dingen eten die we door het jaar heen niet eten, sprongen arme mensen in de middeleeuwen ook wel eens uit de band. Na de vastenperiode bijvoorbeeld. Zesenveertig dagen lang mochten ze bijna niets eten van de Katholieke kerk, met uitzondering van de zondagen. Na deze periode at men luxer om te vieren dat de vastenperiode voorbij was. Zo vinden we in beerputten van arme mensen ook wel eens zaden van granaatappels.

Daarnaast bestond er in de middeleeuwen een markt die handelde in tweederangs voedingsmiddelen. Het kwam namelijk wel eens voor dat specerijen tijdens de overtocht naar ons land, in contact kwamen met zeewater en daardoor beschimmelden. Deze specerijen werden gewassen en voor één tiende van de normale prijs verkocht. Ook gebroken kaneelstaafjes en overrijpe vruchten werden op deze manier verkocht. Door een kleine imperfectie aan de handelswaar kelderden de prijzen enorm. Hierdoor waren ze beschikbaar voor mensen met minder geld. Helaas kunnen archeobotanici tegenwoordig niet meer achterhalen of de peperkorrels toen beschimmeld waren of de granaatappels overrijp.

Ziektes

“De stofwisseling van slakken interesseerde mij niet meer zo.”

Henk van Haaster (1959) vond het als kind al leuk om in de grond te wroeten. Als er ergens gegraven werd was hij er als de kippen bij om te kijken of er ze niet toevallig scherven vergeten waren. Na de middelbare school ging hij biologie studeren. Toen bleek dat men bij biologie bijna niet de natuur in ging, zoals hij wel had verwacht, ging hij zoveel mogelijk geologische en ecologische vakken volgen. “De stofwisseling van slakken interesseerde mij niet meer zo.” Uiteindelijk kon hij aan de slag als freelance archeobotanist bij de Universiteit van Amsterdam. Samen met een aantal andere archeobotanisten richtte hij het bedrijf Biax op (staat voor kruisbestuiving tussen Biologie en Archeologie) een archeologisch adviesbureau. Sindsdien is hij daar werkzaam als specialist op het gebied van archeobotanie.

Uit historische bronnen weten we ook dat mensen vroeger leden aan vreselijke ziektes, bijvoorbeeld bloedpissen, tering en de pest. Allemaal ziektes veroorzaakt door bacteriën. Deze ziektes kennen wij vandaag de dag nog steeds, hoewel ze nu anders heten. Bloedpissen is een verzamelnaam voor ziektebeelden die worden veroorzaakt door prostaat- en nier problemen. Tering is hetzelfde als wat wij nu tuberculose noemen. De pest kennen we nog steeds in zijn huidige vorm. Gelukkig komt deze dodelijke ziekte tegenwoordig weinig voor. Zijn ziektes ook terug te vinden in poep? “Tot op zekere hoogte wel”, antwoordt van Haaster. “Door het eten van besmet vlees konden mensen bijvoorbeeld lintwormen oplopen en door contact met zieke dieren spoelwormen. Eitjes van zweepwormen en spoelwormen vinden we regelmatig terug in beer. Dit vertelt ons hoe het met de gezondheid van de bewoners gesteld was. Niet best dus.”

Het opgraven van beerputten is niet altijd zonder risico. Sommige bacteriën kunnen eeuwenlang overleven, waardoor risico op besmetting aanwezig is. Miltvuur is hier een gevaarlijk voorbeeld van. “Beerputten jonger dan tweehonderd jaar graven wij niet op”, vertelt van Haaster. “Alleen met voldoende voorzorgsmaatregelen zoals handschoenen leggen wij een dergelijke beerput bloot.”

“Eigenlijk is het raar dat er tot nog toe zo weinig onderzoek is gedaan naar het eetpatroon van mensen”, besluit van Haaster. “Al vanaf de prehistorie is de zorg voor dagelijks voedsel één van de belangrijkste activiteiten geweest van de mens. Misschien gaan wetenschappers in de toekomst onze poep wel onderzoeken. Wellicht is dat een goed punt om over na te denken als je straks weer op je eigen beerput zit en een bijdrage levert aan de cultuurhistorie.”

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 05 oktober 2009

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.