Je leest:

Plunderschatten uit de Rijn

Plunderschatten uit de Rijn

Auteur: | 7 april 2008

In 275 n.Chr. trokken roofzuchtige Germaanse groepen ongehinderd door het Romeinse Rijk en drongen door tot in het zuiden van Frankrijk. Tijdens hun plundertochten werden villa’s, tempels en hele steden verwoest. Met honderden kilo’s buit keerden ze terug. Pas toen ze de Rijn opnieuw wilden oversteken, werden sommigen tegengehouden. Hun boten sloegen lek, hun schatten verdwenen naar de bodem van de stroom.

Het Romeinse Rijk was minder rustig dan we vaak geneigd zijn te denken. Toen vanaf 15 v.Chr. het noorden van Gallië in het Imperium Romanum werd ingepast, begon inderdaad een lange periode van vrede. Maar die was niet ononderbroken. Af en toe braken opstanden uit, met de strijd van de Bataven in 69-70 als bekendste voorbeeld. Meer dan eens slaagden buitenlandse groepen erin de grens over te steken en op grote schaal te roven. Zelfs de kust bood geen bescherming. Rond 170 konden de Chatten, een Germaanse stam uit Saksen en Hessen, via de Noordzee onze streken binnenvallen.

Small
Geslagen munt van Septimus Severus (146-211 AD)
Wikimedia Commons

De derde eeuw was voor Rome helemaal een labiele periode. Niet alleen stonden bijna overal bij de grens vreemdelingen te popelen om hun deel van de welvaart te veroveren, ook intern tuimelde het Rijk van de ene crisis in de andere. Alleen keizer Septimius Severus (193-211) stierf tijdens de derde eeuw een natuurlijke dood; zijn opvolgers sneuvelden in de strijd of werden simpelweg om zeep gebracht.

Nijmegen niet heropgebouwd

Deze strubbelingen boden de Germanen op de andere oever van de Rijn onvermoede perspectieven. Al tientallen jaren hadden ze begerige blikken op de luxe en welvaart van het Romeinse Rijk geworpen, maar bijna altijd hielden de soldaten bij de Rijngrens hen tegen. Nu zagen de Germanen hun kans schoon. Verschillende groepen van vooral jonge mannen slaagden erin tussen de wachtposten door te glippen. Soms konden ze ongestoord hun gang gaan, in andere gevallen stootten ze op weerstand. Zo wist keizer Severus Alexander (222-235) veel rovers terug te drijven en tot in Germanië te achtervolgen. Maar daar werd hij door soldaten uit zijn eigen leger vermoord, zodat voor de Germanen ook deze strafexpeditie met een sisser afliep.

Small
Buste van Severus Alexander, keizer van ca. 222–235 AD
Wikimedia Commons

Met de moord op Severus begonnen voor het Romeinse Rijk de moeilijkheden pas echt. Er ontstonden rellen en heuse burgeroorlogen. Tussen 235 en 285 liet in Rome de ene legeraanvoerder na de andere zich tot soldatenkeizer uitroepen. Bijna altijd moest zo iemand met een tegenkandidaat of tegenkeizer een robbertje uitvechten. Bijna alle aandacht ging naar het veroveren en behouden van de macht, en niet naar het besturen van het land.

Ook de grenzen werden verwaarloosd. Sommige soldaten werden er weggeroepen om een kandidaat-keizer te helpen, anderen werden na hun afzwaaien niet vervangen, voor nog anderen stonden de militaire discipline en plichtenleer op een laag pitje.

De Germanen zagen het graag gebeuren. Tussen 240 en 250 staken Frankische stammen ten noorden van Keulen de Rijn over, op zoek naar rijkdom. Vooral Romeins Nederland en België moesten eraan geloven. Tijdens het volgende decennium vonden nog meer invallen en rooftochten plaats. In 259 stormden Juthungen (een Germaanse stam uit het Donaugebied) Noord-Italië binnen, Alamannen plunderden het zuiden van Gallië en Franken bleven het noorden van Gallië afschuimen.

In 275 bereikten hun invallen een hoogtepunt. De Rijn lag zo goed als open. Massaal overschreden Germanen de stroom en verspreidden zich over bijna heel Gallië, tot in Aquitanië. Een hele winter lang verbleven de rovers in het Rijk. Overal stalen ze alles dat waarde had en niet te zwaar was. Hun voorkeur ging uit naar juwelen en luxueuze gebruiksvoorwerpen van goud, zilver en brons. Na hun activiteiten zetten ze menige nederzetting, tempel, villa of complete stad in lichterlaaie. Zestig steden, waaronder Trier, Reims, Metz en Parijs, werden met de grond gelijkgemaakt. Ook het oude Nijmegen deelde in dat lot en werd daarna amper heropgebouwd.

Pas in de lente van 276 keerden de Germaanse rovers naar huis terug. Hun wagens lagen letterlijk tot boven toe vol buit gestapeld. Bij het verdelen van de winst braken de rovers zilveren kunstvoorwerpen uit tempels ongegeneerd in tweeën. Kennelijk was het hen niet om de afbeeldingen van goden of om de kunst te doen, maar puur om het zilver.

Schat van meer dan 700 kg

Een tentoonstelling in het Rheinisches Landesmuseum van Bonn, ‘Der Barbarenschatz. Geraubt und im Rhein versunken’ (de barbarenschat, geroofd en in de Rijn gezonken), brengt het verhaal van deze woelige periode. De expositie is opgehangen aan enkele bijzondere archeologische ontdekkingen die in de afgelopen veertig jaar in de Rijn werden gedaan en die nu, na uitgebreide restauratie, aan het publiek getoond kunnen worden.

Small
Neupotz plunderschat
Wikimedia Commons / Römisches Museum Augsburg

De verschillende Romeinse schatten zijn aan het licht gekomen tijdens baggerwerkzaamheden. Onderzoek wees uit dat de belangrijkste schatten ongeveer uit 275 n.Chr. dateerden, oftewel het hoogtepunt van de plundertochten. Alles wijst erop dat de Germanen ook tijdens hun terugtocht van Aquitanië naar Germanië nauwelijks werden gehinderd. Pas bij de Rijn kregen ondervonden sommigen tegenstand van Romeinse soldaten. Uit vaderlandsliefde of, eerder nog, om de buit van de Germanen te kunnen overnemen, probeerden deze de terugkerende groepen tegen te houden. Op het moment dat ze de Rijn overstaken waren ze het meest kwetsbaar. Hun te zwaar beladen bootjes of vlotten waren geen partij voor de snelle roeiboten van de Romeinen.

Na zo’n confrontatie wachtte de Germanen de dood of werden ze als slaven verkocht. Meer dan eens zonk hun vaartuigje en verdween hun buit naar de bodem van de Rijn. Soms konden de Romeinen die nog opvissen maar in andere gevallen lukte dat niet, bijvoorbeeld omdat het water te diep, te donker of te woelig was. Dan bleef de schat eeuwenlang liggen en raakte vergeten.

Pas sinds de vorige eeuw kwamen de voorwerpen opnieuw onder de aandacht. De belangrijkste vondst werd rond 1980 gedaan in Neupotz bij Speyer, 100 km ten zuiden van Frankfurt. Duikers konden daar meer dan duizend voorwerpen van zilver, brons, messing, tin en ijzer opdelven. Samen wogen die meer dan 700 kg.

Een sterker bewijs van de Germaanse plunderingen in het Romeinse Rijk valt nauwelijks te bedenken. Dankzij deze en andere vondsten konden historici en archeologen het relaas van de woelige derde eeuw herschrijven, of op zijn minst bijstellen. Omdat het bovendien vaak om schitterende voorwerpen ging, tonen de verdronken schatten eens temeer over welke rijkdom de Romeinse elite beschikte. Geen wonder dat de Germanen zo tuk waren om in het Romeinse Rijk te plunderen. Zelfs een verwende museumbezoeker uit de 21ste eeuw staat er met open mond naar te kijken.

Herman Clerinx is freelance publicist, gespecialiseerd in archeologie, volkskunde en geschiedenis en is auteur van onder andere Kelten en de Lage Landen.

Dit artikel is een publicatie van Geschiedenis Magazine.
© Geschiedenis Magazine, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 07 april 2008

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.