Je leest:

Platpraters schoppen het minder ver

Platpraters schoppen het minder ver

Auteur: | 7 februari 2007

Nijmeegs onderzoek wijst uit dat dialectsprekers gemiddeld genomen enige achterstand hebben op ABN-sprekers. Een verklaring voor de negatieve sociale consequenties zoekt onderzoeker Gerbert Kraaykamp in de ‘wederzijdse attitudes’ van de dialectsprekende leerling/werknemer en de ABN-pratende docent/werkgever.

Eén van de vele verontwaardigde Limburgers weet wel raad met het onderzoek van universitair hoofddocent Gerbert Kraaykamp. Op de website van de regionale krant schrijft hij (of zij) dat de conclusies van Gerbert nurges op sjlunt. Het zou best kunnen dat ‘sjtatisties geziee zie verhoal klopt, meh om noe te sjtelle dat het moele va plat doa alling de oorzaak va is ving ich kwatsj de luxe’.

Dat dialectsprekers slechter presteren in onderwijs en op de arbeidsmarkt is echter geen kwatsj de luxe. De Nijmeegse onderzoeker weet dat zijn boodschap niet lekker valt bij de 36 procent van de jonge Nederlanders die West-Fries, Gronings, Zeeuws, Twents-Graafschaps, Midden-Drents, Utrechts-Alblasserwaards en Limburgs kalle (praten). ‘Het is geen kwestie van dommer of slimmer zijn. Ook doe ik geen uitspraken over of dialect minderwaardig is aan het Standaardnederlands’, wil hij bij voorbaat (in keurig ABN) zeggen. ‘De statistiek is echter helder.’

Wederzijdse attitudes

Kraaykamp vergeleek uitgebreide vragenlijsten van 3300 mensen op het spreken van dialect; thuis, op school en met vrienden. Uit deze steekproef kwam naar voren dat Nederlanders die met een streektaal zijn opgegroeid gemiddeld een jaar minder opleiding volgen. Hun eerste baan heeft een lagere status dan die van ABN-sprekenden. Dat dit effect in de verdere levensloop doorwerkt, is te zien aan de eveneens relatief lagere status van de baan die ze op het moment van het interview hebben. Op woordherkenningstesten, die veel zeggen over het niveau waarop je de taal machtig bent, scoren ze echter niet lager.

‘Je kunt hier natuurlijk tegenin brengen dat ouders die met zwaar accent spreken over het algemeen lager zijn opgeleid. Hun kinderen blijven daardoor wat vroeger steken in het onderwijs’, zegt Kraaykamp. ‘Deze effecten heb ik al statistisch uit het materiaal gefilterd.’ Ook de regionale verschillen – in Friesland is er simpelweg minder hoogopgeleid werk dan bijvoorbeeld in Utrecht – halen Kraaykamps conclusies niet onderuit. Het onderzoek is namelijk in heel Nederland uitgevoerd.

Een verklaring voor de negatieve sociale consequenties zoekt de hoofddocent in de ‘wederzijdse attitudes’ van de dialectsprekende leerling/werknemer en de ABN-pratende docent/werkgever. ‘Uit onderzoek blijkt dat leraren die zelf accentloos praten, dialectsprekende leerlingen als dommer zien en lager beoordelen. De thuistaal sluit eenvoudig niet aan wat op school van de kinderen wordt verwacht.’

De dialectspreker zelf voelt ook een taalafstand. ‘Die zal zich minder snel thuis voelen in een omgeving waar hoofdzakelijk ABN wordt gesproken, zoals in het hoger onderwijs en in het hogere management. Het kost ze meer moeite aansluiting te vinden met de dominante cultuur.’

Dat betekent overigens niet dat achterstand een onontkoombaar lot is. Zeker met laaggeschoold werk maakt het niet zoveel uit. Dat is vaak toch regionaal gebonden. ‘De dorpsbakker of -timmerman kan zich met dialect prima redden. Als je naar plaatsen moet waar ze anders praten, dan pas wordt het een nadeel.’

In de harde wereld

Worden deze problemen in de praktijk herkend? Consultant David Toering van bemiddelingsbureau Headhuntersteam zegt van wel. Vanuit zijn kantoor in Leeuwarden bemiddelt hij in technisch personeel. ‘Voor tekenaars, projectleiders en uitvoerders is het meestal geen probleem als ze Fries praten of, liever, niet al te veel Nederlands spreken. Voor hogere functies is het wel lastig. Van het management wordt overal verwacht dat men ABN spreekt.’ Volgens de adviseur is ook van belang waar het bedrijf opereert. ‘Bij een regionaal bedrijf wordt in de meeste geledingen niet moeilijk gedaan over dialect. Heeft een bedrijf veel klanten in bijvoorbeeld de Randstad, dan wordt het een ander verhaal.’

Recruiter Renee Krikke, van AV Personeelsintermediair in Amersfoort, herkent dit beeld. Ze bemiddelt vooral in commerciële banen. ‘Het heeft ook met achtergrond te maken. In de snelle en harde sales-wereld zal een droge, nuchtere Fries wellicht niet zo goed passen. Hij komt dan minder daadkrachtig over, zo wordt gedacht. Zeker in commerciële functies zijn communicatie en presentatie gewoon verschrikkelijk belangrijk.’ Van callcenter-medewerkers wordt om diezelfde reden ook een goede beheersing van de standaardtaal gevraagd.

Toch legt ze iemands uitspraak niet onder een vergrootglas. ‘Inmiddels zijn we wel gewend dat medewerkers met een licht buitenlands accent praten. Dat geldt ook voor dialecten. Er is niets mis met een niet al te heftige zachte g. En voor klanten die in een afgebakende regio werken, kan een dialectspreker juist weer een aanvulling zijn.’ Maar ook Krikke ziet dat de hogere posities een goede beheersing van de standaardtaal vereisen.

Geen paniek

Oud-streektaalfunctionaris Pierre Bakkes, die jarenlang voor Limburg het dialectgebruik stimuleerde, panikeert niet door deze woorden en Kraaykamps onderzoek. ‘Ze hebben vast gelijk, dat geloof ik best. Maar wat moet je er verder mee’, vraagt hij zich af. Zeker niet het Limburgs afzweren, zoveel staat voor hem vast. ‘Waar strijd je tegen, wat is dat voor een moloch? Het gaat immers om attitudes bij miljoenen mensen die lacherig doen over dialect en daarop neerkijken. Dat verander je niet zomaar even.’

Bakkes onderkent de beperkende invloed die een zwaar accent heeft, maar vindt niet dat dat accent dan afgezworen of vervangen moet worden. ‘Veel mensen kunnen zich beter uitdrukken in de eigen taal en voelen zich daar goed bij. Ze hebben het Standaardnederlands vaak niet zo hard nodig in het dagelijks leven.’

Aan de andere kant zie je volgens hem dat zij die een stevige vorming krijgen, hun accent matigen of soms zelfs afleren. ‘Je moet tussen talen kunnen wisselen.’ De Limburger neemt zichzelf als voorbeeld hoe dat kan werken. ‘Ik ben Neerlandicus en heb veertig jaar in deze prachtige taal onderwezen. Toen ik nog studeerde, is mijn accent en taalgebruik er stevig uitgeramd. Nu praat ik met een klein accent, maar thuis praat ik nog steeds dialect. Die twee kunnen dus prima naast elkaar bestaan.’

Bakkes vindt het jammer dat sommige provinciegenoten die wissel niet kunnen maken. ‘Echte ééntaligheid komt nauwelijks meer voor. Toch zijn er veel mensen die stug Limburgs blijven praten, ook als dat niet gewenst is. Die ontnemen zichzelf dan hun mogelijkheden. Eigenlijk net als migranten die de taal niet leren.’

Die vergelijking, met migranten, maakt Kraaykamp ook. Zo legt hij een verband tussen dialectsprekers en de taalachterstand die allochtonen dikwijls hebben. ‘Zij hebben natuurlijk ook nog te maken met een geheel andere cultuur, maar als het op spraak aankomt, zie je eigenlijk dezelfde problemen. Friese kinderen die aan de basisschool beginnen, hebben soms net zo’n grote achterstand als allochtone kinderen in de grote steden.’

Dit artikel is verschenen in Intermediair

Dit artikel is een publicatie van Intermediair.
© Intermediair, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 07 februari 2007

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.