Je leest:

Plasdras weiland moet grutto redden

Plasdras weiland moet grutto redden

Auteur: | 14 april 2001

Het aantal in Nederland broedende grutto-paren kelderde de afgelopen tien jaar van 105.000 naar 60.000. ‘Als deze vrije val doorzet dan is de populatie straks niet meer levensvatbaar’, stelt Vogelbescherming Nederland.

‘Help de grutto’, is de duidelijke maar niet bijster originele titel van het actieplan het Grutto-platform waarin overheid, boeren en natuurorganisaties oproept om zich (nog) harder voor de grutto in te zetten. Want het gaat bar slecht met de weidevogel.

De afgelopen tien jaar is het aantal broedparen met ongeveer een derde afgenomen van 105.000 naar 60.000. En dan te bedenken dat in Nederland de helft van de wereldpopulatie van de grutto onderdak vindt.

Hans Peeters van Vogelbescherming Nederland is samen met Landschapsbeheer, de Bond van Friese Vogelbeschermingswachten en de Steltloper Werkgroep initiatiefnemer van het Grutto-platform. Hij ziet het somber in. ‘Als deze vrije val doorzet dan is de populatie straks niet meer levensvatbaar. De grutto zal niet direct uit Nederland verdwijnen, maar het is de vraag of er op de wereld genoeg vogels overblijven om de soort in stand te houden.’

Gekortwiekt

Nederland is de broedplaats van de grutto. Eind februari strijkt het dier in ons land neer, terug van zijn overwinteringsgebied in Noordwest-Afrika. Begin april legt het dier dan vier eieren. De grutto (Limosa limosa) heeft het hier moeilijk omdat zijn biotoop langzaam verdwijnt. De weidevogel houdt van drassige graslanden met een ruige grasmat. Hij leeft van insecten, wormen en larven. Door de ruilverkaveling en de daling van het grondwaterpeil zijn echter steeds minder graslanden geschikt voor de grutto. Boeren die hun land maaien, maken de gekortwiekte wei daarmee onbewoonbaar voor de vogel, en ze vernielen soms nesten. ‘Het is grotendeels de schuld van de intensieve landbouw’, vat Hans Peeters samen. ‘Door de ontwatering van Nederland is er te weinig drassig land waar de grutto nog kan leven.’

Ontwatering is de hoofdoorzaak van de achteruitgang, maar meer factoren spelen een rol. Jagers wijzen op het gevaar van vossen en kraaien die jagen op de weidevogel en diens eieren. Verder versnippert het biotoop, geschikte terreinen boeten in aan kwaliteit doordat er bijvoorbeeld een snelweg naast wordt gelegd, vogels sneuvelen in het verkeer of komen in dodelijke aanvaring met een hoogspanningskabel of windmolen. Al deze effecten eisen lokaal soms een hoge tol, maar het belang voor de hele populatie is gering of onmogelijk te schatten.

Storend licht

Een poging tot kwantificering van grutto-leed deed onderzoeksinstituut Alterra. In opdracht van Rijkswaterstaat voerden Hans de Molenaar, Dick Jonkers en Marlies Sanders een onderzoek uit naar het effect van snelwegverlichting op een grutto-populatie. In de Noord-Hollandse Limmerpolder vergeleken de onderzoekers het nestelgedrag van grutto’s langs de A9 zonder verlichting in 1998 met de situatie in 1999 met schijnende lichtmasten.

In het rapport van vorig jaar april beschrijven de auteurs dat grutto’s die als eersten nestelden langs de snelweg, een plaats kozen verder van de lichtmasten dan later aankomende vogels. Maar grutto’s stoorden zich niet aan het geraas van de snelweg en het eivolume per nest noch het broedsucces hadden te lijden onder de verlichting.

Snelwegen of verlichting lijken de grutto dus niet fataal te worden. Het is moeilijk te bepalen welke factoren het dier dwars zitten omdat de bedreigde weidevogel een langlevende vogel is, een exemplaar ouder dan tien jaar is geen uitzondering. Als de grutto een slecht broedseizoen heeft, dan leidt dat dus niet tot een abrupte daling in de populatie-grootte het volgende jaar. Pas op den duur, als het jaar in jaar uit slecht gaat, zal het aantal grutto’s afnemen. Zoals nu gebeurt.

Grutto boven orchidee

Om het tij te keren, draagt het grutto-patform een aantal oplossingen aan. Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten en Provinciale Landschappen beheren ongeveer een derde van alle voor grutto’s geschikte terreinen. Peeters van de Vogelbescherming: ‘Biodiversiteit staat bij al deze organisaties hoog aangeschreven, ook in specifieke weidevogelgebieden, maar wij vinden dat ze nu juist daar keuzes moeten maken. In dit geval betekent dat kiezen voor de grutto en niet voor bijvoorbeeld de orchidee.’

Cruciaal in het voortbestaan van de grutto zijn boeren. Door hun land op de juiste manier te beheren, kunnen zij enorme gebieden beter leefbaar maken voor de grutto. Het ministerie van LNV moet meer geld beschikbaar stellen voor boeren die op een ‘grutto-vriendelijke’ manier met hun land omgaan, vindt Peeters. ‘Dankzij overheids-subsidies werken nu al veel boeren mee, maar het zijn er te weinig om de grutto te redden, het zullen er nog veel meer moeten worden.’

Tjeerd Bosma van de Westelijke Land- en Tuinbouworganisatie ziet het iets anders. ‘Bijna 3.500 boeren helpen mee ondanks het ontbreken van subsidies. Deze landbouwers hebben zich verenigd in organisaties waarvan de leden zich via een contract verplichten hun land zo grutto-vriendelijk mogelijk te beheren. Subsidie of geen subsidie. Pas in tweede instantie probeert de organisatie dan bij het ministerie daar een vergoeding voor te krijgen, maar de overheid is vreselijk laks met het uitbetalen van gelden.’

Het ministerie van LNV meldt dat de uitbetaling vertraging opliep omdat Europese wetgeving het niet toestond subsidies toe te kennnen aan collectieven. Het euvel is inmiddels verholpen.

Grutto-vriendelijk wil zeggen dat boeren stukken van hun land waar veel vogels broeden zo laat mogelijk maaien en daar geen of minder mest uitrijden. De boeren laten vrijwilligers gruttonesten markeren met stokken, zodat ze er met de tractor niet overheen rijden. ‘Soms zetten boeren zelfs een perceel plasdras’, zegt Bosma. Een onderwater gezet stuk land is de ideale foerageerplek voor een grutto. Begrijpelijkerwijs willen boeren voor een blankstaand weiland wel graag een vergoeding: daar kunnen geen koeien lopen.

RIN-onderzoek: krullen helpen

Amateur vogeldeskundige Jan de Jong uit Joure is een van de 450 vrijwillige medewerkers, vogelwet-vergunninghouders (‘ringers’), die vogels ringt en gegevens van gevonden vogels opstuurt naar de Ringcentrale, een onderdeel van het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek. Ruim twintig jaar geleden werkte hij mee aan onderzoek dat in opdracht van het toenmalige Friese electriciteitsbedrijf PEB (het huidige NUON) manieren zocht om de sterfte onder weidevogels door hoogspanningsdraden te verminderen.

Aanleiding daarvoor was een onderzoek van het Rijks Instituut voor Natuurbeheer (R.I.N., de voorloper van Alterra). Daaruit bleek dat in een periode van 13 maanden in de buurt van Muiden tussen 1972 en 1973 langs meer dan vijf kilometer hoogspanningskabel ruim zestig grutto’s sneuvelden. De slachtoffers kunnen geen afstand schatten tot een horizontale lijn, vliegen er tegenaan en beschadigen hun vleugels of breken hun nek. In Nederland liep toen 2.500 kilometer hoogspanningskabel over vergelijkbaar terrein als het telgebied. Een (te?) eenvoudig sommetje leert dat het aantal draadslachtoffers in totaal dan bijna 27.000 exemplaren zou kunnen zijn. Overigens nam de populatie van 116.000 grutto’s destijds nog iets toe.

Het gealarmeerde Friese elektriciteitsbedrijf PEB liet vervolgens uitzoeken of de stroomkabels ook minder gevaarlijk voor weidevogels konden worden. De Jong: ‘Uit Engeland kwam het idee voor lijnmarkeringen, krullen. In de buurt van vliegvelden hadden ze daar goede ervaringen mee opgedaan.’

Door de kabels te markeren met krullen, zouden ze beter zichtbaar zijn en minder slachtoffers eisen. In de buurt van Heerenveen bracht het elektriciteitsbedrijf de markeringen aan. De Jong en andere vrijwilligers van de Bond van Friese Vogelbeschermingswachten telden gedurende enkele jaren het aantal draadslachtoffers onder gemarkeerde en ongemarkeerde hoogspanningslijnen. Conclusie: dankzij de krullen daalde het aantal dodelijk aanvaringen met minimaal zestig procent.

Toch heeft het markeren van stroomkabels, op enkele speciale vogelrijke lokaties na, nooit brede ingang gevonden. Het aanbrengen van de krullen is duur, tijdens de operatie moet de stroom van de kabels af. Bovendien wordt het belang van sterfte door kabelaanvaringen niet zo groot geacht. De bijna modieuze aandacht die het fenomeen ruim twintig jaar geleden kreeg, is daarom een stille dood gestorven.

Dit artikel is een publicatie van Bionieuws.
© Bionieuws, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 14 april 2001

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.