Je leest:

Personen en personalisering

Personen en personalisering

Auteur: | 18 juli 2006

Volgens veel politici en journalisten leven we in een personendemocratie. Onzin, zegt Van Holsteyn. Die persoonseffecten worden flink overdreven.

Nederland zou volgens bijvoorbeeld de voormalig minister van Bestuurlijke Vernieuwing Thom de Graaf een personendemocratie zijn, gekenmerkt of zelfs geteisterd door ‘amerikanisering’. De persoon van de lijsttrekker of politiek leider zou van groot, wellicht doorslaggevend belang zijn. Het zou kiezers vooral, en veel meer dan in het verleden, om de poppetjes gaan. Dat nu is flauwekul. Of, als ik het zorgvuldiger formuleer: voor een aanzienlijke en toegenomen mate van personalisering in de vorm van electorale persoonseffecten is nauwelijks empirische steun te vinden. Flauwekul dus.

Het is altijd lastig om aan te tonen dat iets niet het geval is, zeker als velen ervan overtuigd zijn dat het wel zo is. Maar ik doe een poging. We moeten dan beginnen met het onderschei¬den van directe en indirecte persoonseffecten. Bij personalisering gaat het om directe persoonseffecten, dat wil zeggen de electorale aantrekkingskracht (of afstotingskracht) van de politicus om wie en wat hij is en niet om wat hij gedaan heeft of van plan is te doen. In dat laatste geval gaat het hooguit om indirecte persoonseffecten, en dus eigenlijk niet om persoonseffecten. Concreet: alle stemmen die Wouter Bos in 2003 voor de PvdA binnenhaalde puur vanwege zijn kontje, dat zijn directe persoonseffecten. De stemmen die hij won bijvoorbeeld omdat hij mede vorm gaf aan een wenselijk geacht democratiserings-proces van zijn partij, of omdat hij belangrijke problemen op de agenda wist te krijgen, zijn indirecte effecten. Niet de persoon Bos trok dan die laatste categorie stemmen, maar de partij die mede door zijn toedoen aantrekkelijker was geworden of voor de oplossing van het gesignaleerde probleem zou gaan zorgen.

Vervolgens is het zo dat verhalen over personalisering een ontwikkeling suggereren, maar dat die verhalen zelden worden gehinderd door historisch besef. De suggestie dat het om iets volstrekt nieuws gaat, is vals. Als we ons beperken tot de naoorlogse verzuilde periode, zien we dat personen ook toen van eminent belang werden geacht. Een enkele blik op de Kamerverkiezingen van 1956 – de strijd niet tussen PvdA en KVP maar tussen Drees en Romme – maakt duidelijk dat politieke kopstukken niet pas de laatste jaren een hoofdrol spelen in het electorale proces. Verkiezingsposters waarop de partijnaam zo goed als onzichtbaar is en juist worden gedomineerd door de naam en beeltenis van de politiek leider zijn evenmin van de laatste jaren. ‘Drees [!], uw vertrouwen waard’, luidde de PvdA-slogan van 1956; de partij werd niet of nauwelijks genoemd. Trouwens, ook in 1952 had die partij al een Drees-affiche gebruikt met “de aanduiding Partij van de Arbeid minuscuul klein aangebracht aan de onderrand.”

Dat het geloof in persoonseffecten oud is, zegt niet veel over het bestaan ervan. Onderzoek heeft echter niet veel bewijs voor dat bestaan opgeleverd. Zo wijzen relatief weinig kiezers in de motivering van de eigen partijkeuze op personen als reden van hun keuze. Het gaat constant om ongeveer 10 tot 15 procent, waarbij bedacht moet worden dat dergelijke motieven vaak verknoopt zijn met andere, inhoudelijke redenen om voor een partij te kiezen.

PVDA: Sterk en Sociaal.

In het Nederlands Kiezersonderzoek 2003 waren vragen opgenomen om meer zicht op persoonseffecten te krijgen. In Nederland gaan zoals bekend alle stemmen feitelijk naar personen. Je moet nu eenmaal de knop indrukken voor de naam van een kandidaat. Maar wat betekent dat? Is dat steun voor die specifieke persoon? En hoe zit dat dan met een stem voor de lijsttrekker? Is dat steun voor hem of haar, of voor de lijst als geheel, voor de partij? Dat is onderzocht. Dan blijkt dat ruim drie kwart van de mensen die op de lijsttrekker hadden gestemd dat bedoelde als stem voor de partij, niet voor die ene persoon. Van de PvdA-stemmers gaf trouwens ook slechts 20 procent aan dat ze met hun stem op de nummer 1 van de lijst op de persoon Wouter Bos stemden, in plaats van op de PvdA.

Een vervolgvraag relativeert de aantrekkingkracht van lijsttrekkers verder. Van de mensen die op een lijsttrekker stemden, gaf een grote meerderheid van 70 procent aan niet op die persoon te hebben gestemd als hij of zij niet lijstaanvoerder was geweest. Dat gold ook weer voor Bos. Als dat zogenaamde stemmenkanon Wouter Bos lager op de lijst zou hebben gestaan, zou ongeveer 30 procent misschien alsnog op hem hebben gestemd, maar de overige 70 procent van de PvdA-stemmers die dat deden, zou dan op de man of vrouw hebben gestemd die in dat geval de eerste plaats op de lijst zou innemen. Kortom, alle kiezers stemmen noodgedwongen op een persoon, maar verreweg de meeste doen dat om steun te geven aan de partij, en niet vanwege de kenmerken, eigenschappen of ‘uitstraling’ van meneer X of mevrouw Y.

Dat velen denken dat politici er zo toe doen, heeft vooral te maken met een te beperkte blik. Vaak worden indrukken van hoe een politicus is, direct vergeleken met de electorale steun voor de partij. En ja, dan vinden we sterke verbanden. Als echter andere relevante factoren, zoals de beoordeling van de partij, in de beschouwing worden betrokken, dan blijken persoonseffecten grotendeels weg te vallen. Van een recent internationaal vergelijkend onderzoek naar persoonseffecten luidt de conclusie dan ook dat partijeffecten veel sterker zijn dan persoonseffecten. Voor de goede orde: dat betekent niet dat persoonseffecten volstrekt afwezig zijn, “(…) but it means that they in most cases are close to trivial.” Zo goed als betekenisloze persoonseffecten dus – dat is anders dan je zou verwachten in een personendemocratie…Overigens laat dit bijna-nul-resultaat wel degelijk ruimte voor interessante onderzoeksvragen. Want ook al zijn persoonseffecten vooralsnog gering, we weten onvoldoende van de precieze aard en werking ervan.

Een tweede reden om als kiezersonderzoeker tòch aandacht aan de persoon van de politicus te besteden is, dat er meer ruimte is voor persoonseffecten als politieke partijen, vooral programmatisch, weinig van elkaar verschillen. Van inhoudelijke convergentie en zwakke polarisatie leek aan het einde van de vorige eeuw sprake te zijn. In 2002 en 2003 was dat anders. Het is echter denkbaar dat partijen in de toekomst weer naar elkaar groeien. En als programma’s veel op elkaar lijken, zoeken kiezers naar andere aspecten die partijen van elkaar onderscheiden om tot hun keuze te komen. Die ‘andere aspecten’ kunnen personen zijn.

Ten derde is er ruimte voor onderzoek naar persoons-effecten als het ooit nog eens van een werkelijke wijziging van het Nederlandse kiesstelsel komt. In het vergelijkende onderzoek waarnaar ik al verwees, is er een duidelijk verband tussen de aard van het stelsel en de omvang van persoonseffecten. Juist in proportionele stelsels, en het Nederlandse is daar een voorbeeld van, zijn deze effecten heel gering. Regels en instituties hebben effect op gedrag. Dus als het stelsel minder proportioneel zou worden en er, bijvoorbeeld, een meerderheidsstelsel met districten, in een of andere vorm, zou komen, dan neemt de kans op persoonseffecten toe. Dan zou Thom de Graaf alsnog gelijk krijgen. Hij zou dan, jaren na invoering van dat nieuwe stelsel, wijzen op persoonseffecten die uit kiezersonderzoek blijken. We zouden leven in een personendemocratie! Alleen zou die dan een gevolg zijn van dat nieuwe, minder proportionele stelsel. Terwijl persoonseffecten of ‘personalisering’ in het algemeen in geen geval aanleiding zouden kunnen zijn voor de invoering van een nieuw kiesstelsel.

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 18 juli 2006

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.