Je leest:

Pas op peilingen!

Pas op peilingen!

Auteur: | 9 november 2006

Jan Peter Balkenende bleek een voorzichtig man, begin 2003. In de aanloop van de Kamerverkiezingen van januari liepen de opiniepeilingen uiteen. Omdat de strijd uiteindelijk mede draaide om de vraag welke partij, PvdA of CDA, de grootste zou worden, werd dat als storend ervaren. Het riep vragen op naar de kwaliteit van peilingen. Gaven zij een goed beeld van kiezersvoorkeuren? Daarbij dook ook de vraag op naar de invloed ervan, en hoe daarover te oordelen. Nader onderzoek naar het effect van peilingen leek Balkenende wel wat. Dat onderzoek zou kunnen uitmonden in een afspraak voor verkiezingen geen peilingen meer te houden. De inhoud zou winnaar zijn. ‘Kiezer, pas op voor de peilingen!’, aldus de kern van zijn positie.

Het debat over peilingen is zo oud als die peilingen zijn en kent een empirische en normatieve component. De eerste vraag is die naar de feitelijke invloed, eerst en vooral op kiezers. Omdat volgens velen die invloed substantieel is, komt daarna de vraag naar een verbod aan de orde.

Zo ook in 2003. Een oud-politica als Winnie Sorgdrager (D66) beweerde dat kiezers liever bij een winnaar hoorden dan bij een verliezer en dat de peilingen ‘dus’ invloed hadden. Het leek haar de moeite waard na te denken over een publicatieverbod, zeker in de laatste week voor verkiezingen. De toenmalige leider van D66, Thom de Graaf, meende als liberaal nooit voor een verbod te kunnen zijn maar liet fijntjes weten dat hij het prima zou vinden als de onderzoekbureaus en de media zouden besluiten een week voor verkiezingen niets meer met peilingen te doen. André Rouvoet (Christen Unie) sprak zich voor een verbod van de openbaarmaking van peilingen in de week voorafgaande aan de verkiezingsdag uit.

Zoals het in 2003 ging, zo zal het waarschijnlijk in 2006 (zijn) (ge)gaan. Sociale wetenschappers zijn slecht in het doen van voorspellingen, maar ik ben ervan overtuigd dat het debat over de invloed van peilingen is gevoerd.

Hoe zit het met die invloed? Daar wordt al ruim een halve eeuw onderzoek naar gedaan, waarbij twee effecten centraal staan: het bandwagon- en het underdog-effect. Op het eerste wees Sorgdrager. Als uit een gevoel van medelijden steun wordt verleend aan een onderliggende partij, dan zou het tweede effect zich voordoen. Echter, de empirische steun voor deze effecten is buitengewoon gering. En als er al bevindingen worden gepubliceerd waarin effecten worden gevonden – en veel zogeheten nulresultaten zullen nooit hun weg naar boek of tijdschrift vinden – dan gaat het om uiterst geringe effecten, vooral underdog-effecten. Aanwijzingen voor aanzienlijke bandwagon-effecten zijn zo goed als afwezig. Dat doet er niet toe, overigens. George Gallup verzuchtte decennia geleden al dat de mythe van de bandwagon niet stuk te krijgen was. De mythe blijft, ondanks onderzoeken dat iets anders laat zien, overeind.

Voor Nederland heeft Gallup het tot op de dag van vandaag bij het rechte eind, zo wijst TNS NIPO onderzoek van mei 2006 uit. Van de 505 ondervraagden meende een dikke meerderheid dat er invloed van peilingen op het kiesgedrag van Nederlandse kiezers bestond. Uit de vraag of het om bandwagon- of underdog-effecten ging, bleek hoe hardnekkig de bandwagon-mythe is. Bijna een kwart gaf weliswaar aan niet te weten welk effect het sterkste was, maar van de overige ondervraagden dacht slechts 9 procent aan het underdog-effect terwijl 46 procent dacht dat het bandwagon-effect sterker was. Onder een groep van in 105 parlementair journalisten en Tweede-Kamerleden was trouwens het geloof in het electorale monster van Loch Ness nog groter: hier was driekwart van mening dat het bandwagon-effect dominant was. Dit wijdverbreide geloof, op massa- en eliteniveau, maakt het onmogelijk de mythe van bandwagon-effecten de wereld uit te helpen. In het grote koor van instemmende gelovigen wordt de ontkennende wetenschapper niet gehoord.

Hebben de peilingen dan geen invloed op kiezers? Nee, die invloed is er en is fors, al is het opmerkelijk dat de aandacht altijd maar weer naar kiezers gaat en veel minder naar politici en journalisten. Het is deels de niet geringe invloed die deze twee groepen van peilingen ondergaan, die indirect gevolgen heeft voor kiezers. Zo wordt de vraag naar wie mee mag doen aan verkiezingsdebatten op televisie beslist met de laatste peilingen binnen handbereik. Voor mei 2002, bijvoorbeeld, mocht Pim Fortuyn alom aanschuiven, terwijl zijn ‘partij’ geen enkele Kamerzetel had. Een half jaar later – de LPF had met 26 zetels zijn entree gemaakt – gingen de uitnodigingen de nieuwe politiek leider van de LPF voorbij, omdat zijn partij in de peilingen was weggezakt.

Het zijn niet de indirecte effecten waaraan we denken als het gaat om de invloed van peilingen. Dan gaat het om directe effecten, en die zijn evenzeer aanwezig. Alleen gaat het dan niet om de gevoelsmatige, affectieve reactie zoals bij de klassieke effecten, maar om een cognitieve reactie. Kiezers gebruiken op een calculerende, ‘verstandige’ manier de informatie die peilingen hun bieden.

In Nederland hebben vele kiezers een voorkeur voor meer dan één partij. Veel kiezers zien daarenboven na de verkiezingen liever het ene dan het andere koppel partijen een kabinet vormen. Dit alles lokt strategisch stemgedrag uit: kiezers stemmen op een andere dan hun voorkeurspartij met het oog op de machtsvraag. Die vraag wordt pas na de verkiezingen in de kabinetsformatie beantwoord. Strategische kiezers willen hier een woordje meespreken en juist dan bewijzen peilingen hun nut. Die geven een politieke tussenstand aan, die vanwege de toegenomen beweeglijkheid van het electoraat zeker niet als perfecte voorspeller van de uitslag kan worden gezien, maar wel een indruk geeft van de krachtsverhoudingen op enig moment. En van de coalitie die alsdan het meest waarschijnlijk is. De strategische kiezer die hierin een ongewenste uitkomst leest, kan alsnog besluiten de stem aan een andere partij te geven, hopend de bakens te verzetten. In dat proces van schatten en afwegen vormen peilingen een cruciale bron van informatie, een feitelijke en als het goed is heldere, objectieve bron over wat het electoraat wil. In verkiezingstijd is zo’n bron goud waard; andere bronnen, partijen en politici voorop, hebben immers eigen belangen en zijn om die reden niet op hun woord te geloven.

Als het goed is, ja. Als het goed is, zijn peilingen een prima bron voor kiezers die de krachtsverhoudingen en uitkomst in termen van toekomstig kabinet willen meewegen. Maar is het goed? Daar zit hem de kneep. Dat ligt niet zozeer aan peilingen en peilers, maar aan journalisten en hun berichtgeving.

Aan de manier waarop de media – ik gooi ze op een hoop, al was het maar omdat ik nooit een uitzondering tegenkom – omgaan met de peilingen schort het ernstig. Dat is belangrijk, omdat peilingen niet als vanzelf goed of slecht zijn in het beeld dat zij van de electorale stand van zaken geven. Het vertrouwen dat we mogen stellen in peilingen hangt in hoge mate af van de manier waarop ze zijn opgezet en uitgevoerd. Hoe is de steekproef getrokken en hoe groot was die?; wanneer is het onderzoek gehouden?; welk bureau heeft de peiling uitgevoerd?; welke vraag is voorgelegd en was dat in een persoonlijk gesprek, via de telefoon of via Internet?; hoe veel mensen deden niet mee omdat ze geen zin hadden of niet bereikt werden?; hoe veel mensen die meededen gaven aan dat ze nog niet wisten wat ze zouden stemmen?; hoe zijn de gegevens bewerkt en gewogen voordat de resultaten naar buiten zijn gebracht? Zie hier enkele vragen waarop het antwoord bekend moet zijn voordat we iets zinnigs kunnen zeggen over de waarde en bruikbaarheid van peilingen. Elke zichzelf respecterende journalist zou hierop een antwoord moeten hebben, voordat de politicus om commentaar wordt gevraagd of de analyse geschreven die de recente ontwikkelingen duidt. En de lezer en kijker heeft, als burger en kiezer, eveneens recht op die informatie, die immers essentieel is om peilingen te kunnen beoordelen.

In Nederland Kiest wordt de actualiteit omtrent de verkiezingen gevolgd. Ook de Politieke Barometer wordt daar gepresenteerd.

We vinden het normaal dat in verpakte levensmiddelen tot in detail de samenstelling wordt genoemd. Dan weten we wat we eten of wat we laten staan omdat de inhoud ons niet bevalt. Wat de peilers ons, burgers, week na week voorschotelen slikken we zonder er een enkele vraag bij te stellen. Alles van Maurice en niks van ons. Voor de goede orde: dat ligt niet aan de meest beroemde peiler van Nederland en zijn vakbroeders, maar vooral aan de journalisten die ons in het ongewisse laten over wat er aan resultaten op tafel wordt gezet. Dat is zonde, want er is bij een deel van het electoraat ‘behoefte’ aan peilingen. Kwaliteitscontrole is op zijn plaats. Als peilers en peilingen op een of andere wijze meer pretenderen dan waarmaken, dan moet de journalist waarschuwen: pas op voor de peilingen! Op zijn minst moet de journalist zijn publiek de informatie geven die het mogelijk maakt peilingen op waarde te schatten.

Anders komt het echt nog zo ver dat de stemmen die klinken om een verbod van peilingen de boventoon gaan voeren. Vooralsnog zijn die stemmen in de minderheid en rust de roep op een verbod overigens op ondeugdelijke gronden. Maar ’t kan verkeren. In het TNS NIPO onderzoek was gevraagd of, als dat uitvoerbaar zou zijn, men wat zag in een verbod van peilingen. Hierop bleef ruim tien procent een antwoord schuldig. Onder degenen die zich er over uitspraken, bleken ongeveer evenveel mensen voor als tegen enig verbod: 48 procent wilde van geen enkel verbod weten, maar 31 procent wenste een verbod de laatste week voor de verkiezingen, 16 procent de laatste maand, en 5 procent prefereerde een totaalverbod op peilingen in de aanloop van verkiezingen. De Sorgdragers en Rouvoeten van deze wereld staan bepaald niet alleen. Pas op, peilingen!

Joop van Holsteyn is universitair hoofddocent en bijzonder hoogleraar Kiezersonderzoek bij het departement Politieke Wetenschap van de Universiteit Leiden. Dit artikel is eerder gepuliceerd in Leidraad, corporate magazine Universiteit Leiden oktober 2006.

Dit artikel is een publicatie van Leidraad (Universiteit Leiden).
© Leidraad (Universiteit Leiden), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 09 november 2006

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.