Je leest:

Over beestenweer gesproken…

Over beestenweer gesproken…

Wie denkt dat het weer voornamelijk bestaat uit mist en miezerige regen, is in voor een verrassing. Het weer is soms zo ‘beestachtig’ dat de geleerden er geen verklaring voor hebben.

Ron Langton installeerde zich juist voor de buis. Het was al laat en in Londen kletterde een stortregen op de daken. Hoewel: kletteren? Af en toe hoorde Ron een duidelijke plof. Wel, zolang er geen lekkage was te zien, ging hij tijdens het nachtelijke noodweer maar niet naar buiten. Daarom lette hij er verder niet meer op en ging televisie kijken.

De volgende dag moest Langton wel terugdenken aan de geluiden. Er lag een half dozijn vissen in zijn achtertuin en op zijn dak. Het was bot en jonge wijting van tien tot vijftien centimeter lengte. Was er soms een reiger overgevlogen die zijn vangst had uitgebraakt? Het Natural History Museum identificeerde de dieren als gewone, in de Thames voorkomende, vissen. En omdat Ron Langton in de wijk East Ham woonde, niet al te ver van de Thames, klonk die verklaring heel aannemelijk. Totdat uit een andere Londense wijk eveneens berichten van wonderbaarlijke visvondsten kwamen. In Canning Town waren in twee tuinen tussen de dertig en veertig vissen gevonden. Als de ‘reiger-theorie’ waar was, dan moest het in ieder geval gaan om tientallen brakende reigers.

Een paar van de vissen die in mei 1984 in Londen vielen. Ze werden door het Natural History Museum bestudeerd.

Een paar weken later was het opnieuw raak. Ditmaal was een garage bij Thirsk in het noorden van Yorkshire met alikruiken bezaaid. De zeeslakken roken naar zout water en vele waren nog in leven. Thirsk ligt op 45 km afstand van de zee. In dit geval kon het dus niet gaan om vogels die de slakken hadden meegenomen en uitgebraakt. Daarom kwam de Britse Tornado and Storm Research Organization (TORRO) met een alternatieve verklaring. De nacht voordat de alikruiken waren gevonden, was een zwaar onweer overgetrokken. Bij zwaar onweer doen zich soms tornado’s voor. Was er een wervelwind geweest die de dieren van het strand had opgezogen en verderop weer losgelaten?

Het regent aren, vissen, kikkers en slangen. Uit een boek in 1680, door Erasmus Francisci. bron: NOAA Central Library

Nu is het woord ‘tornado’ doorgaans zeer beladen. In de Verenigde Staten veroorzaken tornado’s jaarlijks voor honderden miljoenen dollars schade. Per jaar eisen ze ook gemiddeld 114 dodelijke slachtoffers. In de VS gaat het om lugubere slurfen, die uit inktzwarte buienwolken naar beneden kronkelen. Ze produceren een loeiend geluid dat klinkt als een zware bulldozer, een goederentrein, of als tientallen straaljagers.

Van zo’n Amerikaanse tornado is de verwoestingskracht enorm. Bomen worden geveld of zelfs met wortel en al uit de grond gerukt. Daken worden opgetild, muren omvergeworpen. Het is gebeurd dat mensen en dieren werden opgetild en een stuk verder weer neergesmakt. Een paard kwam 3 kilometer ver, een vrouw zelfs 10 kilometer. Ook zeer zware voorwerpen worden verplaatst. Zo werd een treinwagon van 83 ton met 117 passagiers uit de rails getild en 25 meter verderop neergezet.

In West-Europa komen ook tornado’s voor, maar bij ons hebben ze meestal minder kracht. Al zijn verwoestingen – zoals in 1967 in de Betuwe en in 1972 op Ameland – niet uitgesloten. Treden tornado’s bij ons boven land op, dan noemen wij ze windhozen. Doen ze zich voor boven water (meer, rivier of zee), dan spreken we van waterhozen.

Een waterhoos kan ontstaan bij hevig onweer, of – meestal in de nazomer – als er een koude circulaties is boven het nog warme zeewater. De slurf van de hoos heeft een diameter van een paar tot enkele tientallen meters en toont een duidelijke, holle kern waar de wind omheen wervelt. Bron: NOAA

Volgens weerkundigen liggen hozen ten grondslag aan de wonderbaarlijke dierenregens. Zij verwijzen dan naar een studie van dr. E.W. Grudger, die achtenzeventig gevallen van dierenregens onderzocht. In het wetenschappelijk tijdschrift Science van 7 juni 1946 schreef de Amerikaanse geleerde: “Alles dat verplaatst kan worden, kan door een windhoos worden opgezogen. Trekt de hoos over meren, beekjes of rivieren, dan kunnen ook kikkers, zoetwatervissen of slakken worden opgetild en meegenomen over land. Als de hoos uiteindelijk zijn kracht verliest, regent het behalve het opgezogen water ook vissen of kikkers.”

Zoiets moet dan ook zijn meegemaakt door Sylvia Mowday, die op 12 juni 1954 met zoon en dochtertje door een park in Birmingham liep en voor een kikkerregen moest schuilen. “Ik dacht eerst dat het hagel was,” herinnert Sylvia Mowday zich. “Maar mijn 11-jarige zoontje Timothy zei: ‘Het is geen hagel mam, het zijn kikkers: baby-kikkers.’ Het waren er duizenden. Ze sprongen van de paraplu’s van voorbijgangers en maakten ons bang door hun grote aantal en hun buitelingen. Na vijf minuten hield het op met regenen. Toch durfden we een tijdlang geen stap te verzetten omdat we bang waren op de kikkers te trappen.” Jammer genoeg heeft niemand anders deze kikkerregen opgemerkt. Sylvia Mowday zag meer mensen schuilen en schreef naar de krant of iemand anders ook kikkers op zijn hoofd had gekregen. Daarop kwam echter geen reactie.

De kikkerregen die Sylvia Mowday meemaakte was goed voor een fraaie voorpagina van een Brits tijdschrift.

Super-Sargasso Zee

Waarom alleen padjes, vissen of kikkers? Charles Fort, een Amerikaanse journalist die in het begin van deze eeuw gegevens verzamelde van honderden van dit soort merkwaardige regens, wijst erop dat het telkens gaat om één bepaalde levensvorm. Waar bleef bijvoorbeeld het kroos en al het andere waterleven toen de kikkertjes uit hun sloot of vijver werden opgezogen? Ook regende het wel eens hazelnoten, sinaasappels, perziken, kersen of maïskorrels. Waar bleven de bladeren en twijgjes als het deze vruchten of plantezaden regende?

Aan die merkwaardige selectie van dieren en vruchten ontleende Fort zijn denkbeeld van de Super-Sargasso Zee. Die zou zich verschuilen in de bovenste atmosfeer. Via windhozen haalde de zee planten, dieren en voorwerpen naar zich toe. En om het aardoppervlak van nieuwe groeikracht te voorzien, liet de zee zo nu en dan wat vallen.

Fort ondersteunde zijn denkbeeld met verschillende voorbeelden. In 1921 was er een bericht over een vijver in Sussex. Die was in november met alleen maar water gevuld en bleek in het voorjaar te wemelen van de zeelten. In een ander geval, in het Amerikaane Maryland, groef een boer een sloot, die zich tijdens de regenperiode na een week vulde met water. In dat water werden twee soorten jonge baars aangetroffen, elk van één à anderhalve centimeter lengte. “Het leek er veel op,” schreef Fort, “alsof de pas gegraven sloot, trillend van verlangen naar de bij haar aard behorende vis, ergens vandaan vis had aangetrokken en laten neerregenen.”

Maar het heeft toch geen zin om vissen of andere waterdieren op het land of op de daken te laten neerregenen? Zo werden door de Indiase woestijn marcherende troepen ooit bestookt met een vissenregen. Zó vers waren de vissen die in de hoeden van de soldaten spartelden, dat ze werden verzameld om er een curry voor de generaal van de te maken (Major J. Harriot: Struggles through Life, 1808). Voor dit soort vergissingen die de natuur begaat, had Fort een fraai antwoord: “Het sturen van vis naar een woestijn, of van zoetwatervis naar een meer met zout water, is niet misplaatster dan bijvoorbeeld het sturen van predikanten naar slagschepen.”

Als we Fort mogen geloven, geldt dus: graaf een vijver, en wacht op vis. Of: houd een pet in je hand, en wacht totdat het geld regent. Dat laatste doet zich jammer genoeg maar zelden voor. Wel meldden twee dominees uit de stad Limburg in Duitsland dat ze in januari 1976 tweeduizend mark in bankbiljetten opraapten. Die hadden ze uit een heldere hemel zien vallen. Ook regende het ooit duizend-frankbiljetten in Bourges in Frankrijk. Volgens de Britse Sunday Express van 15 april 1957 werd er toen een onderzoek ingesteld, maar maakte niemand melding van het verlies of eiste het geld op.

Recente dierenregens

Op 23 september 1973 vielen er in een ‘ongebruikelijke hevige storm’ tienduizenden padjes op het Zuidfranse dorp Brignoles. De Engelse krant ‘The Times’ schreef dit toe aan wervelstormen die kort daarvoor hadden gewoed.

Op 7 augustus 2000 vielen in het Engelse plaatsje Great Yarmouth tijdens een zware regenbui enkele honderden vissen uit de lucht. Daken en tuinen waren bedekt met sprot en wijting. Volgens een Brits meteorologisch instituut waren de vissen waarschijnlijk uit de Noordzee geschept door een waterhoos. Daarna zouden ze drie kilometer landinwaarts neergegooid zijn tijdens een stortregen.

Op 5 Juni 2005 kreeg een dorpje in het noordwesten van Servië een regenbui over zich heen van wel duizenden kleine kikkers. Dat schreef de krant ‘Blic’ op dinsdag. Op zondagnamiddag blies een stevige stormwind donkere wolken boven Odzaci, een dorpje op zo’n 120 km van Belgrado. De verwachte regen bleef uit, maar het dorp werd overspoeld met kleine kikkers, zo meldden ooggetuigen. Het waren andere kikkers dan diegene die er gewoonlijk rondspringen in de regio. De dieren overleefden hun metershoge val en eenmaal op de grond begonnen ze hun zoektocht naar water. Volgens klimatoloog Slavisa Ignjatovic is het fenomeen ‘niet zo erg ongewoon’. “Een wind als een tornado kan alles wat licht genoeg is meesleuren. Meestal is dat alleen stof, maar soms worden ook grotere voorwerpen opgepikt”, aldus Ignjatovic in de Servische krant Blic.

Is er nou geen enkele afdoende verklaring voor al die wonderbaarlijke regens? Het geld moet zijn weggewaaid; dat is duidelijk. De verklaring van Charles Fort is te gek voor woorden en wordt trouwens gelogenstraft door vliegtuigen en raketten die tegenwoordig door de hoogste atmosferische lagen vliegen. Maar zijn (water)hozen wel de oplossing? Die moeten dan merkwaardig selectief zijn. Ook moeten ze in staat zijn om relatief zware dieren over grote afstanden te verplaatsen. In 1936, zo meldt Science, zag J. Hedgepath boven het eiland Guam zeelten neerdalen. Die vissen komen daar helemaal niet voor. Zij moeten duizenden kilometers hebben gevlogen.

Bij regenbuien van jonge kikkertjes of padden moeten we wellicht terugdenken aan de middeleeuwse theorie van ‘spontane generatie’. Die hield in dat het zaad van sommige dieren in de grond ontstaat en ‘opbloeit’ als het regent. Wormen, slakken, jonge kikkers en padjes komen vaak bij honderden na regenbuien te voorschijn. Wie niet goed oplet, kan dus denken dat ze zijn opgebloeid, of dat ze uit de lucht zijn komen vallen.

Het plotseling na een regenbui tevoorschijn komen van vissen komt ook voor. Tropische killivissen (eierleggende tandkarpers) leven in wateren die in de droge periode helemaal opdrogen. De ouderdieren sterven en de soort wordt in stand gehouden door de in de bodem aanwezige eitjes. Deze eitjes hebben zelfs een zekere droogteperiode nodig om tot ontwikkeling te kunnen komen. Maken zij zo’n periode niet door dan gaan de eitjes verloren. Komt na de droge periode de natte tijd eraan, dan lopen de opgedroogde poelen weer vol met water. Het is dan frappant om te zien dat de eerste jonge visjes al na een paar uur te voorschijn komen. In de tropen heeft men dit verschijnsel vaak aangezien voor een vissenregen uit de hemel. Het is eigenlijk heel logisch dat men daar tot deze redenering kwam. Immers: eerst was de betreffende poel volledig droog en na een regenbui zwemmen er ineens jonge visjes in rond. Deze moesten dus wel uit de hemel zijn gevallen met de regen.

Al in de middeleeuwen werden de meest merkwaardige regens waargenomen; zo regende het hier kruistekens.

Misschien is het ook nog van belang dat de overgrote meerderheid van kikker- en vissenregens zich voordoet in Engeland, de VS, of andere Engelstalige landen. Voor zover bekend zijn ze nog nooit in Nederland waargenomen. En dat terwijl het hier toch stikt van kikkers en vissen, en zich gedurende het zomerseizoen ook heel vaak waterhoosjes voordoen.

Maar misschien moeten we nooit ‘nooit’ zeggen. Want denk alleen maar aan de mysterieuze korencirkels. Die werden sinds 1976 in het zuiden van Engeland aangetroffen. Daarna kwamen ze ook voor in Canada, Australië, de Verenigde Staten en Frankrijk. In mei 1990 publiceerden ook Nederlandse tijdschriften populair-wetenschappelijke verhalen over het raadselachtige fenomeen en direct daarna verschenen de cirkels zelf ook in de Nederlandse tarwevelden. Dus wie weet hoe onze regenbuien zich nog ontwikkelen: houd naast een paraplu voortaan ook maar een vissenkom gereed!

Bronnen

John Michell & Robert J.M. Rickard: Living Wonders, mysteries and curiosities of the animal world; Thames and Hudson, London, 1982. Derek Elsom: Catch a falling frog; New Scientist, 2 juni 1988. Paul Simon: Weather Watch; Fortean Times no. 65, 1992.

Zie ook:

Dit artikel is een publicatie van Astronet.
© Astronet, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 21 juni 2005

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

LEES EN DRAAG BIJ AAN DE DISCUSSIE