Je leest:

Opbergplek of verzorgingstehuis?

Opbergplek of verzorgingstehuis?

Het Amsterdamse Dolhuis als voorbeeld van krankzinnigenzorg in de 16de-18de eeuw

Auteur: | 31 juli 2012

In de vroegmoderne tijd werden krankzinnigen min of meer als uitschot beschouwd. Ze werden opgesloten in inrichtingen waar ze de rest van hun levensdagen in beroerde omstandigheden sleten. Dit is het beeld dat met name door 20ste-eeuwse wetenschappers als Michel Foucault naar voren is gebracht. Onderzoek naar het Amsterdamse Dolhuis toont echter aan dat er wel degelijk betrokkenheid en zorg was van personeel en familie bij de bewoners.

In 1561 werd het “Amsterdamse Dolhuis”: opgericht, na een schenking van 3000 gulden van de heer Hendrik Pauluszoon Boelens. Het verhaal gaat dat zijn echtgenote, Christina Boelens, tijdens haar zwangerschap werd aangevallen door een krankzinnige vrouw die de trap af kwam stormen en Christina bij de keel greep. Toen zij vol schrik was losgekomen, beloofden zij en haar man dat zij, als het kindje gezond ter wereld zou komen, de raad van de stad Amsterdam om een plek zouden vragen voor het bouwen van een Dolhuis. En zo geschiedde.

Dolhuis in Amsterdam
Wikicommons

Over de zogeheten Dolhuis-periode, die grofweg duurde van de 16de tot de 18de eeuw, heerste lange tijd een negatief beeld. Zo schreef historicus Andrew Scull: ‘In de 17de en 18de eeuw werd de krankzinnige niet beter behandeld dan een beest want dat was precies zoals hij toen gezien werd.’ Dit negatieve beeld van de vroegmoderne psychiatrische zorg is deels gebaseerd op de geschriften van 19de-eeuwse hervormers van de krankzinnigenzorg, die een weinig rooskleurige indruk gaven van de situatie in de voorafgaande periode. Ook het werk van ‘antipsychiatrische’ wetenschappers als Michel Foucault heeft de beeldvorming bepaald. In zijn boek Histoire de la folie (1961) sprak Foucault van een ‘grote opsluiting’ van afwijkende individuen in de 17de eeuw.

Maar klopt dit negatieve beeld? In de afgelopen jaren is er veel onderzoek gedaan naar de psychiatrische zorg in het verleden. Hierin staat niet langer de psychiatrische behandeling centraal, maar een analyse van de omstandigheden die leidden tot opname: de interactie tussen psychiatrie, familie en gemeenten. Historici proberen de vraag te beantwoorden in hoeverre psychiatrische instellingen inderdaad opbergplekken waren voor sociaal ongewenste individuen. In dit artikel staat het opnameproces in de 17de en 18de eeuw in het Amsterdamse Dolhuis centraal. Inventarissen, stukken over opname, regentenboeken, rekesten, een memorie en de krankzinnigenboeken van het Dolhuis uit het Amsterdamse stadsarchief geven een nieuw en verrassend beeld van de functie van het huis en zijn bewoners.

Overlast, gevaar, zorg

Het laten opnemen van iemand in het Dolhuis, gelegen aan de Kloverniersburgwal, was geen gemakkelijke zaak en verliep in meerdere stappen. Eerst moest er een rekest (een verzoekschrift waarmee men zich tot de rechter of een bestuursorgaan kan wenden om een bepaalde voorziening te krijgen) worden ingediend bij de Heren Burgemeesters van de stad Amsterdam. De familie speelde hierbij een belangrijke rol: meer dan de helft van deze verzoeken tot opname werd door hen gedaan. Nadat een arts een oordeel had geveld over een krankzinnige, werd er beslist over opname. Aan een opname lag ten minste een van de volgende redenen ten grondslag: het veroorzaken van overlast in de samenleving, het in gevaar brengen van jezelf of anderen en het nodig hebben van zorg. Uit de rekesten blijkt dat er vaak alleen werd overgegaan tot opname als er agressie in het spel was. In het geval van Hendrikje Camphuyssen was het zelfs zo erg dat haar moeder in het rekest schreef dat zij al meerdere malen in levensgevaar was gebracht door haar dochter. Ze had zelfs het huis moeten ontvluchten waar zij samen woonden.

Opvallend is dat wanneer agressie geen gevaar voor andere mensen opleverde, de bewoners vaak aan de verzorging van de familie werd overgelaten. Een voorbeeld hiervan is het verzoek voor de opname van Gerrit Weggelte. Zijn moeder vroeg hierom omdat hij al meerdere malen had geprobeerd zelfmoord te plegen. Uit voorzorg had ze hem vastgebonden aan het bed. Dokter Van de Schaaf vermeldde echter in zijn rapportage: ‘zijnde geheel en al bij zijn zinnen, niet quaadaardig, klagende zomwijlen te zijn in eene zeekere gemoeds strijd; hebbende aan de moeder geraaden het nog eenige tijd met haar zoon aan te zien.’

Dolhuizen in Nederland en Europa

Spaans gekkenhuis door Fransisco Goya circa 1815

Wikicommons

Het eerste Europese tehuis voor verzorging van krankzinnigen was het Londense Bedlam, dat al in 1247 zijn deuren opende. De meeste Dolhuizen in West-Europa, ook in Nederland, werden echter later opgericht, in de 15de en 16de eeuw. Een inwoner van Den Bosch, Reinier van Aerkel genaamd, bepaalde dat zijn vermogen na zijn dood besteed moest worden aan de zorg voor ‘arme sinneloze mensen’. Zo ontstond in 1442 de eerste Nederlandse instelling die speciaal bestemd was voor geesteszieken. De Dolhuizen waren niet alleen het resultaat van filantropie, ze ontstonden ook door de toenemende druk op steden. Die werden in deze periode overspoeld door landlopers, avonturiers en vagebonden. Inkomsten haalden de Dolhuizen onder meer uit het uitnodigen van stadsburgers om tegen betaling naar de ‘dollen’ te komen kijken, op zon- en feestdagen. Niet alleen ‘zinnelozen’ sloot men overigens op, de sociale afzondering van allerlei devianten nam een aanvang in de vroegmoderne tijd. Werkschuwen, losbollen, bedelaars en zwervers belandden in rasphuizen, beterhuizen of ‘prisons asiles’. De Franse filosoof Michel Foucault sprak in zijn boek Folie et déraison. Histoire de la folie à l’age classique (1961) van een ‘grote opsluiting’ van irrationele en onproductieve mensen. Maar vergeleken met de ontwikkelingen rond 1900, toen de krankzinnigengestichten massaal uit de grond schoten, was de opsluiting van geesteszieken in de vroegmoderne tijd marginaal.

De behandeling

De keisnijding door Jeroen Bosch, circa 1494. In die tijd dacht men dat krankzinnigheid door middel van het operatief verwijderen van keien uit het hoofd genezen kon worden.
Wikicommons

Van geneeskundige behandeling in moderne zin was in het Dolhuis geen sprake. Het had voornamelijk als functie mensen in bewaring te stellen en daarnaast te verzorgen. Dit blijkt uit het contract van de ‘binnenvader’ en ‘binnenmoeder’ die de supervisie hadden over de dagelijkse gang van zaken in het huis, waarin zij beloven de krankzinnigen ‘deselve so veel versekerhijd en gemak te hebben als door goede voorsorge enigsints mogelijk is.’ Over de dagelijkse praktijk in de dolhuizen is relatief weinig bekend. Uit onderzoek naar het Haarlemse Dolhuis blijkt wel dat de verzorgers soms heel creatief waren in hun omgang met de ‘dolle’ bewoners. Toen bijvoorbeeld Isaak Hendricx hier in 1684 werd opgenomen, was hij ervan overtuigd dat God hem had opgedragen veertig dagen lang niets te eten en te drinken. Vanaf zijn opname waren er verschillende pogingen ondernomen Isaak aan het eten te krijgen, maar niets werkte. Als laatste wanhoopspoging was iemand ‘s nachts verkleed als engel naar hem toegegaan om hem weer te laten eten. Hoewel de man niets doorhad van het bedrog, bleef hij elke vorm van voedsel weigeren. De vindingrijkheid van de verzorgers baatte in dit geval niet, Isaak overleed korte tijd later.

Een andere belangrijke taak van het dolhuis was het observeren van de bewoners. Deze controle moest ervoor zorgen dat de krankzinnigen niet aan hun lot werden overgelaten of onnodig werden opgesloten. Ook was men alert op prikkels die ongewenst gedrag veroorzaakten of verergerden. Volgens de Franse militair geneesheer Daignan was er in het Amsterdamse Dolhuis sprake van een humane behandeling. In 1777 schreef hij: ‘Het type van de instelling van dien aard, het zou kunnen dienen als model voor degenen, die belangstellen in dit soort van inrichtingen. Ik geloof niet dat het mogelijk is een zindelijker of beter onderhouden huis te zien. (…) De ongelukkigen worden niet langer in cellen gehouden dan tot zij rustig zijn. (…) Zij worden goed verzorgd, zelfs de ergsten onder hen.’

Museum Het Dolhuys

Museum Het Dolhuys

Wikicommons

Altijd al eens een dolhuis van binnen willen zien? Dan kan. Sinds 2005 is het voormalige dolhuis van Haarlem een museum. Vanaf de late Middeleeuwen werden op deze plek leprozen, pestlijders en krankzinnigen opgevangen. De uit de 16de eeuw daterende cellen voor de ‘dollen’ zijn nog geheel intact. Het Haarlemse dolhuis is een nationaal museum van de psychiatrie. Er is veel te zien over hoe door de eeuwen heen met krankzinnigheid werd omgegaan. Daarnaast zijn er veel wisselende tentoonstellingen. Museum Het Dolhuys, Schotersingel 2.

Het verblijf

Hoe lang mensen in het Dolhuis verbleven, verschilde per geval. Uit de opnamegegevens blijkt een duidelijk verschil tussen de 17de en 18de eeuw. Zo nam in de 18de eeuw het aantal korte opnames (een tot drie maanden) aanzienlijk toe. Een kwart van de mensen verliet het huis na deze periode. De opnamegegevens laten ook zien dat er een daling was van de lange opnames (langer dan tien jaar). In de 17de eeuw verbleef een derde van de mensen voor een lange periode in het Dolhuis, in de 18de eeuw was dat nog maar een tiende. Voor deze veranderingen zijn twee redenen. Het is mogelijk dat het Dolhuis steeds meer werd gebruikt als plek waar iemand tot rust kon komen. Het therapeutisch gebruiken van het gesticht als plaats om bij te komen van de zorgen en spanningen van alledag is een ontwikkeling in de psychiatrische zorg die wordt toegeschreven aan mentaliteitsveranderingen in de 19de eeuw.

Uit de gegevens over het Amsterdamse Dolhuis kunnen we voorzichtig stellen dat dit hier wellicht toen al gebeurde. Daarnaast zien we een toename van de rol van familieleden. Dezen dienden in de 18de eeuw negen keer zoveel verzoeken in voor de vrijlating van een familielid dan in de eeuw ervoor. Hieruit valt op te maken dat de familieleden in de 18de eeuw wellicht meer en actiever betrokken waren bij het ontslag van bewoners. Zo zijn er meerdere gevallen waarin verzocht werd om vrijlating opdat men het thuis weer kon proberen. Hierin is een vorm van proefverlof te herkennen. Dit is opmerkelijk omdat dit bekendstaat als modern fenomeen. De betrokkenheid van de familie en de manier waarop zij met hun familielid in het Dolhuis omgaan, lijkt aan te tonen dat het negatieve beeld van het Dolhuis als opbergplek voor ongewenste familieleden herzien dient te worden.

De geesteszieke ‘Malle Babbe’ door Frans Hals in 1634. Pieter Hals, zoon van de schilder, was inwoner van het Haarlemse dolhuis.
wikicommons

De betrokkenheid van de familie is ook te zien in de manier waarop zij zorgden voor het opgenomen familielid tijdens de opname. Voor een familielid in het Dolhuis moest namelijk kostgeld worden betaald. Dit was niet altijd een geldbedrag; voor meer dan de helft van de bewoners verzorgden familieleden en/of vrienden de was. Het Dolhuis was verplicht mensen van schone kleding te voorzien als de familie hiertoe niet in staat was. Dit betekende meer kosten voor het huis. De krankzinnige kreeg dan een kledingstuk bestaande uit één deel, de ‘duffelse huishansop’ genaamd. Het zou kunnen zijn dat de schaamte voor het dragen van dit kledingstuk hoog was, waardoor familie en vrienden hun best deden gezichtsverlies te voorkomen. Het is ook mogelijk dat het Dolhuis streng toezag op betaling van kostgeld en mensen met de laagste inkomens verplichtte bij te dragen door het wasgoed te verzorgen. Hoe dan ook, door deze familiebijdrage bleef er contact met en betrokkenheid bij het gezinslid dat in het Dolhuis verbleef.

Veredeld sterfhuis?

Het overlijdenspercentage in het Dolhuis was aanzienlijk. In de 17de eeuw overleed ruim de helft van de mensen in de inrichting, in de 18de eeuw meer dan 40%. Het zou de indruk kunnen wekken dat het Dolhuis een veredeld sterfhuis was. Uit onderzoek blijkt echter dat begin 20ste eeuw het overlijdenspercentage in de gestichten op een vergelijkbaar niveau lag. Hoeveel mensen er daadwerkelijk genazen in het Dolhuis, is lastig te zeggen. Documentatie met eventuele einddiagnose ontbreekt. Toch verliet de helft van de mensen het Amsterdamse Dolhuis weer. Waarschijnlijk was bij ontslag de situatie zo verbeterd dat de persoon in kwestie geen direct gevaar meer vormde voor zichzelf en zijn omgeving en dus naar huis kon. Het beeld van levenslange opsluiting in het Dolhuis met de dood als eindpunt wordt hierdoor aan het wankelen gebracht. Zaten bewoners alleen en verstoten in het Dolhuis? In een deel van de gevallen wel. Maar er was ook in grote mate sprake van goede zorgen van familie, vrienden en het personeel van het Dolhuis zelf.

Auteur Martje aan de Kerk studeert geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Zij specialiseert zich in de medische geschiedenis van vroegmodern Nederland.

Meer informatie over dolhuizen • Joost Vijselaar (red.), Dolhuizen-madhouses. Chapters from the history of madhouses in Europe 1400-1800 (Nederlands Centrum Geestelijke Volksgezondheid 1995) • Roy Porter, Waanzin. Een korte geschiedenis (Nieuwezijds 2003)

Dit artikel is een publicatie van Geschiedenis Magazine.
© Geschiedenis Magazine, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 31 juli 2012

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.