Je leest:

Op je familie kun je rekenen

Op je familie kun je rekenen

Auteurs: en | 15 december 2004

Allochtonen voelen door de bank genomen meer verplichtingen ten op zichte van hun familie dan autochtone Nederlanders.

Ongeveer tweederde van de autochtonen, Surinamers en Antillianen en verreweg de meeste Turken en Marokkanen in Nederland vinden dat je familie je terzijde hoort te staan als je zorgen hebt. Van de Surinamers en de Antillianen is eenvijfde deel het daarmee oneens. Turken en Marokkanen blijken omgekeerd ook duidelijk sterkere gevoelens van verplichting tegenover familieleden te hebben dan autochtonen, Surinamers en Antillianen. Of dat ook geldt ingeval je een familielid minder graag mag, daarover lopen de meningen uiteen, zowel tussen als binnen de diverse groepen. Relatief veel Surinamers en Antillianen zien het zorgen voor de ouders niet als taak voor de kinderen. Over de stelling ‘Als ouders bejaard zijn, moeten ze bij hun kinderen kunnen inwonen’ wordt, zowel binnen als tussen de diverse groepen, het meest verschillend gedacht.

Veel allochtonen die zich de afgelopen decennia in Nederland hebben gevestigd zijn afkomstig uit culturen waar anders tegen familierelaties aan wordt gekeken dan hier te lande. Vaak worden de hechte familiebanden die allochtone families zouden kenmerken, gecontrasteerd met de zwakke banden die veel Nederlandse families zouden hebben. Maar in hoeverre is het werkelijk zo dat allochtonen sterkere verplichtingen voelen ten opzichte van hun familie dan Nederlanders? En bestaat er veel variatie tussen de diverse groepen allochtonen? In het NKPSonderzoek zijn hierover vragen gesteld aan zowel autochtonen als allochtonen. Daaruit blijkt inderdaad dat allochtonen door de bank genomen sterkere verplichtingen voelen ten opzichte van hun familie dan autochtone Nederlanders. Maar ook tussen de diverse groepen allochtonen zijn de verschillen groot.

In het NKPS-onderzoek zijn meningen over familiesolidariteit gevraagd aan autochtone Nederlanders en aan mensen van Turkse, Marokkaanse, Surinaamse en Antilliaanse afkomst, de vier grootste allochtone groepen in ons land. Een deel van de vragen richtte zich op solidariteit tussen familieleden in het algemeen, en een deel spitste zich toe op de solidariteit die van kinderen wordt verwacht ten opzichte van hun ouders.

Familisolidariteit in het algemeen

Verreweg de meeste inwoners van ons land, of ze nu van autochtone of allochtone afkomst zijn, vinden dat je altijd op je familie moet kunnen rekenen. Dat blijkt duidelijk uit figuur 1.

Figuur 1. Op familieleden moet je altijd kunnen rekenen

Turken en Marokkanen zijn meer die mening toegedaan dan autochtonen, Surinamers en Antillianen. Wat verder opvalt is dat 15 à 20 procent van de Antillianen en Surinamers juist helemaal niet vindt dat je op je familie moet kunnen rekenen. Uit figuur 2 blijkt dat een soortgelijk beeld wordt gevonden als mensen reageren op de stelling ‘Als je zorgen hebt, hoort je familie je terzijde te staan’. Ongeveer tweederde van de autochtonen, Surinamers en Antillianen is het met deze uitspraak eens, terwijl dit zelfs voor tegen de 90 procent van de Turken en voor bijna alle Marokkanen geldt. Ook met deze uitspraak is 15 à 20 procent van de Surinamers en Antillianen het oneens. Een derde uitspraak luidde ‘Familieleden horen voor elkaar klaar te staan, ook als ze elkaar niet aardig vinden’.

Figuur 2. Als je zorgen hebt, hoort je familie je terzijde te staan

Op dit punt lopen de meningen zowel tussen als binnen de diverse etnische groepen sterk uiteen, zoals blijkt uit figuur 3. Onder autochtone Nederlanders bestaan tegenovergestelde meningen. Iets meer dan 40 procent is het eens met deze stelling, maar ruim een kwart is het er juist mee oneens. Iets meer dan de helft van de Antillianen en Surinamers vindt dat je voor je familie hoort klaar te staan, ook als je elkaar niet aardig vindt, maar tegelijkertijd vindt ongeveer een kwart dit juist niet. Opnieuw zijn Turken en Marokkanen het meest familiegeoriënteerd. Tussen de 70 en 75 procent vindt dat je voor je familie klaar moet staan, ook als je het betrokken familielid niet erg graag mag. Opvallend is wel dat er onder de Turken en Marokkanen ook een deel is dat vindt dat je niet voor een onsympathiek familielid zorg hoeft te dragen.

Figuur 3. Familieleden horen voor elkaar klaar te staan, ook als ze elkaar niet aardig vinden

Samengevat: Turken en Marokkanen blijken duidelijk sterkere gevoelens van verplichting tegenover familieleden te hebben dan autochtonen, Surinamers en Antillianen. Toch zijn ook onder deze laatste drie groepen de gevoelens van verplichting vrij sterk. Een duidelijke minderheid van de Surinamers en Antillianen heeft juist weinig gevoelens van verplichting jegens familie in het algemeen.

Solidariteit van kinderen jegens hun ouders

In het NKPS-onderzoek zijn ook vragen gesteld over de mate waarin kinderen steun horen te verlenen aan hun ouders. Ongeveer 40 procent van de autochtonen is het er mee eens of helemaal mee eens dat kinderen voor hun zieke ouders horen te zorgen (zie figuur 4).

Figuur 4. Kinderen zouden voor hun zieke ouders moeten zorgen

Onder Turken en Marokkanen ligt dit percentage meer dan tweemaal zo hoog. Antillianen en Surinamers nemen een duidelijke middenpositie in. Relatief meer Antillianen en Surinamers dan autochtonen vinden dat kinderen voor hun ouders moeten zorgen. Wel is het opvallend dat opnieuw relatief veel Surinamers en Antillianen het zorgen voor de ouders juist niet zien als taak voor de kinderen. Een andere manier waarop kinderen hun solidariteit ten opzichte van hun ouders kunnen uitdrukken is door bij hen op bezoek te gaan. Ook hierover is de deelnemers aan het onderzoek een uitspraak voorgelegd: ‘Kinderen die dichtbij wonen zouden minstens één keer per week bij hun ouders op bezoek moeten gaan’. Opnieuw blijken daarmee relatief meer Marokkanen en Turken en relatief minder autochtonen in te stemmen. Antillianen en Surinamers nemen weer een duidelijke middenpositie in (zie figuur 5).

Figuur 5. Kinderen die dichtbij wonen zouden minstens één keer per week bij hun ouders op bezoek moeten gaan

Ruim 80 procent van de Marokkanen vindt dat kinderen bejaarde ouders in huis moeten nemen (zie figuur 6). Ook onder Turken is het merendeel deze mening toegedaan, maar is aan de andere kant bijna 20 procent van hen daar tegen. Bij Surinamers en Antillianen zijn de meningen zeer verdeeld met net iets meer vóórdan tegenstanders. Onder autochtone Nederlanders, ten slotte, slaat de balans geheel de andere kant uit. Verreweg de meeste autochtonen vinden niet dat kinderen hun bejaarde ouders in huis moeten nemen, en minder dan tien procent vindt dat dat juist wel moet.

Figuur 6. Als ouders bejaard zijn, moeten ze bij hun kinderen kunnen inwonen

Tot slot

Uit de hier gepresenteerde cijfers komen grote verschillen in opvattingen over familiesolidariteit naar voren. Autochtonen geven aan familiesolidariteit wel degelijk belangrijk te vinden, maar de meesten van hen vinden niet dat kinderen specifieke verplichtingen hebben ten aanzien van hun ouders. Slechts een minderheid vindt dat kinderen hun zieke ouders horen te verzorgen, wekelijks bij ouders die dichtbij wonen op bezoek moeten gaan, of hun bejaarde ouders in huis horen te nemen. De meeste Marokkanen en Turken vinden juist wel dat kinderen dit voor hun ouders moeten doen. Vanuit deze verschillende visies op verplichtingen die familieleden tegenover elkaar hebben, is het begrijpelijk dat autochtonen soms het gevoel hebben dat de familiebanden onder Turken en Marokkanen wel heel sterk hun leven bepalen, terwijl Turken en Marokkanen op hun beurt autochtonen juist een wel heel kille visie op familie verwijten.

De cijfers laten echter tevens zien dat we uit moeten kijken om een zwart-wit beeld van de situatie te schetsen. Allereerst blijken er tussen diverse allochtone groepen flinke verschillen te bestaan in de mate waarin men zich verplicht voelt om solidair te zijn met familieleden. Antillianen en Surinamers voelen deze verplichtingen in veel mindere mate dan Turken en Marokkanen. Ten tweede blijkt er binnen alle groepen de nodige variatie te zijn. Zo vinden veel Surinamers en Antillianen dat kinderen helemaal niet altijd voor hun ouders klaar hoeven te staan. Datzelfde geldt in mindere mate voor sommige Turken en Marokkanen.

Of de gesignaleerde verschillen ook betekenen dat de daadwerkelijke steun die door de diverse etnische groepen aan familieleden wordt verleend sterk uiteenloopt, is overigens nog maar de vraag. Aan de ene kant kan het zo zijn dat mensen wel steun zouden willen geven, maar er de mogelijkheden niet voor hebben, bijvoorbeeld omdat familieleden niet in Nederland verblijven. Aan de andere kant zijn er mogelijk mensen die weliswaar vinden dat je niet verplicht bent om familieleden te steunen, maar die toch geven, bijvoorbeeld omdat ze iets terug willen doen voor een familielid, of vanwege de hechte band. De NKPS gegevens bieden een unieke mogelijkheid om dergelijke verbanden te bestuderen.

Dit artikel is een publicatie van Demos.
© Demos, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 15 december 2004

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.