Je leest:

“Op 43 meter diepte zitten de mooiste fossielen”

“Op 43 meter diepte zitten de mooiste fossielen”

Een interview met amateur-paleontoloog Leen Hordijk

Auteur: | 29 september 2015

Zijn record staat op meer dan honderd meter. Honderdzeven meter en twee centimeter om precies te zijn. “Dat was vooral om te kijken of ik misschien iets zou missen als ik niet dieper zou gaan. Maar tussen 66 en 85 meter gebeurde niets interessants. Omdat het wel een hels karwei was om honderd meter mantelbuis weer naar boven te takelen, ga ik tegenwoordig nooit verder dan 66 meter.”

Vandaag zit de bodem van de mantelbuis op 43 meter, oftewel een laag van ongeveer twee miljoen jaar oud. ‘Een goudlaag’, vindt Leen Hordijk. En hij weet waar hij het over heeft, want hij is na ruim veertig jaar ‘pulsen’ al bezig aan zijn veertiende boring. Iedere zaterdag – de wintermaanden uitgezonderd – gaat hij naar zijn eigen perceeltje in de polder Zuurland, vlakbij Brielle, op het Zuid-Hollandse eiland Voorne. Met een puls van een meter lengte neemt hij dan een paar happen uit de bodem, om die in de avonden daarop zorgvuldig te zeven en te controleren op muizentandjes, botjes of andere fossiele overblijfselen van dieren en planten. “Met ieder monster krijg je een beetje beeld van het landschap en de fauna uit het verleden, en daarmee van het bijbehorende klimaat.”

Twee miljoen jaar terug lag Voorne ook al in een delta. Ook de temperatuur was in die tijd niet wezenlijk anders dan nu. In jongere lagen, van iets meer dan honderdduizend jaar oud, vindt Hordijk zo nu en dan sporen die wijzen op een veel warmer klimaat. In het Eemien was het gemiddeld anderhalf tot twee graden warmer dan nu. In de lagen daarboven, uit het zogeheten Weichselien, komen weinig sporen, maar de fossielen die Hordijk vindt, wijzen op een koude en droge periode. In die tijd lag er ook zoveel ijs opgeslagen aan de polen, dat de Noordzee droog lag!

Al meer dan veertig jaar boort Leen Hordijk iedere zaterdag een stukje uit de bodem onder de polder Zuurland bij Brielle. Veertien boorputten en tienduizenden bodemmonsters later krijgt hij een steeds beter beeld van de Nederlandse fauna van de afgelopen twee miljoen jaar, en daarmee van het bijbehorende klimaat.
Biowetenschappen en maatschappij

Vóór er een bodemmonster in de puls komt moet Hordijk de zware buis eerst een keer of tien, twintig op en neer laten ploffen in de mantelbuis. Als een soort klokkenluider trekt hij daarvoor ritmisch aan het touw, dat via een katrol in een hoge driepoot naar de bodem van de buis loopt. Van 43 meter diepte klinkt een gedempt “foemp … foemp … foemp …” Als Hordijk denkt dat er voldoende materiaal in de puls zit trekt hij hem in één beweging naar boven. Zodra de puls uit de mantel naar boven komt gooit Hordijk hem in een vloeiende beweging leeg in een gereedstaande zeef. In een grote bak water schudt hij het ergste zand uit zijn monster.

De rest, een grote verzameling schelpengruis en wat ondefinieerbare donkere stukjes gaan in een oud emmertje. “Zo op het blote oog zie ik hier nog niet veel aan. Het enige dat ik nu al kan zeggen is dat die stukjes schelp een goed teken zijn. Het laat in ieder geval zien dat deze laag niet zo zuur is dat al het kalk is opgelost. De eventuele botjes en tandjes hebben het dus waarschijnlijk ook wel overleefd. En die kleine stukjes klei zijn ook gunstig. Klei sluit de fossielen af voor de lucht. Dat komt de houdbaarheid ook ten goede.”

Na een keer of zes pulsen heeft Hordijk een half emmertje vol met gruis. “Dat ga ik de komende avonden onder de microscoop bekijken, voor ik weer verder ga boren.” Thuis, in Brielle, heeft hij al enkele ladekasten vol met bakjes, keurig gerubriceerd op boordatum, diepte en gevonden diersoorten. “Ik kan de geschiedenis van deze omgeving tot twee miljoen jaar terug nu vrij goed uittekenen”, zegt hij. “Het is in ieder geval duidelijk dat in die periode de zee hier nooit de overhand heeft gehad. De schelpjes die ik vind zijn allemaal landslakjes en zoetwaterschelpen. Op zijn best lag de kustlijn op dezelfde afstand waar hij nu ongeveer ligt, en in koude perioden een heel stuk verder. Het was altijd een delta van de Maas en de Rijn. Er werd steeds materiaal uit het achterland aangevoerd wat ook steeds weer door een kleilaagje werd afgedekt.”

Door de diameter van zijn puls vindt Hordijk vooral klein spul: heel veel muizentandjes en kiezen. “Toch is het niet alleen klein grut wat ik naar boven haal. Ik heb rond 63 meter ooit een stuk van een kies naar boven gehaald. Mammoetdeskundige Dick Mol heeft dat stuk onlangs met 100% zekerheid gedetermineerd als een zuidelijke mammoet. Moet je nagaan: een bewijs voor een vier meter hoog dier, uit een pulsboring van nog geen 10 centimeter doorsnede!”

Die mammoetdeskundige Mol is net zo enthousiast over dit werk als Hordijk zelf. “Leen heeft veel informatie verzameld over het kleine spul dat de afgelopen twee miljoen jaar tussen de mammoeten in deze omgeving liep. Die grote dieren, dat weten we nu eigenlijk wel. Daarvan vinden we zoveel bewijs via de vissers die botten van de Noordzeebodem omhoog halen. Maar als je écht wat wilt weten over de natuur en het klimaat uit die tijd, dan heb je juist dat kleine spul van Leen nodig. Veel van de dieren die hij vindt leven nog of hebben parallellen in onze tijd. Bij de vondsten kun je dus per laag het bijbehorende klimaat reconstrueren. Voor de paleontologie is het geweldig dat hij dat allemaal ‘in situ’, dus uit de laag van de juiste bijpassende ouderdom naar boven haalt. Google maar eens op ‘zuurland borehole’, dan komt er het nodige aan wetenschappelijke artikelen boven drijven.”

Dit artikel is een publicatie van Stichting Biowetenschappen en Maatschappij.
© Stichting Biowetenschappen en Maatschappij, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 29 september 2015

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.