Je leest:

Oorzaken van toename lymeziekte in Nederland

Oorzaken van toename lymeziekte in Nederland

Auteur: | 21 maart 2012

‘De teek rukt op’ en ‘Grote toename van ziekte van Lyme’ zijn pakkende koppen. Als je de media gelooft, lijken er in Nederland steeds meer teken en steeds meer mensen met de ziekte van Lyme te zijn.

In de praktijk blijkt het erg lastig om nauwkeurige metingen te verrichten en betrouwbare uitspraken te doen over het aantal teken en het aantal mensen met de ziekte van Lyme. Bovendien zijn hierover maar weinig gegevens uit het verleden beschikbaar. De kenmerkende rode kring op de huid en de relatie met een opgelopen tekenbeet zijn al zeer lang bekend. Maar de verwekker van de ziekte van Lyme, de Borrelia-bacterie, is pas 30 jaar geleden ontdekt. Daarmee is lymeziekte een relatief nieuwe ziekte, waarbij nog veel te ontdekken en te leren valt. Diagnostiek, behandeling en preventie kunnen dan ook aanzienlijk worden verbeterd.

Erythema migrans bij de huisarts

Tekenbeten en de ziekte van Lyme worden niet geregistreerd door ziekenhuizen en huisartsen. Om toch een idee te krijgen, worden huisartsen geregeld gevraagd hoeveel patiënten zij met tekenbeten of met een erythema migrans zien. Het blijkt dat het jaarlijkse aantal gerapporteerde gevallen van acute lymeziekte gestaag toeneemt sinds 1994. Geschat wordt dat alle huisartsen in 2009 ongeveer 22.000 patiënten met een erythema migrans en 93.000 patiënten met een tekenbeet zagen. Dat is drie tot vier keer meer dan in 1994. Betekent dat ook daadwerkelijk een toename van het aantal mensen met de ziekte van Lyme? Strikt genomen leert dit onderzoek ons alleen dat er meer mensen met een erythema migrans naar de huisarts gaan. Misschien hebben de publieksvoorlichting en alle media-aandacht daar ook toe bijgedragen. Toch is de uitkomst van dat onderzoek een belangrijk signaal: er zijn wel veel mensen die te maken hebben met tekenbeten en met de ziekte van Lyme. Omdat het aantal mensen met de ziekte van Lyme niet op een directe manier gemeten kan worden, gebruikt men een afgeleid gegeven (een indicator): het aantal mensen dat naar de huisarts gaat met een erythema migrans. Het is daarom belangrijk om met enige voorzichtigheid de resultaten van zulke studies te interpreteren.

Meer warme dagen

Voor het krijgen van de ziekte van Lyme zijn op één tijdstip en op één plaats, drie factoren nodig: een mens, een teek en een lymebacterie. Er zijn veel factoren die hierbij een rol spelen. Mensen die vaak in het bos zijn bijvoorbeeld, zoals boswachters en terreinbeheerders, komen eerder in aanraking met teken dan anderen. Ook de hoeveelheid aanwezige teken, hun activiteit en het aantal teken dat is besmet met de lymebacterie, hangen af van veel omgevingsfactoren. Het Rijksinstituut voor Volkgezondheid en Milieu (RIVM) onderzoekt samen met Wageningen University in hoeverre die omgevingsfactoren bijdragen aan het aantal tekenbeten in Nederland. De onderzoekers hopen een aantal omgevingsfactoren te vinden dat beïnvloed zou kunnen worden, opdat het aantal besmette teken of in ieder geval het aantal beten met een besmette teek vermindert.

Doordat het aantal warme dagen in Nederland toeneemt, neemt ook het aantal dagen waarop teken actief zijn toe.
Imageselect, Wassenaar

Sommige omgevingsfactoren zijn niet te beïnvloeden, in elk geval niet op korte termijn. Het klimaat is daarvan een goed voorbeeld. Teken zijn koudbloedige beestjes en worden pas boven een bepaalde temperatuur actief – in de natuur vaak pas vanaf een graad of 7 Celsius. Het gemiddelde aantal dagen in Nederland met temperaturen boven de 7 graden is sinds 1985 met 30 dagen toegenomen. Het lijkt er dus op dat teken veel meer dagen per jaar actief zijn dan voorheen, en op zoek zijn naar een bloedmaaltijd bij een gastheer of slachtoffer. Ook dat is niet honderd procent zeker, omdat de activiteit van de teken niet direct is gemeten. Dat gebeurt indirect – via de temperatuur – en die temperatuur wordt gecombineerd met de biologische kennis over het gedrag van teken. Andere klimaatfactoren, zoals de luchtvochtigheid en het microklimaat zijn ook belangrijk, maar hun invloed op de activiteit van teken is moeilijker te bepalen.

Theo Pasveer BNO Cartographics, Deventer

Meer bosgebieden en ecologische hoofdstructuur

Het landschap is anders dan vroeger. Bij een vergelijking van oude kaarten van het landgebruik met kaarten van vandaag wordt duidelijk dat het oppervlak van gebieden waar teken kunnen voorkomen in de afgelopen 10 jaar is toegenomen met ongeveer 20 procent. Vooral het oppervlak van bosrijke gebieden is gegroeid ten koste van land- en akkerbouwgebieden. Het vergroten en verbinden van natuurgebieden is een bewuste keuze van de overheid geweest om zo te komen tot één ecologische hoofdstructuur. Zo kunnen planten en dieren, maar ook hun parasieten en ziektekiemen, zich makkelijker handhaven en verspreiden over meer gebieden. Het lijkt erop dat teken en de ziekte van Lyme dus ook profiteren van het Nederlandse natuurbeleid.

Teken voeden zich met slechts een paar druppeltjes bloed van verschillende gewervelde dieren. Het ligt voor de hand dat als het voedselaanbod van teken toeneemt, het aantal teken in een gebied – de tekendichtheid – ook zal stijgen. Daarom wordt informatie verzameld over de aantallen diverse wilde dieren in Nederland. Van veel vogelsoorten en reeën is het aantal toegenomen in de afgelopen jaren. Vooral reeën doen het goed. In 1980 werd het aantal reeën geschat op een kleine 30.000, in 2008 op ongeveer 70.000. Van kleine knaagdieren, zoals muizen, die een van de belangrijkste bloeddonors voor teken zijn, is nog niet bekend of hun populaties zijn gegroeid of juist gedaald. Een aantal roofdieren dat voor hun prooi grotendeels afhankelijk is van muizen, zoals buizerds en kerkuilen, zijn volgens tellingen wel toegenomen. In steeds meer natuurgebieden worden grote grazers, zoals damherten, heckrunderen, konikspaarden en schapen ingezet. Die zorgen dat natuurterreinen niet tot een groot ondoordringbaar bos verworden en dat sommige ongewilde gasten, zoals de Amerikaanse vogelkers, op natuurlijke wijze worden bestreden. De meeste van deze grote grazers zijn ook goede gastheren voor teken. Ze kunnen dus bijdragen aan de toename van teken in natuurgebieden. Aan de andere kant kan meer begrazing door runderen en schapen de tekenpopulatie waarschijnlijk juist terugdringen, omdat dit het leefgebied van andere gastheren van teken verstoort, zoals van muizen en vogels.

Grote grazers zijn goede gastheren voor teken, maar verminderen ook de tekenpopulatie doordat ze het leefgebied van andere gastheren, zoals muizen en vogels, verstoren.
Shutterstock

Besmetting van teken varieert

Besmettingsgraad van teken

Niet alle teken zijn besmet met de Borrelia-bacterie. Bij verschillende veldstudies naar de besmettingsgraad van teken in Nederland werden percentages gevonden tussen de 0,8 en 33%. De Natuurkalender van Wageningen University, en het RIVM doen daar samen onderzoek naar. In één duingebied in Nederland zijn de tekendichtheid en de besmettingsgraad met Borrelia gedurende enkele jaren gemeten. In deze studie is, behalve een sterke variatie per seizoen en per jaar, over de periode 2000 tot 2009 niet waargenomen dat de tekendichtheid of de besmettingsgraad met Borrelia in die periode is veranderd. Het is echter wel mogelijk dat dit in andere gebieden in Nederland wel het geval is, maar dit is niet expliciet onderzocht. Dit zou kunnen betekenen dat de verspreiding van teken is toegenomen in de afgelopen decennia, bijvoorbeeld door de uitbreiding van natuur of een verandering van het natuurbeheer in Nederland of door andere ecologische factoren, zoals het langer worden van het tekenseizoen. Ook is het mogelijk dat mensen zich meer vestigen in omgevingen waar teken actief zijn, of dat teken zich in toenemende mate vestigen in bijvoorbeeld parken en tuinen. Uit een internetonderzoek van De Natuurkalender blijkt bijvoorbeeld dat een derde van de tekenbeten in tuinen wordt opgedaan. Een andere factor zou kunnen zijn dat mensen anders zijn gaan recreëren, waardoor ze vaker worden blootgesteld aan teken. Maar dit is moeilijk te meten. Het zouden wel mogelijke verklaringen kunnen zijn voor de toename van tekenbeten en erythema migrans.

De bacterie Borrelia burgdorferi, die lymeziekte veroorzaakt, zit maar in een deel van de teken. Het percentage teken dat ermee is besmet, lijkt enorm te variëren in de tijd en per plaats. Gemiddeld is ongeveer een kwart van de teken in Nederland besmet met deze Borrelia. Alle veldstudies tot nu toe leveren geen aanwijzingen dat de besmettingspercentages van teken in Nederland de afgelopen jaren zijn veranderd. Als het besmettingspercentage gelijk blijft en het aantal teken is toegenomen, dan is het aantal teken dat is besmet met de lymebacterie ook toegenomen. Genetici kunnen aan het DNA van bacteriën zien of een bacteriepopulatie de afgelopen decennia is toegenomen of afgenomen. Analyses van Borrelia-DNA, dat werd geïsoleerd uit teken, duidt erop dat het aantal besmette teken in Nederland inderdaad is toegenomen.

Ook deze metingen leveren slechts indirecte aanwijzingen dat het aantal gebieden met teken en de tekendichtheid in de afgelopen jaren zijn toegenomen. De tekendichtheid in een gebied valt ook te schatten door met een sleepdoek teken te vangen en te tellen. De Natuurkalender van Wageningen Universy heeft met behulp van vrijwilligers een schat aan informatie verzameld over de tekendichtheid van veel gebieden verspreid over Nederland. Die dichtheid blijkt enorm te variëren tussen verschillende gebieden en ook nog eens van jaar tot jaar. Er zijn inmiddels vijf jaar lang teken geteld, maar dat is nog te kort om definitieve conclusies te trekken over langdurige trends voor de dichtheid van teken in Nederland.

Meer gepensioneerden

Het menselijk gedrag beïnvloedt ook het aantal tekenbeten en het voorkomen van de ziekte van Lyme. Ook over dat gedrag is nog weinig bekend. Zo is bijvoorbeeld niet bekend of mensen de afgelopen decennia meer zijn gaan recreëren in de natuur of dat nu meer mensen dan vroeger het bos in trekken. Dat zou kunnen komen door een toegenomen waardering voor de natuur, maar ook door de vergrijzing. Er zijn meer gepensioneerden, die relatief meer vrije tijd hebben en actiever en vitaler zijn dan voorheen. Ook dat kan betekenen dat ze vaker in gebieden met teken komen en dus ook vaker worden gebeten. Wellicht is ook het gedrag van natuurliefhebbers veranderd. Misschien betreden ze vaker de ongebaande paden, waardoor ze in directer contact komen met het struikgewas waarin teken op de loer liggen. Het kan ook zijn dat wandelaars zich minder dan voorheen beschermen tegen tekenbeten, hoewel dat niet waarschijnlijk lijkt door de toegenomen voorlichting over de gevaren van teken en de ziekte van Lyme.

Een veel toegepaste manier om teken te detecteren is door een witte doek over de grond te slepen. Hier uitgevoerd door dr. Bartelt de Jongh, medisch microbioloog.
Mr. Bart Kraak

Duurzame en veilige natuur

Dat er meer tekenbeten en meer ziekte van Lyme voorkomen in Nederland, kan dus komen doordat er meer teken zijn, doordat ze in meer gebieden zitten of doordat er meer teken in een gebied zijn gekomen (de tekendichtheid) en doordat meer mensen vaker in contact komen met de natuur. Het zal een uitdaging zijn om een duurzame natuur te creëren, waarvan mensen kunnen genieten met een minimaal risico op een door teken overdraagbare aandoening. Want infectieziekten en natuur zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Afgezien van de ethische vraag in hoeverre je in de natuur mag ingrijpen om infectieziekten bij de mens te voorkomen en de lymebacterie uit te roeien, is er de praktische vraag of het mogelijk is. Wageningen University en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu onderzoeken bijvoorbeeld welke methoden er zijn om teken te bestrijden en tekenbeten te voorkomen, maar realiseren zich ook dat het uitroeien van de lymebacterie een illusie is.

Voederplaatsen voor herten die zijn uitgerust met rollers die anti-tekenmiddelen afgeven, verminderen de verspreiding van teken en lymebacteriën.
Wayne Ryan / USDA

De natuur is nu eenmaal een bron van infectieziekten. Hierbij is de rol van de biodiversiteit interessant. Veel en gelijksoortige natuur, vergroot het risico op uitbraken van bepaalde infectieziekten. Steekt een infectie de kop op die goed gedijt in de beschikbare natuur, dan kan deze zich razendsnel over relatief grote gebieden verspreiden. Een meer gevarieerde natuur, met een grote biodiversiteit, verlaagt het risico op zulke uitbraken. Maar meer biodiversiteit, betekent ook een grotere diversiteit aan infectieziekten, die echter wel meer in balans zijn met hun omgeving. Ook wat dat betreft blijven er onzekerheden en risico’s op een onverwachte uitbraak.

Zie ook:

Dit artikel is een publicatie van Stichting Biowetenschappen en Maatschappij.
© Stichting Biowetenschappen en Maatschappij, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 21 maart 2012

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.