Je leest:

Onverteerbare plant toch opgegeten!

Onverteerbare plant toch opgegeten!

Auteur: | 28 mei 2003

Planten maken proteaseremmers om hun voedselvoorraden te beschermen tegen vraat. Deze proteaseremmers blokkeren de verteringsenzymen. Onderzoekers, met name ook in India en China, proberen proteaseremmers te gebruiken om planten met biotechnologie te beschermen tegen insectenvraat. Een aantal insecten is niet gevoelig voor deze methode van gewasbescherming, onder meer omdat ze een speciaal “onrembaar” verteringsenzym gebruiken.

Ongekookte aardappels kun je niet eten, want daar krijg je buikpijn en diarree van. Dat komt omdat die aardappel proteaseremmers bevat. Proteaseremmers zijn stofjes die onze verteringsenzymen blokkeren. Dat geldt voor mensen, maar ook voor insecten. Wij mensen hebben ontdekt dat deze stofjes hun werking verliezen als we ze koken of frituren, vandaar dat de friet uitgevonden is. Insecten hebben een andere manier bedacht om onverteerbare plantendelen toch op te eten.

De mensheid eet uit de voorraden van de plant

Planten hebben vaak opslagorganen, waar een hoop voedingsstoffen liggen te wachten op het moment waarop de plant ze nodig heeft. Vruchten, zaden, knollen: allemaal zitten ze vol eiwitten, olie en zetmeel. De plant bewaart deze voorraad voor momenten van plotselinge groei, bijvoorbeeld als zaden kiemen of knollen uitlopen. De gehele dierenwereld, inclusief de mensen, eten vrolijk mee van deze voorraden. Het gaat hier om aardappels, graan, tomaten, rijst en soja die de basis vormen voor friet, brood, spaghetti, nasi en zelfs varkensvlees, wat gefokt is met soja-eiwit. Al deze dagelijkse levensbehoeftes zijn geoogst uit opslagorganen van planten.

Wat doet een plant om zijn eiwitvoorraden te beschermen?

Het spreekt vanzelf dat de planten deze voorraden in de meeste gevallen bedoeld hebben voor eigen gebruik. Daarom omgeeft de plant opslagorganen met beschermende maatregelen. Een van de belangrijkste maatregelen is de productie van stoffen die het verteringssysteem blokkeren: de protease-remmers. Ze remmen de werking van eiwitafbrekende enzymen (proteases, bijvoorbeeld trypsine), die in je darmen het eiwit afbreken tot vrije aminozuren. Die vrije aminozuren worden opgenomen in het bloed, en door het lichaam gebruikt voor het maken van bijvoorbeeld spiereiwitten en hemoglobine. Een proteaseremmer zorgt er dus voor dat je het eiwit uit het voedsel niet meer kunt gebruiken voor het onderhoud van je lichaam omdat je verteringsenzymen niet meer werken.

Het maken van deze verteringsremmers is een belangrijke maatregel voor de plant. Dat is terug te zien in de hoeveelheid protease-remmers die de plant bevat. In de aardappel knol is tot ongeveer 10% van het opgeslagen eiwit een proteaseremmer. In sommige groene tomaten kan dat oplopen tot 50%. Zoals bij de meeste vruchten worden de protease-remmers afgebroken als de vrucht rijpt. Zodra het zaad klaar is kan de tomaat worden opgegeten, zodat het zaad verspreid wordt.

In bladeren zie je duidelijk dat protease-remmers een onderdeel zijn van de afweer. In bladeren zitten normaal weinig protease-remmers, maar als het blad aangevreten wordt, gaat het protease-remmers maken. Dit duidt er nog eens op dat deze stoffen een beschermende rol hebben. Protease-remmers voorkomen niet alleen dat wij onrijpe tomaten eten, maar remmen ook de enzymen van knaagdieren, slakken, rupsen en andere insecten, en zelfs van aaltjes, schimmels, bacteriën en virussen. Ze vormen dus een natuurlijke manier van afweer.

Afb. 1: De Bowman Birk proteaseremmer uit soja. In (a) is de oppervlakte van de remmer te zien. In (b) is te zien hoe de eiwitstreng opgevouwen is, zodat het oppervlak van (a) gevormd wordt. In © is te zien hoe de remmer (rood) in het enzym trypsine (blauw) past. Trypsine is in dit geval uit varkensdarmen geïsoleerd. De gegevens voor deze afbeelding zijn afkomstig uit Koepke et al 2000, zie literatuur 7.

Protease-remmers zijn tot in detail bekend

Omdat proteaseremmers makkelijk in grote hoeveelheden uit planten te zuiveren zijn, heeft men veel studies gedaan naar de moleculaire structuur en de moleculaire werking. De structuur van een aantal remmers is via Röntgendiffractie van gekristalliseerd eiwit bestudeerd, en de ligging van alle atomen van zo’n eiwit is daarmee bekend geworden. Afbeeldingen 1a en b laten twee weergaven van de Bowman-Birk protease-remmer uit sojaboon zien. Afbeelding 1a laat zien hoe het oppervlak van dit eiwit er uit ziet: het lijkt een soort wig te vormen. In afbeelding 1b zie je hoe de eiwitstreng opgevouwen is om dit oppervlak te vormen. Remmers uit andere planten zijn vaak heel anders opgevouwen, maar vertonen aan de oppervlakte toch een vergelijkbare vorm. Door dergelijke plaatjes te maken van complexen van een protease-remmer met een protease-enzym (zie afbeelding 1c) kunnen we begrijpen hoe de remmer werkt.

De werking van proteaseremmers komt neer op een simpele blokkade van het actieve gebied van het enzym (zie literatuur 1). De meeste protease-remmers uit planten hebben een eiwit-lus op hun oppervlak, die door het verteringsenzym herkend wordt. Deze lus wordt door het protease gepakt, om in stukken geknipt te worden. Dan blijkt dat een deel van het oppervlak van de lus erg goed op het oppervlak van het enzym te passen, en stevig op zijn plaats gehouden wordt door de rest van de protease remmer. Hoewel de lus vaak wel geknipt wordt, zal hij niet meer van het verteringsenzym loslaten. Er is als het ware een kurk in het enzym gepropt waardoor het geen eiwitten meer kan verteren.

Kan zo’n remmer nou al die enzymen van planteneters remmen? De voorwaarden voor het binden van een enzym lijken nogal veeleisend, omdat de lus precies moet passen. In de praktijk valt dat erg mee: de meeste enzymen die in darmen werken moeten allerhande eiwitten kunnen verteren, en staan dus open voor veel verschillende eiwitlussen. Dergelijke “algemene” enzymen kunnen ook geremd worden door “algemene” remmers.

Wat doen wij om de eiwitvoorraden van onze planten te beschermen?

Als een boer planten verbouwt heeft hij te maken met insecten en andere plagen, die eigenlijk concurrenten zijn. Deze concurrenten zijn ook geïnteresseerd in het opgeslagen voedsel en als de plagen te groot worden zal de boer zijn planten gaan beschermen. Normaal gebeurt dat met chemische middelen. Dat kan ten koste gaan van de gezondheid van mensen, vooral als, zoals in landen als China en India, er vaak met de hand geoogst wordt. In die landen zoekt men dan ook naar alternatieven.

Om planten te beschermen zou je bijvoorbeeld, net als de plant zelf, een natuurlijke manier van afweer kunnen gebruiken, door de verteringsenzymen van insecten te remmen. Dat zou je kunnen doen door de plant via biotechnologie een “algemeen” werkende remmer te laten maken, ook in onderdelen waar die plant van nature weinig proteaseremmers produceert. Insecten, en vooral de larven, zijn gericht op snel verteren van voedsel, dus daar kun je ze makkelijk treffen. Het is dan ook niet wonderlijk dat er op dit gebied nogal wat onderzoek gedaan is, ook in India en China.

De trypsine-achtige enzymen van rupsen van de pijlstaartvlinder ( Manduca sexta, een plaag op tabak) zijn makkelijk te remmen met remmers uit andere planten, bijvoorbeeld uit de aardappel. Dit gegeven werd met enthousiasme onthaald door veredelaars, die nieuwe mogelijkheden zagen voor plaagbestrijding. Geprobeerd werd om proteaseremmers via genetische modificatie van de ene plantensoort in de andere te krijgen. In sommige gevallen bleek deze aanpak te werken. Tabaksplanten die PI-2 (een protease remmer uit aardappels) maken zijn beschermd tegen Manduca sexta (zie literatuur 5). Op dezelfde manier heeft men met succes rijstplanten beschermd tegen een mot ( Sesamia inferens, zie literatuur 2), ook met PI-2.

Afb. 2: De effecten van de Kunitz-protease-remmer (SKTI) uit soja op Helicoverpa zea. Steeds worden insecten vergeleken die op controle dieet en op protease-remmer dieet zijn opgegroeid. (a) Het lichaamsgewicht verschilt nauwelijks. (b) De darm-enzymen kunnen even goed eiwit verteren. © Het enzym uit het controle insect kan niet tegen protease-remmers; het enzym uit het insect wat al protease-remmer gegeten heeft blijft actief.

Protease remmers: bescherming tegen echte plagen?

Er is een belangrijke groep insecten die geen last heeft van proteaseremmers. Opvallend genoeg zijn dit vaak polyfage insecten, dat wil zeggen dat ze veel verschillende planten eten. Voorbeelden zijn rupsen van motten zoals Spodoptera en Helicoverpa. Bij Plant Research International in Wageningen, waar ik werk, maar ook in laboratoria in India, onderzoeken ze waarom deze rupsen geen last hebben van protease-remmers. We testen het effect van remmers door ze te mengen door het dieet van insecten die we in het laboratorium kweken en vergelijken de groei met insecten die geen remmers in hun dieet hebben (het controle-dieet).

Als voorbeeld laat ik in afbeeldingen 2a en 2b zien hoe de rupsen van Helicoverpa zea reageren op een hoge concentratie proteaseremmer SKTI uit soja. Uit dergelijke proeven blijkt dat de rupsen door de toevoeging van de meeste remmers niet eerder dood gaan, en zelfs niet langzamer groeien (zie afbeelding 2a). In series van dit soort proeven blijkt dat deze polyfage insecten al een heleboel remmers kunnen weerstaan. Deze groep insecten zijn tevens de lastigste plagen. Bovendien zijn ze moeilijk te bestrijden vanwege ontwikkelende resistenties tegen chemische bestrijdingsmiddelen. Vandaar dat men verder onderzoekt hoe het precies komt dat bepaalde insecten juist wel tegen de protease-remmers kunnen…

Bekende veelvraat past zich aan

Als voorbeeld nemen we Helicoverpa (zie afbeelding 3), deze rups is een bekende lastpost die resistent is geworden tegen alle chemische middelen, en vooral op katoen en maïs een enorme plaag vormt. Er zijn twee soorten, die dezelfde eetgewoonten hebben, maar zich bepalen tot het Amerikaanse continent ( Helicoverpa zea) of Eurazië en Australië ( Helicoverpa armigera). Rond 1995 werd in China 30 % van het katoen areaal verwoest door Helicoverpa armigera (zie literatuur 8). Ook op kikkererwt en gierst, die vooral in armere landen gegeten worden, richt het dier onbeschrijfelijke verwoestingen aan. Helicoverpa is dus een echte veelvraat, en een serieuze plaag.

Afb. 3: Larve van Helicoverpa zea.

Om zichtbaar te maken hoe Helicoverpa reageert op de aanwezigheid van protease-remmers in zijn eten hebben we de volgende eenvoudige proef gedaan. Om te beginnen hebben we rupsen op maïsmeel pap opgegroeid. We hebben twee populaties insecten: de ene populatie had geen protease-remmer in zijn pap, de andere wel. Op het oog zien we geen enkel verschil in groei (zie figuur 2a). Toen hebben we de darminhoud van deze insecten genomen en getest hoe snel de darm-enzymen eiwitten afbreken.

Opnieuw zien we geen verschil (zie figuur 2b). Als we proberen de enzymen te remmen met een protease-remmer zien we wel een duidelijk verschil: geen remmer in het dieet en het enzym wordt geremd, wel remmer in dieet en enzym blijft verteren (zie figuur 2c). In dat laatste geval is er kennelijk iets veranderd in de verteringsenzymen, en zijn deze aangepast aan het dieet.

Aanpassing: hoe werkt dat?

Om wat meer inzicht te krijgen in de aanpassing van de rups aan zijn dieet hebben we de verteringsenzymen gezuiverd (zie literatuur 10). We willen het enzym uit de rups die alleen maïspap heeft gegeten vergelijken met het enzym uit de rups die maïspap met extra remmer heeft gegeten. Als we de enzymen proberen te remmen vinden we grote verschillen. Gek genoeg geldt dat voor alle remmers die we proberen: sojaboon, aardappel, pompoen, mosterd. Deze remmers hebben allemaal een geheel andere vouwing en zodoende een ander (groter of kleiner) contactoppervlak voor het enzym. Toch kan geen van allen het aangepaste enzym remmen. De rups heeft kennelijk één super enzym, waarmee álle remmers die we testen nutteloos zijn geworden.

We wilden weten waarin het normale, rembare enzym verschilt van het aangepaste, onrembare superenzym. We hebben een groot deel van de aminozuurvolgorde bepaald, en bijbehorende genen opgezocht die coderen voor de enzymen. We vonden dat de enzymen voor 76% identiek zijn. Uit de verschillen tussen het aangepaste enzym en het gewone enzym proberen we het verschil in werking te verklaren. Waarschijnlijk zijn een of twee van deze veranderingen ervoor verantwoordelijk dat remmers niet meer in het enzym passen, maar we hebben nog geen echte aanwijzing welke veranderingen dat zijn.

In ieder geval is duidelijk dat het bescheiden aantal verschillen tussen de twee enzymen grote gevolgen heeft voor de levenswijze van het insect: met het aangepaste superenzym lijkt elke eiwitbron aangeboord te kunnen worden, en elke plant gegeten te kunnen worden. Het kan natuurlijk zijn dat er een remmer bestaat die wel past op het superenzym, maar deze is niet zo maar te vinden in verzamelingen remmers die we gescreend hebben.

Proteaseremmers in het veld

Er zijn duidelijk gevallen waarin proteaseremmers uitkomst kunnen bieden om schadelijke insecten te bestrijden. Hoewel een aantal “veelvraten” onder de insecten niet te bestrijden lijkt met protease-remmers, is een aantal gespecialiseerdere insecten, zoals Manduca en Sesamia, wel gevoelig voor deze stoffen. Je kunt je voorstellen dat juist de “veelvraten” een ernstige bedreiging kunnen vormen voor de voedselvoorziening of de economie. Ze zijn alleen met behulp van veel toxische chemicaliën te bestrijden. Mijns inziens ligt het in die gevallen voor de hand om werkzame protease-remmers via genetische modificatie in de waardplanten van deze insecten in te brengen. De maatschappelijke acceptatie van dat soort planten hangt denk ik af van de grootte van het probleem.

Zoals met elke stof die je via genetische modificatie in een plant zet zal steeds moeten worden uitgezocht of er geen ongewenste neveneffecten zijn. Een voorbeeld is het effect op onze eigen spijsvertering, zoals het allergisch worden voor bepaalde “nieuwe” voedingeiwitten. In veel gevallen zullen dat soort problemen niet optreden als het om gekookte producten gaat, want de meeste protease-remmers werken niet meer als ze gekookt worden. Of als het gaat om producten die we helemaal niet eten, zoals katoen. Ook is het mogelijk dat protease-remmers effect hebben op bijvoorbeeld bijen of lieveheersbeestjes, maar het schaarse onderzoek wat hieraan gedaan is wijst niet in die richting (zie literatuur 9). Hierbij is het goed in de gaten te houden dat protease-remmers al vrij veel voorkomen in natuurlijk planten materiaal.

Protease-remmers werken ook tegen aangepaste insecten

Het is grappig om te zien dat protease-remmers ook kunnen werken tegen insecten die zich er aan aangepast lijken te hebben. In onze verzamelingen hebben we bijvoorbeeld remmers gevonden die duidelijk giftig zijn voor bladluis en trips. Deze insecten hebben zich aangepast aan de protease-remmers die normaal in planten gemaakt worden als reactie op vraatschade. In plaats van een ongevoelig enzym te gebruiken zorgen luizen en trips ervoor nauwelijks met protease-remmers (en andere afweerstoffen van de plant) in contact te komen, door maar hele subtiele beschadigingen aanrichten, waardoor de plant geen protease-remmers gaat produceren. Als ze deze stoffen toch tegenkomen blijken ze daar behoorlijk last van te hebben. Als ze keus hebben blijken ze planten die protease-remmers maken te mijden.

Ook de veelvraten als Helicoverpa kunnen nog onverwachte hinder ondervinden van protease-remmers. Dat zie je bijvoorbeeld aan katoenplanten die tegenwoordig in China verbouwd wordt (zie literatuur 3). Daarin heeft men met behulp van genetische modificatie het gen voor CpTI gezet. CpTI is een remmer die afkomstig is uit een erwtensoort. Men verbouwt katoen met het CpTI-gen om de Helicoverpa-schade te beperken. Als je het bovenstaande verhaaltje over de enzymen van Helicoverpa leest is het moeilijk te geloven dat het werkt.

Toch is er een goede rede om CpTI in katoen te gebruiken. In dezelfde Chinese katoen wordt namelijk ook BT toxine gemaakt. Het gen voor dit toxine is afkomstig uit een bacterie, en werkt goed tegen Helicoverpa. Volgens chinees onderzoek versterkt deze CpTI protease-remmer het effect van het BT toxine eiwit, waarschijnlijk omdat het toxine minder snel afgebroken wordt in de darm van de rups (zie literatuur 11). Zo heeft zelfs Helicoverpa, die toch over een aangepast superenzym beschikt, toch last van protease-remmers.

Protease-remmers zullen in de toekomst vaker toegepast worden om insecten van het eten van “onze” planten af te houden. Deze toepassing vraagt veel onderzoek, naar het vinden van de juiste remmer, en de mogelijke neveneffecten daarvan. Intussen leren we door dit onderzoek een hoop van de manier waarop planten zichzelf kunnen verweren tegen insecten, en hoe insecten daaraan aangepast zijn. Soms kunnen we daardoor de aanpassingen van plant en insect zelfs tot op het niveau van eiwitstructuur begrijpen.

Bronnen:

1. Bode & Huber 2000, Biochimica Biophysica Acta 1477, 241-252.

2. Duan et al. 1996, Nature Biotechnology 14, 494-498.

3. Fang et al. 2001, Journal of Agricultural Biotechnology 9 (2), 103-106.

4. Harsulkar et al. 1999, Plant Physiology 121, 497-506.

5. Johnson et al. 1989, Proceedings of the National Academy of Science USA 86, 9871-9875.

6. Jongsma et al. 1995, Proceedings of the National Academy of Science USA 92, 8041-8045.

7. Koepke et al. 2000, Journal of Molecular Biology 298, 477-491.

8. Krattiger 1997, ISAAA Briefs no. 2, pg. 42.

9. Malone & Burgess 2000, In: Recombinant protease inhibitors in plants. Ed. Michaud. Landes Bioscience, Georgetown.

10. Volpicella et al. 2003 European Journal of Biochemistry 270; 10-19

11. Zhao et al. 1999, Chinese Science Bulletin 44 (20), 1871-1873.

Meer weten over biotechnologie?

Voor vragen of opmerkingen n.a.v. dit artikel kunt u mailen met:

Dit artikel is een publicatie van Nederlands Instituut voor Biologie (NIBI).
© Nederlands Instituut voor Biologie (NIBI), sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 28 mei 2003

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.