Je leest:

Ontspannen over d en t

Ontspannen over d en t

Hoe zwaar wegen spelfouten nog?

Auteur: | 1 december 2010

Geregeld klagen personeelsfunctionarissen over de vele spelfouten in sollicitatiebrieven. Maar vallen zulke missers in andere teksten óók zo op? En wordt er net zo hard over gestruikeld? Aan de Utrechtse universiteit is er onderzoek naar gedaan.

flickr.com

In de vijfde klas van de lagere school (wat nu groep 7 heet) kregen we een meester, meneer Holst. Op een dag schreef hij met grote letters een moeilijk woord op het bord en zei: “Let goed op. Met twee d’s en twee l’en. Wie dat niet onthouden kan …” – en hier pauzeerde hij even – “… is de-biel.”

Daar keken we van op. Niet vanwege de robuuste didactiek, maar vanwege het onderwerp. Aandacht voor spellingregels hoefde op dat moment niet meer. Daarvoor was het systeem er in de jaren ervoor te goed in gehamerd. Wél werd de spellingvaardigheid bijgehouden doordat elk schriftelijk werkje ook op spelling gecorrigeerd werd. Er zwaaide wat als er een d/t-fout in stond.

Een halve eeuw later is spelling nog steeds van het grootste belang. Op de basisschool leren de kinderen het nog altijd goed, zo bleek onlangs uit een artikel van Jannemieke van de Gein in Onze Taal. Het blijkt ook uit de aandacht die het Groot Dictee der Nederlandse Taal en zijn vele varianten weten te wekken. En het bleek uit twee omvangrijke peilingen van de Nederlandse Taalunie, in 2005 en 2007. Op de vraag aan welke onderwerpen de respondenten in het onderwijs graag meer aandacht besteed zagen, antwoordde 53%: de spelling. Het blijkt ten slotte uit de litanieën van hr-managers, reïncarnaties van de welbekende personeelschefs. Zij deponeren sollicitatiebrieven met spelfouten nog steeds zonder pardon in de prullenbak.

Betreurenswaardigheid

Spelling is dus belangrijk. Zou het echt? Terwijl ik aan dit stukje bezig ben, kijk ik een tentamen na van eerstejaars aan een universitaire letterenopleiding. Bij sommige antwoorden zou meneer Holst een rolberoerte gekregen hebben, vooral vanwege de werkwoordspellingen: “wat er beoogt wordt”, “wat het betekend”, “het litteken belichaamd”, “de denotatie bepaald hoe …”, enzovoort. Uit andere universiteitssteden komen gelijkluidende berichten en Van de Gein treft dergelijke fouten ook aan in vwo-eindexamens. Natuurlijk betreft het hier steeds anekdotische informatie, maar er zijn ook objectieve gegevens die wijzen op een verandering in de houding ten opzichte van een correcte spelling in het algemeen en die van de werkwoorden in het bijzonder.

Dertig jaar geleden legde de Belgische hoogleraar De Schutter Vlaamse proefpersonen zinnen voor met een fout erin. Die fout wees hij aan en hij gaf desgewenst ook uitleg. De proefpersonen moesten vervolgens de zwaarte van de fout op een systematische manier beoordelen. In de zinnen stonden verschillende soorten spelfouten: tegen de voorkeurspelling (bijvoorbeeld practische in plaats van praktische), tegen het etymologisch principe (nog in plaats van noch) en tegen de werkwoordspelling: (die dozen) laadt je. Daarnaast moesten de proefpersonen ook foutief gekozen woorden en foute zinsconstructies beoordelen. De spelfouten werden het negatiefst beoordeeld; volgens De Schutter kwamen ze “als absolute kampioenen van betreurenswaardigheid te voorschijn”.

Kijken we naar de afzonderlijke spelfouten, dan blijkt dit vooral op te gaan voor etymologische fouten en voor de werkwoordfout. Deze laatste scoort zelfs de op een na hoogste betreurenswaardigheid. Enkele jaren later deed de psycholoog Assink net zo’n onderzoek in Nederland, maar dan alleen met spelfouten. Uit zijn resultaten blijkt dat de d/t-fouten hooguit middelmatig ernstig gevonden worden.

Directmailbrieven

Nu is de beoordeling van de afwijking op zichzelf wel interessant, maar voor een communicatiekundige is het nóg interessanter om te weten of zo’n fout invloed heeft op de beoordeling van de tekst waarin hij voorkomt. Om dat te weten te komen, maakten Laura Kloet, Jan Renkema en Carel van Wijk in 2003 een directmailbrief in drie versies: een zonder fouten, een met kleine vormfoutjes, zoals typefouten (voorbeeld vor in plaats van voor) en spelfouten (het broedseizoen word), en een met verkeerd gebruikte verbindingswoorden (bijvoorbeeld hoewel als omdat op zijn plaats zou zijn). De proefpersonen kregen vragen over de brief, dus niet over de fout. De onderzoekers constateerden wel een negatief effect van de foutief gebruikte verbindingswoorden, maar geen effect van de spel- en typefouten. Dus ook niet van d/t-fouten!

Nu bevatte de brief met vormfoutjes afwijkingen van verschillende categorieën. Dat was opzet, omdat het ging om het effect van slordigheidsfoutjes. Daarmee is alleen de vraag nog niet beantwoord hoe lezers teksten beoordelen waarin een bepaald type spelfout systematisch gemaakt wordt. Die vraag heb ik samen met een groep studenten proberen te beantwoorden. We maakten een directmailbrief en elf varianten daarop waarin telkens maar één soort fout voorkwam, maar dan een aantal keren. In de spellingcategorie deden mee:

- fouten in de meervoudsuitgang: niet -en maar -e, bijvoorbeeld “De producente hebbe (…)”; - onjuist gebruik van hoofdletters, bijvoorbeeld: “(…) tijdens onze tocht door de middellandse-zeelanden”; - d/t-fouten in de werkwoordspelling, bijvoorbeeld: “Men bereid er traditionele wijnen”.

Daarnaast boden we ook brieven aan met alleen maar een zinsbouwfout van een bepaald type (de meisje bijvoorbeeld) of een interpunctiefout (bijvoorbeeld een hoofdletter zonder spatie direct achter een punt). Wat bleek? Vormfouten hebben nu wél een negatief effect, maar spelfouten daarbinnen zijn beslist niet meer “de kampioenen van betreurenswaardigheid”. Dat zijn nu duidelijk de zinsbouwfouten. Binnen de categorie spelfouten hebben de d/t-fouten wel wat meer effect dan de verkeerde hoofdletters, maar veel minder effect dan het ontbreken van een meervouds-n.

Flickr.com

Weinig waarde

Zou het kunnen dat d/t-fouten tegenwoordig alleen opvallen als er tamelijk véél van in een tekst zitten? Hoe dat precies zit, heeft een student in een recent afstudeeronderzoek proberen uit te zoeken. Eerst liet zij haar proefpersonen een tekst met d/t-fouten voorlezen, waarbij ze uitgenodigd werden om zo veel mogelijk hardop commentaar te geven. Op grond van die gegevens maakte zij drie tekstvarianten: een zonder fouten, een met acht fouten van het type men bereid en een met vier fouten. Het idee was dat de proefpersonen eventueel bezwaar zouden maken tegen de tekst met vier fouten, maar pas echt zouden gaan steigeren bij de tekst met acht fouten.

Dat idee bleek niet te kloppen. De drie soorten brieven werden ongeveer gelijk gewaardeerd. Toen we wat nauwkeuriger naar de data gingen kijken, kwam naar voren dat ongeveer de helft van de proefpersonen – en die waren net als bij de andere experimenten merendeels hoogopgeleid – de fouten helemaal niet gezíén had. Toen we de statistische tests overdeden met alleen de gegevens van proefpersonen die de fouten wél zagen, was er nog steeds geen negatieve waardering van de spelfouten.

Het begint er dus zo langzamerhand op te lijken dat men moeite heeft om werkwoordfouten te onderkennen. Als men dat wel kan, let men er niet zo op. En als men er wel op let, hecht men er weinig waarde aan.

Façade

Maar, zult u tegenwerpen, onze hr-managers zijn toch ook niet gek? Klopt. Maar de sollicitatiebrief vormt een uitzonderlijk genre. De hr-manager kent de inhoud eigenlijk al van tevoren, namelijk: ‘Ik begeer het baantje.’ Daarom is de vorm relevanter. Hoe schrijft de sollicitant? Toont hij met zijn stijl aan dat hij bijvoorbeeld taalvaardig en origineel is? Of nog belangrijker: komt zijn taalvaardigheidsniveau in de praktijk overeen met wat hij daarover in de brief beweert? Of tonen de spelfouten de barstjes in de façade die de sollicitant in zijn brief heeft proberen op te werpen? Met andere woorden: sollicitatiebrieven worden op een bijzondere manier gelezen. Gelukkig lijkt het nakijken van tentamens meer op directmailbrieven lezen. In het eerstejaarstentamen van het begin gebruikte één student het moeilijke woord. Ja, met één l. Ja, dat zag de docent onmiddellijk. Nee, die student is niet debiel.

Zie ook:

Dit artikel is een publicatie van Genootschap Onze Taal.
© Genootschap Onze Taal, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 01 december 2010
NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.